Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5479

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
16-09-2013
Zaaknummer
C/03/182333 / BZ RK 13-421
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art.28 Wet Bopz; immateriële schadevergoeding; de burgemeester is er verantwoordelijk voor dat de last tot inbewaringstelling in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen wordt afgegeven en uitgevoerd. Gebreken bij de afgifte en uitvoering van de last behoren tot de risicosfeer van de burgemeester; in deze zaak is sprake van een onrechtmatige last aangezien de last berust op een geneeskundige verklaring van een psychiater die niet als 'niet bij de behandeling betrokken' kan worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 21
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/12
JVGGZ 2013/52 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum beschikking: 6 september 2013

Zaaknummer: C/03/182333 / BZ RK 13/421

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [1978],

wonende te [woonplaats], gemeente Sittard-Geleen,

verder te noemen verzoeker,

advocaat mr. H.C. Ingelse, kantoorhoudende te Maastricht,

tegen

de gemeente Sittard-Geleen,

verder te noemen verweerder,

gemachtigden J.E.J. Henselmans en S.N. Gimbrère.

1 Het procesverloop

Bij beschikking van 17 februari 2013 heeft de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, op de voet van artikel 20 van de Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) een last tot inbewaringstelling van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis gegeven.

Op 18 februari 2013 heeft de officier van justitie een verzoekschrift strekkende tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis ingediend. Aan dit verzoekschrift is door de griffie van deze rechtbank het zaaknummer C/03/178619 / BZ RK 13-93 toegekend.

Bij beschikking van 22 februari 2013, gegeven onder voornoemd zaaknummer, heeft deze rechtbank het verzoek van de officier van justitie gehonoreerd en een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling verleend.

Door verzoeker is tegen die beschikking beroep in cassatie ingesteld.

Bij beschikking van 21 juni 2013 heeft de Hoge Raad de beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2013 vernietigd en heeft hij de zaak (terug)verwezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Verzoeker heeft op 4 juli 2013 op de voet van artikel 28 Wet Bopz een verzoekschrift strekkende tot schadevergoeding ingediend.

Verweerder heeft op 19 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 juli 2013. Bij die gelegenheid heeft verzoeker een aanvullend verzoek ingediend. Daarnaast heeft verweerder een pleitnotitie in het geding gebracht.

2 Het verzoek en het verweer

2.1

Verzoeker verzoekt aan hem, ten laste van verweerder, een schadevergoeding toe te kennen van € 900,00 ter zake door hem geleden immateriële schade, alsmede verweerder te veroordelen in de aan de zijde van verzoeker gevallen proceskosten, althans vaststelling van een zodanige schadevergoeding en proceskostenveroordeling als de rechtbank redelijk en billijk acht. Hiernaast heeft verzoeker ter zitting een aanvullend verzoek ingediend waarbij hij verzoekt om toekenning van een schadevergoeding van € 900,00 ter zake door hem geleden materiële schade.

Aan zijn verzoek tot toekenning van schadevergoeding legt verzoeker ten grondslag dat hij op basis van de door de burgemeester gegeven last vanaf 17 februari 2013 tot en met 22 februari 2013 in bewaring is gesteld en aldus van zijn vrijheid is beroofd. De door verweerder gegeven last tot inbewaringstelling is echter onrechtmatig, aangezien deze is gegeven op grond van een geneeskundige verklaring van een psychiater die niet als onafhankelijk kan worden beschouwd, omdat hij kort tevoren, tot 5 december 2012, bij de behandeling van verzoeker betrokken is geweest. Na zijn inbewaringstelling is verzoeker evenmin door een niet-behandelend psychiater onderzocht. Desondanks heeft de rechtbank bij beschikking van 22 februari 2013 een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend, waarbij zij zich op diezelfde geneeskundige verklaring heeft gebaseerd. De Hoge Raad heeft de beschikking van de rechtbank van 22 februari 2013, naar aanleiding van het door verzoeker ingesteld cassatieberoep, om die reden vernietigd bij beschikking van 21 juni 2013. Verzoeker begroot de door hem geleden immateriële schade op € 150,00 per dag dat hij op basis van de onrechtmatige last van zijn vrijheid is beroofd. Daarnaast heeft verzoeker materiële schade geleden, welke door hem wordt begroot op, in totaal, € 900,00. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 750,00 ter zake de diefstal van de bromfiets van verzoeker. Verzoeker heeft voorafgaand aan zijn inbewaringstelling niet de gelegenheid gekregen zijn bromfiets binnen te zetten en deze is vervolgens gestolen. Daarnaast zijn de vissen van verzoeker tijdens zijn inbewaringstelling overleden, omdat hij ze niet kon verzorgen. Het betreft tien vissen à € 15,00 per stuk.

2.2

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn inleidend verzoek, aangezien het verzoek niet is ingediend als zelfstandig verzoek bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van verzoeker. Nu de officier van justitie bovendien op 18 februari 2013 een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling heeft ingediend, kan het verzoek niet bij afzonderlijk verzoekschrift worden ingediend.

Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het bepaalde in artikel 28 van de Wet Bopz niet in de weg staat aan indiening van een afzonderlijk verzoekschrift tot schadevergoeding, stelt verweerder zich op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het verzoek eerst negentien weken na het afgeven van de last tot inbewaringstelling is ingediend, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid.

Meer subsidiair voert verweerder aan dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat de last tot inbewaringstelling rechtmatig was. De burgemeester heeft de last tot inbewaringstelling gegeven op basis van de geneeskundige verklaring van psychiater drs. Koevoets, die volgens deze verklaring de niet-behandelend psychiater was. Door of namens de burgemeester is voorafgaand aan het geven van de last tot inbewaringstelling niet vastgesteld dat de geneeskundige verklaring niet door een als onafhankelijk aan te merken psychiater is opgesteld. Op basis van de inhoud van die geneeskundige verklaring kon de burgemeester in redelijkheid tot het oordeel komen dat sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Wet Bopz, aldus verweerder.

2.3

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nog toegelicht.

3 De beoordeling

3.1

Het meest verstrekkende verweer van verweerder houdt in dat de verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn inleidend verzoek. Verweerder heeft ter onderbouwing van die stelling betoogd dat het verzoek niet is ingediend als zelfstandig verzoek bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van verzoeker, een en ander zoals omschreven in artikel 28 van de Wet Bopz. Indien deze omstandigheid niet zou leiden tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker, dient verzoeker volgens verweerder niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het verzoek eerst negentien weken na het afgeven van de last tot inbewaringstelling is ingediend. Verweerder acht dit in strijd met de rechtszekerheid. In dit verband heeft verweerder verwezen naar artikel 28 van de Wet Bopz, waarin is bepaald dat een afzonderlijk verzoekschrift tot schadevergoeding binnen zes weken dient te worden ingediend, indien de officier van justitie niet verzoekt om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders argumenten niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verzoeker niet in zijn verzoek kan worden ontvangen. In artikel 28 van de Wet Bopz is weliswaar niet expliciet bepaald dat een verzoek tot schadevergoeding ook bij afzonderlijk verzoekschrift kan worden ingediend indien de officier van justitie wèl een verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling indient, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat de wetgever die mogelijkheid doelbewust en nadrukkelijk heeft willen uitsluiten. De wetsgeschiedenis biedt in ieder geval geen aanknopingspunten voor de juistheid van die stelling. Integendeel, uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever door middel van artikel 28 en 35 van de Wet Bopz een snelle en simpele weg tot het verkrijgen van een schadevergoeding heeft willen geven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in artikel 35 van de Wet Bopz wel expliciet de mogelijkheid wordt geboden om bij afzonderlijk verzoekschrift een verzoek tot schadevergoeding in te dienen, terwijl de aard en strekking van deze bepalingen niet wezenlijk van elkaar verschillen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onthouding van de mogelijkheid om op de voet van artikel 28 van de Wet Bopz bij afzonderlijk verzoekschrift een verzoek tot schadevergoeding in te dienen indien wel om voortzetting van de inbewaringstelling is verzocht, niet aansluit bij de bedoeling van de wetgever.

De omstandigheid dat verzoeker zijn verzoek eerst negentien weken na afgifte van de last tot inbewaringstelling heeft ingediend kan, in dit geval, evenmin leiden tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker. In dit verband overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad, naar aanleiding van het door verzoeker ingestelde beroep in cassatie, de beschikking van 22 februari 2013 bij beschikking van 21 juni 2013 heeft vernietigd. Verzoeker heeft vervolgens, naar aanleiding van die beschikking, op 4 juli 2013, aldus nog geen twee weken daarna, het onderhavige verzoek ingediend. In artikel 35 van de Wet Bopz, voor zover hier van belang, is bepaald dat een verzoek tot schadevergoeding kan worden ingediend, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft, of, indien in beroep in cassatie over die schending is geklaagd, binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking van de Hoge Raad. Niet valt in te zien op grond waarvan ten aanzien van een verzoek als het onderhavige, dat is gebaseerd op artikel 28 van de Wet Bopz, anders zou moeten worden geoordeeld. Hiertoe verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor reeds heeft overwogen ten aanzien van de samenhang tussen de artikelen 28 en 35 van de Wet Bopz.

Bij die stand van zaken heeft verweerder zijn stelling inhoudende dat verzoeker hiermee in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verzoeker ontvangen in zijn inleidend verzoek.

3.2

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verzoeker kan worden ontvangen in zijn aanvullend verzoek tot toekenning van een vergoeding ter zake materiële schadevergoeding, welk verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is ingediend. Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van het verzoek. Hij is van mening dat de eisen van een goede procesorde zich tegen aanvulling van het verzoek verzetten, gelet op het feit dat die aanvulling eerst ter zitting wordt ingediend en gelet op het feit dat verweerder daartegen geen verweer heeft kunnen voeren.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Door verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat het aanvullend verzoek eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is ingediend. Daar komt bij dat verweerder onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich tegen toewijzing van dit verzoek te verweren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat van verweerder, gelet op de aard van het verzoek, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zich beperkt tot een mondeling verweer ter zitting.

De rechtbank zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn aanvullend verzoek tot toekenning van een schadevergoeding ter zake materiële schade.

3.3

Thans komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het inleidend verzoek.

3.3.1 De rechtbank stelt voorop dat artikel 21, eerste lid van de Wet Bopz, voor zover hier van belang, bepaalt dat de burgemeester een inbewaringstelling niet gelast dan nadat een, bij voorkeur niet-behandelend, psychiater of, zo dat niet mogelijk is, een, bij voorkeur niet-behandelend arts, niet psychiater zijnde, een schriftelijke verklaring heeft verstrekt waaruit met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid, blijkt dat het geval, bedoeld in artikel 20, tweede lid, zich voordoet. Hoewel deze bepaling ruimte biedt voor de mogelijkheid dat de geneeskundige verklaring wordt opgesteld door een behandelend psychiater, strookt dat niet met de vigerende rechtspraak, zoals ingezet door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In zijn arrest van 24 oktober 1979, NJ 1980, 114 (Winterwerp) heeft het EHRM immers de eis gesteld dat aan de betrokkene niet de vrijheid kan worden ontnomen "unless he has been reliably shown to be of “unsound mind”. The very nature of what has to be established before the competent national authority – that is, a true mental disorder – calls for objective medical expertise." Hierop is slechts een uitzondering mogelijk voor door de omstandigheden van het geval te rechtvaardigen "emergency cases".

Verzoeker stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat de door de burgemeester gegeven last tot inbewaringstelling onrechtmatig was, omdat de burgemeester die last heeft afgegeven op basis van een geneeskundige verklaring welke niet is opgesteld door een onafhankelijke, dat wil zeggen niet bij de behandeling van verzoeker betrokken, psychiater. De geneeskundige verklaring op basis waarvan de burgemeester de last tot inbewaringstelling heeft gegeven is opgesteld en ondertekend door psychiater drs. P.F.M. Koevoets. De officier van justitie heeft op 18 februari 2013 onder overlegging van diezelfde geneeskundige verklaring de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek op 21 februari 2013 is door verzoeker het verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat het onderzoek niet is verricht door een onafhankelijke psychiater. Bij brief van 22 februari 2013 heeft psychiater Koevoets op verzoek van de rechtbank inlichtingen verstrekt met betrekking tot zijn behandelrelatie tot verzoeker. In die brief verklaart psychiater Koevoets dat hij sinds 5 december 2012 niet meer de behandelend psychiater van verzoeker is. Bij beschikking van 22 februari 2013 heeft de rechtbank vervolgens de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend. Verzoeker heeft tegen die beslissing beroep in cassatie ingesteld. Volgens verzoeker heeft de rechtbank miskend dat voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een geneeskundige verklaring is vereist van een onafhankelijk psychiater. De rechtbank heeft immers, zo stelt verzoeker, gebruik gemaakt van een verklaring van een psychiater die als behandelend psychiater dient te worden aangemerkt nu hij naar eigen zeggen tot 5 december 2012 de behandelend psychiater was van verzoeker.

3.3.2 De Hoge Raad heeft vervolgens, onder verwijzing naar zijn beschikking van 16 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BK0342), bij beschikking van 21 juni 2013 geoordeeld dat "in het algemeen moet worden aangenomen dat ten minste een jaar moet zijn verstreken tussen het moment waarop de psychiater voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, en het moment waarop die psychiater zijn onderzoek verricht ten behoeve van een op grond van de Wet Bopz vereiste geneeskundige verklaring, om die psychiater te kunnen aanmerken als "niet bij de behandeling betrokken" als bedoeld in art. 5 eerste lid Wet Bopz." In de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 16 oktober 2009, betrof het weliswaar een machtiging tot voortgezet verblijf, maar volgens de Hoge Raad valt niet in te zien "waarom op dit punt anders zou moeten worden geoordeeld in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ook in het kader van laatstbedoelde machtiging strekt het vereiste dat het onderzoek moet zijn verricht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, immers ertoe de waarborgen rond de voortzetting van de gedwongen opname te versterken door het eisen van een onafhankelijk oordeel ter advisering van de rechter."

3.3.3 In het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde vuistregel en in aanmerking nemende dat psychiater Koevoets in zijn brief van 22 februari 2013 heeft verklaard dat hij sinds 5 december 2012 niet meer de behandelend psychiater van verzoeker is, is het evident dat psychiater Koevoets niet als "niet bij de behandeling betrokken" kan worden aangemerkt. Daarmee staat vast dat de burgemeester de inbewaringstelling van verzoeker heeft gelast op basis van een geneeskundige verklaring van een psychiater die niet als "niet bij de behandeling betrokken" kan worden aangemerkt. De rechtbank Maastricht heeft in haar beschikking van 15 oktober 2009 (ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0564) in dit verband geoordeeld dat "van een burgemeester mag worden verlangd dat hij zich bij het geven van een last tot inbewaringstelling in de eerste plaats ervan vergewist of de betrokkene in een persoonlijk voorafgaand onderzoek is gezien en onderzocht door een specialist, dat wil zeggen een – niet behandelend – psychiater als bedoeld in artikel 1 lid 1, aanhef en onder j, van de Wet Bopz. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de door het EHRM gestelde eis van 'objective medical expertise' tevens mee dat van een burgemeester, nu deze verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van zijn eigen last, als deze vaststelt dat de aan hem voorgelegde schriftelijke verklaring niet door een onafhankelijk psychiater is opgemaakt, mag worden verwacht dat hij vervolgens beoordeelt of er een noodsituatie aanwezig is die een uitzondering op deze regel rechtvaardigt. Is de conclusie dat een noodsituatie niet aan de orde is, dan moet het desondanks afgeven van een last tot inbewaringstelling in beginsel onrechtmatig worden geacht." Deze rechtbank sluit zich bij dat oordeel aan en neemt dat oordeel in deze zaak over.

Verweerder stelt in dit verband dat voorafgaand aan het afgeven van de last tot inbewaringstelling door of namens de burgemeester niet is vastgesteld dat de geneeskundige verklaring niet door een onafhankelijke psychiater is opgesteld. Daarnaast stelt verweerder, althans zo begrijpt de rechtbank zijn stelling, dat de burgemeester om die reden niet is toegekomen aan de beantwoording van de vraag of sprake was van een noodsituatie welke rechtvaardigde dat verzoeker ondanks het ontbreken van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, in bewaring werd gesteld. Gelet hierop kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat de burgemeester tekort is geschoten in zijn verantwoordelijkheid zich ervan te vergewissen dat verzoeker in een persoonlijk voorafgaand onderzoek is gezien en onderzocht door een niet-behandelend psychiater. Daarmee is gegeven dat de vrijheidsbeneming van verzoeker niet in overeenstemming is geweest met de uit artikel 5 van het EVRM voortvloeiende eisen. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat de last van de burgemeester van meet af aan onrechtmatig is geweest. Het antwoord op de vraag of de burgemeester op basis van de aan hem ter beschikking staande gegevens wel of niet in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet Bopz, is in dezen niet van belang. Zelfs al zou die vraag in bevestigende zin kunnen worden beantwoord, dan ontslaat dat de burgemeester niet van de op hem rustende verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de last tot inbewaringstelling in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen wordt afgegeven én uitgevoerd. Het betoog van verweerder inhoudende dat de door de burgemeester gegeven last wel degelijk rechtmatig was, omdat de burgemeester op basis van de aan hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet Bopz, kan dan ook niet slagen. De omstandigheid dat psychiater Koevoets in de geneeskundige verklaring de vraag of hij bij de behandeling van verzoeker betrokken is met "nee" heeft beantwoord, maakt dat niet anders, omdat zulks tot de risicosfeer van de burgemeester behoort.

3.3.4. Verzoeker stelt dat hij immateriële schade heeft geleden, omdat hij door de onrechtmatige last gedurende zes dagen van zijn vrijheid is beroofd. Dit is door verweerder niet betwist. Nu de door de burgemeester afgegeven last onrechtmatig is, komt de door verzoeker ten gevolge hiervan geleden schade, waarvoor verweerder als publiekrechtelijk rechtspersoon aansprakelijk is, op de voet van artikel 28 van de Wet Bopz voor vergoeding in aanmerking.

Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat bij de toekenning naar billijkheid van een schadevergoeding op de voet van artikel 28 van de Wet Bopz de rechter niet gebonden is aan de grenzen van de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade vervat in artikel 6:106 van het BW. Dat vloeit voort uit de strekking van artikel 28, waarmee mede beoogd is te voldoen aan artikel 5, vijfde lid EVRM dat bepaalt dat een ieder die slachtoffer is geweest van een detentie in strijd met de bepalingen van artikel 5, leden een tot en met vier, van het EVRM recht heeft op schadeloosstelling en waarvan moet worden aangenomen dat het ten minste rechte geeft op een billijke genoegdoening als bedoeld in artikel 50 van het EVRM.

3.3.5 Verzoeker heeft de door hem geleden schade begroot op een bedrag van € 900,00 ofwel € 150,00 voor elke dag dat hij onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest, hetgeen de rechtbank redelijk en billijk voorkomt. Verweerder heeft overigens ook geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de verzochte schadevergoeding. Gelet daarop zal het inleidend verzoek worden toegewezen, zodat verweerder aan verzoeker een bedrag van € 900,00 dient te voldoen ter vergoeding van de door hem ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming geleden schade.

Voorts bestaat aanleiding verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van de procedure aan de zijde van verzoeker gevallen en tot op heden begroot op:

- salaris advocaat € 768,00 (2 punten x tarief € 384,00)

3.4

Mitsdien wordt als volgt beslist.

4 Beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn aanvullend verzoek tot toekenning van een schadevergoeding ter zake materiële schade;

veroordeelt de gemeente Sittard-Geleen om aan verzoeker een bedrag van € 900,00 te voldoen ten titel van vergoeding van de door verzoeker geleden immateriële schade;

veroordeelt de gemeente Sittard-Geleen in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoeker tot op heden begroot op € 768,00;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en uitgesproken

op 6 september 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

NL

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

  1. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.