Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5358

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
03/703322-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens valsheid in geschrift en poging tot oplichting. Veroordeelde (een rechtspersoon) heeft door middel van een valselijk gepretendeerd retentierecht getracht de gemeente Maastricht tot afgifte van een schip te bewegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/703322-08

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 september 2013

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres 1].

Raadsman is mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 29 november 2011 en 27 augustus 2013. Namens [verdachte] is (telkens) niemand verschenen. Wel is verschenen de door de directie van [verdachte] gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 samen met (een) ander(en) valsheid in geschrifte heeft gepleegd, door brieven te vervalsen of valselijk op te maken.

Feit 2: in voornoemde periode samen met (een) ander(en) de gemeente Maastricht heeft opgelicht dan wel heeft geprobeerd om de gemeente Maastricht op te lichten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de door hem in het requisitoir weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] wel degelijk een retentierecht had op het schip “[naam schip]”, zodat van valsheid in geschrifte en/of (poging tot) oplichting geen sprake is. In het dossier bevindt zich weliswaar één verklaring waaruit zou kunnen blijken dat van een retentierecht geen sprake was, doch die enkele verklaring is onvoldoende om tot een bewezen verklaring te kunnen komen van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Vanaf oktober 2000 ligt bij scheepswerf [naam 1] aan de [adres 2] te Maastricht het woonschip “[naam schip]”. Het schip is in gebruik als woonverblijf voor de buitenlandse werknemers die op de werf werkzaam zijn. Tevens zijn er de kantoren van de werf gevestigd.

De gemeente Maastricht is het niet eens met het ligplaats nemen van dit schip op deze locatie. Tevens worden er vele overtredingen geconstateerd tegen meerdere regelingen, zoals met betrekking tot de brandveiligheid aan boord, milieuvoorschriften etc. Op 13 augustus 2002 en 8 januari 2004 worden er door de gemeente Maastricht dwangsommen opgelegd aan de eigenaresse van het schip, [naam 2] Deze dwangsommen worden niet betaald en het schip blijft bij de scheepswerf liggen. Daarom besluit de gemeente Maastricht in september 2005 om het schip te laten veilen. Daarvoor schakelt de gemeente Maastricht notariskantoor Krans Helmig Stuijt in.

Bij brief van 9 juni 2006 meldt verdachte zich bij het notariskantoor.2Zij stelt ter zake achterstallige huurgelden (liggeld) een bedrag van € 798.786,00 tegoed te hebben van de eigenaresse van het schip. Ter zake deze vordering wordt retentierecht uitgeoefend op de “[naam schip]”. Bij brief van 3 juli 20063 wordt de claim van het retentierecht nog eens herhaald en wordt een specificatie van de vordering verstrekt. In een andere brief van 3 juli 2006 licht verdachte een en ander nog nader toe.4

De gemeente Maastricht speelt de informatie met betrekking tot de huurgelden door naar de Belastingdienst. Voor de Belastingdienst is deze informatie aanleiding navorderingsaanslagen BTW en Vennootschapsbelasting op te leggen (deze inkomsten/vorderingen waren bij de Belastingdienst onbekend). Voor verdachte is dat aanleiding hiertegen bezwaarschriften in te dienen.

Op 26 januari 2007 maakt mr. Sligchers namens verdachte bezwaar tegen de naheffing BTW en op 7 februari 2007 maakt drs. Van Dijk RA namens verdachte bezwaar tegen de naheffing vennootschapsbelasting.

Op 21 september 2007 vindt er een gesprek plaats tussen [medewerker belastingdienst], namens de Belastingdienst, en mr. Sligchers, namens verdachte, over het bezwaarschrift tegen de naheffing BTW. Hiervan is door [medewerker belastingdienst] een gespreksverslag gemaakt dat door mr. Sligchers voor akkoord is ondertekend.5 In dit verslag staat onder andere:

“Er is geen sprake geweest van een of meerdere facturen voor huurgelden betreffende

de “[naam schip]”. Ook een huurovereenkomst was niet voorhanden/opgemaakt. De genoemde brief aan Notarissen en Advocaten Krans Helmig Stuijt was blufpoker om een aanstaande veiling te voorkomen (…) Ook van een retentierecht was geen sprake (…) De “[naam schip]” was bedoeld voor het huisvesten van mensen die op de werf werkzaam waren (…) De “[naam schip]” had geen vaste ligplaats. Deze werkwijze (gratis ligplaats) was al eens eerder met twee boten toegepast. Zoals nu wordt aangegeven werden geen huurgelden bedongen, in rekening gebracht of wat dan ook.”

Op 23 april 2009 is drs. Van Dijk RA door verbalisanten gehoord met betrekking tot

het door hem opgestelde bezwaarschrift tegen de naheffing Vennootschapsbelasting. In het hiervan opgemaakte proces-verbaal6 staat onder andere, zakelijk weergegeven, dat drs. Van Dijk RA met betrekking tot het liggeld nooit huurcontracten heeft gezien en ook nooit openstaande vorderingen heeft verwerkt in jaarstukken.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot navolgend oordeel.

Verdachte stelt een retentierecht te hebben op de “[naam schip]” terzake achterstallige liggelden. Verdachte kan een retentierecht op het schip doen gelden als zij een opeisbare vordering heeft betreffende het schip, bijvoorbeeld terzake liggelden. De vraag is echter of daarvan sprake was.

Op grond van al hetgeen in deze zaak is gebleken is de rechtbank er van overtuigd dat de eigenaresse van de “[naam schip]” geen liggeld verschuldigd was aan verdachte. De rechtbank grond die overtuiging op het volgende:

- er is geen huurovereenkomst, of een ander schriftelijk stuk, opgemaakt waaruit in ieder geval de essentialia van de huurovereenkomst, zoals de huurprijs per periode, blijken;

- er is kennelijk gedurende meerdere jaren nooit feitelijk liggeld betaald en dit was geen reden voor verdachte om maatregelen tegen de eigenaresse van de “[naam schip]”

te treffen;

- er zijn nooit huurfacturen opgemaakt;

- verdachte exploiteert de scheepswerf [naam 1] aan de [adres 2] te Maastricht. De “[naam schip]” werd gebruikt voor het huisvesten van de buitenlandse werknemers en de kantoren van de werf. Nu het gebruik van het schip aan verdachte zelf ten goede kwam ligt een huurvergoeding, te betalen aan verdachte, niet voor de hand;

- uit het gespreksverslag van [medewerker belastingdienst] blijkt dat de advocaat van verdachte aangeeft dat er geen huurgelden waren bedongen.

Een andere grondslag voor een retentierecht wordt nog wel door drs. Van Dijk RA genoemd in zijn verhoor, namelijk enkele grote reparaties aan het schip. Hiervan blijkt echter verder niets en verdachte heeft deze werkzaamheden ook niet tot de grondslag voor haar retentierecht gemaakt.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat er van een retentierecht geen sprake was. De brieven waarin het bestaan van dat recht wordt gesteld zijn dus valselijk opgemaakt. Nu deze gedragingen – het opstellen van de brieven – hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon – de brieven zijn opgesteld door een persoon binnen de rechtspersoon en de brieven kwamen de rechtspersoon ten goede – kunnen deze gedragingen in redelijkheid ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Het onder feit 1 aan verdachte tenlastegelegde kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Feit 2

Feit is dat de gemeente Maastricht, nadat zij kennis had genomen van het gepretendeerde retentierecht, de veiling van de “[naam schip]” heeft afgeblazen. Maar uit het dossier blijkt niet dat de gemeente Maastricht haar aanspraken op het schip toen ook heeft prijsgegeven ten gunste van anderen.

Uiteindelijk is het schip op 3 februari 2007 vertrokken. Voordat het schip vertrok is de gemeente Maastricht van het voorgenomen vertrek per fax op de hoogte gesteld. Toch

heeft de gemeente Maastricht het vertrek niet verhinderd. [medewerker gemeente], werkzaam bij de gemeente Maastricht en onder andere belast met de problematiek rondom de “[naam schip]” heeft hierover onder andere verklaard7: “De gemeente heeft deze verscheping

niet tegengehouden ondanks haar vorderingen, gezien praktische overwegingen, namelijk kostenaspecten vele onderzoeken, de herhaaldelijke handhavingsacties (ontruimingen brandonveilige situatie, illegaal ligplaats nemen, illegale bewoning).”

Uit deze verklaring van [medewerker gemeente] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de gemeente Maastricht uiteindelijk niet door het gepretendeerde retentierecht bewogen is om het schip

af te geven maar dat men er voor gekozen heeft het schip te laten vertrekken. Zo kwam er immers een einde aan een situatie – het ligplaats nemen en de bewoning – waaraan de gemeente al jaren tevergeefs had geprobeerd een einde te maken. Feit 2 primair kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte door middel van het valselijk gepretendeerde retentierecht heeft getracht de gemeente Maastricht tot afgifte van het schip te bewegen. De subsidiair ten laste gelegde poging tot oplichting kan wel worden bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

in de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 te Maastricht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), meermalen een brief - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en haar mededader(s) valselijk, in strijd met de waarheid,

- in een brief, gedateerd 9 juni 2006, opgenomen of doen opnemen dat zij, [verdachte], wegens achterstallige huurgelden retentierechten (te weten een bedrag van 786.846 euro) uitoefent op een vaartuig ('de [naam schip]');

- in een brief met bijlage, gedateerd 3 juli 2006, (wederom) opgenomen of doen opnemen dat zij, [verdachte], wegens achterstallige huurgelden retentierechten (te weten een bedrag van 789,786 euro) uitoefent op een vaartuig ('de [naam schip]');

- in een brief, gedateerd 3 juli 2006, opgenomen of doen opnemen dat zij, [verdachte], wegens achterstallige huurgelden retentierechten (te weten een bedrag van 789.786 euro) uitoefent op een vaartuig ('de [naam schip]') en/of (vervolgens) dat dit niet de kosten betreft van het in- en uitdokken en dat de kosten voor het in- en uitdokken worden begroot op het ogenblik dat het schip eventueel door nieuwe eigenaars wordt opgehaald,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

in eendaadse samenloop met:

2. ( subsidiair)

in de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 te Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Maastricht heeft bewogen tot de afgifte van een vaartuig (te weten '[naam schip]'), hebbende verdachte en haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid meermalen (in antwoord op het voornemen tot veiling/verkoop van het vaartuig voornoemd)

- ( schriftelijk) te kennen gegeven dat zij, [verdachte], vanwege achterstallige huurgelden, retentierechten uitoefent op het betreffende vaartuig,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2 subsidiair:

medeplegen van poging tot oplichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 20.000,00.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard en op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en poging tot oplichting door in strijd met de waarheid – middels valselijk opgemaakte brieven – een retentierecht te pretenderen op het vaartuig “[naam schip]”. Hierdoor is de gemeente Maastricht “op het verkeerde been” gezet en heeft zij besloten niet tot veiling van het schip over te gaan.

In het dagelijkse verkeer tussen partijen met verschillende belangen komen vaker meningsverschillen voor die tot verschillende opvattingen kunnen leiden. Hierbij wordt echter van iedereen verwacht dat op een “faire” manier wordt opgetreden. Wordt bewust onjuiste informatie in het spel gebracht, dan verstoord dat op onrechtmatige wijze de interactie tussen betrokkenen. Dat brengt het normale “handelsverkeer” ernstige schade toe. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde straf een passende straf. Zij zal derhalve aan verdachte opleggen een geldboete van € 20.000,00.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 45, 47, 55, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegd feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 20.000,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 te Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meerdere brief/brieven, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk, in strijd met de waarheid,

- in een brief, gedateerd 9 juni 2006, opgenomen of doen opnemen dat zij, [verdachte], wegens achterstallige huurgelden retentierechten (te weten een bedrag van 786.846 euro) uitoefent op een vaartuig ('de [naam schip]');

- in een brief met bijlage, gedateerd 3 juli 2006, (wederom) opgenomen of doen opnemen dat zij, [verdachte], wegens achterstallige huurgelden retentierechten (te weten een bedrag van 789,786 euro) uitoefent op een vaartuig ('de [naam schip]');

- in een brief, gedateerd 3 juli 2006, opgenomen of doen opnemen dat zij, [verdachte], wegens achterstallige huurgelden retentierechten (te weten een bedrag van 789.786 euro) uitoefent op een vaartuig ('de [naam schip]') en/of (vervolgens) dat dit niet de kosten betreft van het in- en uitdokken en/of dat de kosten voor het in- en uitdokken worden begroot op het ogenblik dat het schip eventueel door nieuwe eigenaars wordt opgehaald,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in of omstreeks de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 te Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Maastricht heeft bewogen tot de afgifte van een vaartuig (te weten

'[naam schip]'), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meermalen, in elk geval eenmaal,(in antwoord op het voornemen tot veiling/verkoop van het vaartuig voornoemd)

- ( schriftelijk) te kennen gegeven dat zij, [verdachte], vanwege achterstallige huurgelden, retentierechten (te weten een bedrag van 786.846 euro en/of 798.786 euro) uitoefent op het betreffende vaartuig,

waardoor de gemeente voornoemd werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 te Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Maastricht heeft bewogen tot de afgifte van een vaartuig (te weten '[naam schip]'), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meermalen, in elk geval eenmaal,(in antwoord op het voornemen tot veiling/verkoop van het vaartuig voornoemd)

- ( schriftelijk) te kennen gegeven dat zij, [verdachte], vanwege achterstallige huurgelden, retentierechten (te weten een bedrag van 786.846 euro en/of 798.786 euro) uitoefent op het betreffende vaartuig,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/703322-08

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 10 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres 1].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

Namens de verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman: mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar de doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit, tenzij anders vermeld, delen van processen-verbaal op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2417/2008006301, van de regiopolitie Limburg-Zuid, gedateerd 18 februari 2010. Het dossier is doorgenummerd van pagina 1 t/m 363.

2 Een geschrift, zijnde een brief, pag. 158.

3 Een geschrift, zijnde een brief, pag. 157.

4 Een geschrift, zijnde een brief, pag. 157.

5 Een geschrift, zijnde een verslag van het gesprek tussen [medewerker belastingdienst] en mr. Sligchers, pag. 259.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige], pag. 284.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [medewerker gemeente], pag. 206.