Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5334

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
03 2267534
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kan de verhuurder die alleen de huurder wiens goederen onder bewind zijn gesteld dagvaardt, niet (ook) de bewindvoerder, in zijn vordering tot ontruiming van het gehuurde wegens overlast worden ontvangen? Ja, het huurecht is niet een "goed" als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW waarover het bewind is ingesteld. Het gebruiksrecht dat de huurder aan de huurovereenkomst ontleent heeft weliswaar vermogensrechtelijke trekjes maar is geen zakelijk recht of overdraagbaar vermogensbestanddeel, zodat de belangenbehartiging van de bewindvoerder zich daartoe niet uitstrekt. Zeker nu alleen gedrag dat een goed huurder niet betaamt, waarop de bewindverder geen invloed kan uitoefenen, aan de vordering ten grondslag ligt. Verwijzing naar voorgenomen prejudiciele vragen aan de HR door rechtbank Gelderland, vonnis van 5 juni 2013, NJF 2013/312, LJN CA2469

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats: Heerlen

Burgerlijk recht

Zaak/rolno.: 2267534 CV EXPL 13-6825

vU/JS

Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv d.d. 5 september 2013

inzake:

[eiser],

wonende te [adres 1]

,

gemachtigde mr. E. Frins te Sittard,

eiser,

t e g e n

[gedaagde],

wonende te [adres 2]

,

gemachtigde mr. W.J.Th.B. Gerlag te Kerkrade (toevoeging),

gedaagde.

1 HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van 21 augustus 2013;

  • -

    de door eiseres op 28 augustus 2013 ingezonden producties 13 en 14;

  • -

    de op 29 augustus 2013 gehouden mondelinge behandeling bij gelegenheid waarvan gedaagde een pleitnota/antwoord heeft overgelegd en partijen hun stellingen nader hebben toegelicht;

  • -

    de op 29 augustus 2013 gehouden bezichtiging ter plaatse.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 HET GESCHIL

2.1

Tussen eiser als verhuurder en gedaagde als huurder is per [datum 1] een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woonruimte (het appartement) aan de [adres 2].

2.2

Eiser stelt dat gedaagde, wiens goederen onder beschermingsbewind zijn gesteld, structureel tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Gedaagde kampt met een drugsprobleem, waardoor in en rondom het gehuurde overlast wordt veroorzaakt. Gedaagde laat zich in met personen die bij de politie bekend zijn en deze personen bezoeken regelmatig het gehuurde, wat gepaard gaat met veel lawaai, geweld, bedreigingen en het intrappen van deuren. Daarnaast valt gedaagde de overige huurders lastig door het vragen om geld of sigaretten of het gebruik van hun telefoon. Overige huurders en bij hen verblijvende kinderen voelen zich onveilig door het gedrag van gedaagde en zijn bezoekers.

2.3

Verder stelt eiser dat het gehuurde door toedoen van gedaagde ernstig is onderkomen. De bij de aanvang van de huur volledig nieuw geverfde wanden evenals de nieuw geplaatste rolgordijnen zijn aangetast door een donkere, gele aanslag als gevolg van het rookgedrag van gedaagde en/of zijn bezoekers.

De speciale extra stevige brandveilige toegangsdeur tot het appartement is gebarsten. Daarnaast is de centrale toegangsdeur al drie keer door bezoekers van gedaagde ingetrapt en zwaar beschadigd.

2.4

Ter onderbouwing van zijn stellingen produceert eiser een achttal schriftelijke verklaringen van medehuurders, buren en omwonenden van gedaagde.

2.5

Op grond van het vorenstaande vordert eiser, kort gezegd, veroordeling van gedaagde tot ontruiming van de woning.

2.6.

Gedaagde weerspreekt in zijn pleitnota/antwoord de stellingen van eiser en beroept zich allereerst op niet-ontvankelijkheid nu de bewindvoerder niet in rechte is betrokken. Verder ontkent gedaagde zich schuldig te maken aan overlast en het gehuurde niet goed te onderhouden. Hij stelt hier nimmer door eiser op te zijn gewezen. Hij denkt dat een hetze tegen hem wordt gevoerd. Gedaagde erkent, in verband met zijn beperkte budget aan leefgeld, van buren wel eens geld te hebben geleend, maar ontkent daartoe bijna elke dag bij zijn buren aan te kloppen.

Zakelijk weergegeven stelt gedaagde zich op het standpunt dat er geen sprake is van (drugs) overlast c.q. handel in drugs waar hij betrokken bij zou zijn. Ook betwist gedaagde zich in te laten met criminele figuren en (kinderen van) medebewoners in hun gevoel van veiligheid aan te tasten

3 DE BEOORDELING

3.1

Het verst strekkende verweer luidt dat eiser in zijn vordering niet kan worden ontvangen omdat hij gedaagdes - aan eiser bekende - bewindvoerder (mede) had moeten dagvaarden, nu het bewind alle goederen van gedaagde omvat, waaronder zijn recht op huurgenot krachtens de overeenkomst tussen partijen. De vraag of een vordering tot ontbinding van een door de rechthebbende gesloten huurovereenkomst betrekking heeft op een onder het bewind staand goed, wordt in de rechtspraak verschillend beantwoord. Kortheidshalve verwijst de kantonrechter naar het vonnis van zijn ambtgenoot in de rechtbank Gelderland van 5 juni 2013 (NJF 2013/312; LJN CA2469) waarin deze zich voorneemt hierover een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, en de daar genoemde jurisprudentie. Het oordeel van de kantonrechter luidt - totdat de Hoge Raad anders beslist, en in lijn met hetgeen doorgaans door de kantonrechter in de rechtbank Limburg althans de locatie Heerlen wordt beslist - dat het huurrecht niet een “goed” is als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW waarover het bewind is ingesteld.

Daarom mist de vertegenwoordigingsbevoegdheid en -verplichting van de bewindvoerder van art. 1:441 lid 1 BW toepassing op vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst of ontruiming van het gehuurde. Weliswaar heeft het (gebruiks)recht dat een huurder aan de huurovereenkomst ontleent vermogensrechtelijke trekjes, maar een zakelijk recht of overdraagbaar vermogensbestanddeel is het bepaald niet. Blijkens de eerste zin van art. 1:431 lid 1 BW heeft de instelling van een bewind ten doel de waarneming van de vermogensrechtelijke belangen van de betrokken meerderjarige. De rechten uit de huurovereenkomst vormen niet een zodanig belang. Dit geldt te meer in het geval dat, zoals hier, de vordering tot ontruiming uitsluitend is gebaseerd op een tekortkoming in de nakoming door de onder bewind gestelde (de huurder) van zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen, met name geen overlast voor omwonenden te veroorzaken. Deze verplichting kan naar zijn aard alleen door de huurder zelf worden nagekomen; de bewindvoerder heeft er als behartiger van de vermogensrechtelijke belangen van de onder bewind gestelde geen enkele invloed op of deze die verplichting nakomt dan wel schendt en blijft schenden. Anders gezegd: ook al zou de kantonrechter eiser verplichten de bewindvoerder van gedaagde in het geding te roepen, dan zou dit op de materiële beoordeling van de zaak geen enkele invloed hebben. Het zou slechts een

- gelet op het door eiser gestelde spoedeisend belang: te vermijden - vertraging van de procedure veroorzaken. Eiser wordt dus in zijn vordering ontvangen.

3.2

Een tweede formeel verweer luidt dat eiser gedaagde er nooit op heeft gewezen dat hij overlast heeft bezorgd of het gehuurde gebrekkig onderhoudt. Er had volgens gedaagde een ingebrekestelling moeten volgen en die is er niet. Gedaagde ziet er met dit verweer aan voorbij dat zijn verzuim - dat krachtens artikel 6:82 lid 1 BW in bepaalde gevallen slechts door ingebrekestelling met een redelijke termijn voor nakoming intreedt - voor toewijzing van de vordering op de gekozen grondslag niet vereist is. Hier doet zich immers een geval voor waarin, in de woorden van artikel 6:81 jo. 6:265 lid 2 BW, nakoming - van de verplichting zich als goed huurder te gedragen - over het verleden blijvend onmogelijk is. De kantonrechter komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

3.3

Hierbij staat voorop dat eiser in dit kort geding zodanig aannemelijk moet maken dat zijn vordering (tot ontbinding van de huurovereenkomst op grond van tekortkomingen van gedaagde in de nakoming van zijn verplichtingen) in een bodemprocedure zal worden toegewezen, dat het gerechtvaardigd is daarop bij wege van voorlopige voorziening vooruit te lopen door de ontruiming te bevelen.

3.3.1

Naar het oordeel van de kantonrechter is eiser daarin geslaagd. Uit de op ambtseed opgemaakte “sfeerrapportage” van de ambtenaar van politie [naam] van [datum 2] volgt dat omwonenden vrijwel vanaf het moment dat gedaagde in het gehuurde kwam wonen, overlast in de vorm van lawaai door gedaagde zelf en door veelvuldig bezoek - ook en vooral in de voor de nachtrust bestemde uren - van gebruikers van en handelaren in verdovende middelen hebben ondervonden. Op het gedrag van die laatsten in en rondom het gehuurde kan gedaagde als huurder krachtens de artikelen 6.2 en 6.3 van de huurovereenkomst, in overeenstemming met art. 7:219 BW, door eiser als verhuurder worden aangesproken. Ook waar het betreft het vernielen van (het slot van) de centrale voordeur tot het pand waarin het gehuurde zich bevindt. Gedaagde heeft weliswaar betwist dat dit door één van zijn bezoekers is gedaan, maar heeft tegenover de aannemelijke verklaring van eiser geen aannemelijke alternatieve oorzaak van deze schade genoemd. Uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van omwonenden - en de kantonrechter heeft geen reden om aan het waarheidsgehalte daarvan te twijfelen - volgt dat zij, waarvan sommigen ook de verantwoordelijkheid hebben voor bij hen verblijvende kinderen, in voortdurende angst leven voor wat gedaagde of zijn bezoekers hen zouden kunnen aandoen. Die omwonenden zijn of waren ook huurders van eiser. Eiser heeft overtuigend uiteengezet dat hij zich verantwoordelijk voelt voor hun woongenot en die verantwoordelijkheid of zelfs aansprakelijkheid heeft hij inderdaad, ook in rechte. Eiser heeft weliswaar verklaard als partij ter zitting, niet als (buiten het geding staande) getuige, maar de kantonrechter heeft geen grond gevonden om aan het waarheidsgehalte en de oprechtheid van de verklaring van eiser te twijfelen.

3.3.2

De bezichtiging van het gehuurde direct na afloop van de zitting in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden heeft ten aanzien van de gestelde overlast geen constateringen opgeleverd. Wel heeft de kantonrechter geconstateerd dat het gehuurde - dat, naar de onbetwiste stelling van eiser, toen gedaagde er zijn intrek nam was gerenoveerd, geschilderd en van gloednieuwe rolgordijnen voorzien – aan de binnenzijde zwaar is vervuild door en stinkt naar sigarettenrook. Aannemelijk is dat eiser na het vertrek van gedaagde het gehuurde helemaal opnieuw zal moeten laten schilderen en nieuwe gordijnen zal moeten ophangen, en de vraag is of daarmee die aanslag en stank zullen verdwijnen. Zeker bij een zo korte duur van de huurovereenkomst als de onderhavige (ruim twee jaar) moet dit onaanvaardbaar worden geacht.

3.4

Al met al is aannemelijk dat de kantonrechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden wegens tekortkomingen in de nakoming daarvan door gedaagde. Het is, ter bescherming van de omwonenden wier belang eiser zich terecht aantrekt, gerechtvaardigd om daarop bij wege van voorlopige voorziening vooruit te lopen. De vordering wordt dan ook toegewezen, met bepaling van de ontruimingstermijn op aan de redelijkheid ontleende gronden op 14 dagen na betekening van dit vonnis. De mede gevorderde machtiging om de ontruiming voor zover nodig zelf ten uitvoer te leggen, berust niet op de wet en dient derhalve te worden afgewezen. Artikel 556 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Onverenigbaar met die regel is dat de kantonrechter eiser niettemin zou machtigen om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. De deurwaarder zelf behoeft daartoe geen rechterlijke machtiging. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard.

3.5

In het lichaam van de dagvaarding worden buitengerechtelijke werkzaamheden genoemd. Gedaagde heeft in zijn mondelinge toelichting ter terechtzitting daartegen verweer gevoerd. Nu uit het petitum van de dagvaarding niet blijkt dat vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt gevorderd en eiser ook bij gelegenheid van de behandeling ter zitting zijn eis op dit punt niet heeft aangevuld, komt de kantonrechter aan de beoordeling of aan eiser ter zake een vergoeding dient te worden toegekend, niet toe.

3.6

Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4 BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde de woning aan de [adres 2], met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van eiser te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van eiser gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 567,82 (explootkosten € 92,82, vastrecht € 75,00 en salaris gemachtigde

€ 400,00);

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.P. van Unen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.