Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5302

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
03/703091-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen bewijs voor fraude door bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/703091-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 september 2013

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadslieden zijn mr. R.W.J.L. Loonen en mr. A. Çinar, advocaten te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 23 november 2012, 5 februari 2013, 14 mei 2013 en 27 augustus 2013. De verdachte is op geen van deze zittingen verschenen. Wel is/zijn verschenen zijn gemachtigde raadsman/raadslieden. De officier van justitie en

de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 8 februari 2005 tot en met 3 mei 2011, in zijn functie als bewindvoerder/schuldhulpverlener een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan

[benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6], heeft verduisterd.

Feit 2: een persoon genaamd [benadeelde 5] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een geldbedrag ter hoogte van € 2.391,- dat toebehoorde aan [benadeelde 1] en dat verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking onder zich had, heeft verduisterd. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte andere bedragen van [benadeelde 1] heeft verduisterd, noch van de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Verdachte moet daarom van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Feit 2

De officier van justitie acht het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten op basis van de in haar pleitnota genoemde gronden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Uit het dossier blijkt dat zes personen aangifte hebben gedaan tegen verdachte. Deze zes personen hebben zich allemaal vanwege financiële problemen op vrijwillige basis voor hulp gewend tot het schuldhulpbureau van gedaagde, genaamd VSNP. Zij sloten allen een schuldregelingsovereenkomst met verdachte, waarin werd afgesproken dat hun inkomsten op de derderekening van VSNP werden gestort. Zij kregen dan maandelijks een klein bedrag aan leefgeld van verdachte en van het geld dat overbleef werden door verdachte lopende verplichtingen en schulden afbetaald. Alle aangevers kwamen er na korte of langere tijd achter dat ze nog steeds schulden hadden en dat deze zelfs waren opgelopen. Ondanks diverse verzoeken hiertoe kregen zij van verdachte geen (afdoende) uitleg waar dit aan lag. Uiteindelijk hebben zij allemaal aangifte gedaan tegen verdachte, omdat zij de overtuiging hadden dat er geld was verdwenen.

Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek gedaan naar de vraag of er inderdaad geld is verdwenen. Uit dit onderzoek, dat is vastgelegd in een aanvullend proces-verbaal, opgesteld door officier van justitie Scharenborg, is het volgende gebleken.

Ten behoeve van de aangevers [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft verdachte uitgaven

(betalingen) gedaan die hoger zijn dan de inkomsten die hij van hun heeft ontvangen.

Ten aanzien van de aangeefster [benadeelde 6] heeft het openbaar ministerie geen transacties in

De boekhouding van verdachte aangetroffen. Het openbaar ministerie concludeert in het proces-verbaal dat er gelet hierop geen bewijs is dat verdachte gelden van deze aangevers heeft verduisterd.

Ten behoeve van aangeefster [benadeelde 5] heeft verdachte € 1.131,- minder uitgegeven dan hij

van haar heeft ontvangen. Omdat de totale inkomens en uitgaven met betrekking tot [benadeelde 5]

echter meer dan € 80.000,- bedragen en het ontbrekende bedrag slechts een heel klein deel

hiervan uitmaakt, concludeert het openbaar ministerie dat ook ten aanzien van deze

aangeefster geen bewijs is dat verdachte gelden van haar heeft verduisterd.

De rechtbank is het hier mee eens. Wat betreft [benadeelde 5] betrekt de rechtbank hierbij nog dat

er wel een verschil is geconstateerd tussen de inkomsten en uitgaven maar dat dat op zich onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van verduistering te komen. Daarvoor moet immers nog vastgesteld kunnen worden wat er met het geld is gebeurd - dat het wederrechtelijk is toegeëigend zoals bedoeld in de wet - en daarvoor ontbreekt het bewijs.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering ten aanzien van [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6]. Verdachte zal daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Rest de aangifte van [benadeelde 1]. Uit het hierboven reeds genoemde aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie blijkt dat de uitgaven die verdachte ten behoeve van [benadeelde 1] heeft verricht gelijk zijn aan de inkomsten die hij van haar heeft ontvangen. In tegenstelling tot de andere aangevers acht de officier van justitie in dit geval toch bewezen dat verdachte gelden van [benadeelde 1] heeft verduisterd. Uit nader onderzoek is immers gebleken dat verdachte ten behoeve van [benadeelde 1] ook een bedrag van € 2.391,- aan teruggegeven belastinggeld heeft gebruikt, nadat [benadeelde 1] de schuldhulpovereenkomst

had opgezegd en verdachte dus niet meer over dit geldbedrag mocht beschikken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat [benadeelde 1] in 2006 samen met haar partner [benadeelde 7] een schuldregelingsovereenkomst met verdachte heeft gesloten. In februari 2007 heeft [benadeelde 1] deze overeenkomst schriftelijk opgezegd, met de expliciete mededeling dat haar geld niet meer gebruikt mocht worden voor de afbetaling van de schulden, omdat zij en [benadeelde 7] onderling geregeld hadden dat deze schulden voor rekening van [benadeelde 7] zouden komen. Een kopie van deze verdelingsovereenkomst (met handtekening van [benadeelde 7]) heeft zij bij haar brief aan verdachte gevoegd. Verdachte was dus van deze situatie op de hoogte, of behoorde daar in ieder geval van op de hoogte te zijn.

Bij brief van 12 september 2008 kreeg [benadeelde 1] bericht van de Belastingdienst dat haar voorlopige teruggave Inkomstenheffing voortaan zou worden uitbetaald op het nieuwe rekeningnummer 212396633. Vervolgens is door de Belastingdienst op dit nummer ten behoeve van [benadeelde 1] in totaal een bedrag van € 2.391,- gestort.

Verdachte heeft verklaard dat het bovengenoemde rekeningnummer van hem is. De teruggave van de Belastingdienst die op deze bankrekening is binnengekomen heeft hij gebruikt om schulden van [benadeelde 7] af te lossen, omdat [benadeelde 7] hem zei dat dit hiervoor gebruikt moest worden. Hij heeft dit toen gedaan, ondanks het feit dat hij wist dat het geld van [benadeelde 1] was.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte na het opzeggen van de overeenkomst door [benadeelde 1] niet meer gemachtigd was de Belastingdienst te vragen het geld van [benadeelde 1] op zijn rekening te storten en dit vervolgens te gebruiken om (een deel van) de schulden van de [benadeelde 7] af te lossen. De vraag is echter of dit het tenlastegelgde feit van verduistering oplevert.

Voor “verduistering” is immers vereist dat verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich heeft, met andere woorden dat hij het op een rechtmatige wijze in handen heeft gekregen. De rechtbank kan niet vaststellen dat dit hier het geval is.

Het geld is immers op rekening van verdachte gestort doordat het rekeningnummer van de begunstigde is gewijzigd in dat van verdachte. Uitgaande van de brief van de Belastingdienst aan [benadeelde 1] gedateerd 12 september 2008, waarin over deze wijziging wordt bericht, gaat de rechtbank er van uit dat deze opgave door verdachte aan de Belastingdienst in ieder geval na de opzegging van de schuldhulpovereenkomst in februari 2007 heeft plaatsgevonden. Op een moment dus waarop verdachte niet meer rechtmatig over deze gelden mocht beschikken. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij deze nummerwijziging heeft doorgegeven. Daar staat echter tegenover dat uit een brief van de Belastingdienst, d.d. 24 november 2011, die door raadsman Loonen is overgelegd, blijkt dat verdachte zich tegenover de Belastingdienst op het standpunt stelt dat hij gemachtigd was tot deze wijziging. Hetgeen impliceert dat hij ook degene moet zijn geweest die de wijziging daadwerkelijk heeft doorgegeven.

Door dit te doen, terwijl hij hiertoe, anders dan hij naar de Belastingdienst toe stelt, niet (meer) gemachtigd was, heeft verdachte de gelden mogelijk verworven door valsheid in geschrifte en/of oplichting. Dit zijn strafbare feiten. Vast staat in ieder geval dat hij ze niet rechtmatig onder zich heeft gekregen.

Voor de onderhavige tenlastelegging betekent dit dat niet voldaan is aan een van de wettelijke vereiste om van verduistering te kunnen spreken, namelijk “anders dan door misdrijf onder zich hebben” en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken van dit feit.

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde 5] heeft mishandeld. Zij overweegt daartoe dat uit de bewijsmiddelen in het dossier niet blijkt dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op de mishandeling van [benadeelde 5]. Verdachte zal daarom ook van feit 2 worden vrijgesproken.

4 De benadeelde partijen

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat de verdachte zal worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partijen voornoemd te veroordelen in de proceskosten die verdachte heeft moeten maken ter verdediging tegen de vorderingen. De rechtbank zal hier niet in mee gaan en wel om de volgende reden.

Uit het dossier blijkt dat verdachte zijn administratie niet goed op orde had, dat hij de benadeelde partijen onvoldoende inzicht heeft verschaft in hun schuldenposities en dat hij over het aflossen van de schulden niet goed met de benadeelden heeft gecommuniceerd. Hoewel verdachte strafrechtelijk geen verwijt te maken valt is de rechtbank van oordeel dat de ingestelde vorderingen mede het gevolg zijn van de onzorgvuldige bedrijfsvoering van verdachte. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6], niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij hun vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

  • -

    compenseert de proceskosten aldus dat de verdachte en de benadeelde partijen voornoemd ieder hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 8 mei 2005 tot en met 3 mei 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een of meermalen (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan verdachte, te weten:

- in de periode van 8 februari 2005 tot en met 3 september 2010 een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [benadeelde 1], althans geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

- in de periode van 1 december 2007 tot en met 10 december 2008 een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [benadeelde 2], althans geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

- in de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 maart 2011 een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [benadeelde 3], althans geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

- in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 mei 2010 een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [benadeelde 4], althans geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

- in de periode van 1 mei 2007 tot en met 5 oktober 2010 een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [benadeelde 5], althans geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

- in de periode van 21 december 2010 tot en met 3 mei 2011 een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [benadeelde 6], althans geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) aan hem, verdachte, uit noodzaak in bewaring was/waren gegeven en/of welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) hij, verdachte, als bewindvoerder en/of als een beheerder van een instelling van weldadigheid of van een stichting als zodanig onder zich had

en/of welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van de Stichting Derdengelden VSNP-Nederland, voorheen SVF geheten, onder zich had

en/of welk(e) beldbedrag(en)/goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn beroep of tegen geldelijke vergoeding onder zich had en welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) (telkens) bestemd was/waren om lopende rekeningen/schulden van bovengenoemde [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] te voldoen, althans welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) (telkens) aan die [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] moest(en) worden terug gegeven, in elk geval, welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) hij, verdachte, (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 05 oktober 2010 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 5]), met kracht een dossier uit de handen heeft gerukt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/703091-11

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 10 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadslieden: mr. R.W.J.L. Loonen en mr. A. Çinar, advocaten te Heerlen.