Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4790

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
524855 CV EXPL 13-1753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij afweging van de betrokken belangen is er geen sprake van een spoedeisend belang (artikel 254 lid 1 Rv) aan de zijde van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Locatie Maastricht

zaaknummer: 524855 CV EXPL 13-1753

Vonnis in kort geding d.d. 26 juni 2013

inzake:

[eiseres],

wonend te [woonplaats 1],

eiseres,

gemachtigde: mr. G.A.M. Boshuizen-Otto (ARAG Legal Services),

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.P.H. Timmermans, advocaat te Beek.

1 HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.

Eiseres heeft gedaagde bij exploot van 16 mei 2013 gedagvaard in kort geding. Bij dat exploot zijn producties gevoegd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2013. Eiseres en gedaagde zijn beiden niet verschenen. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [dochter eiseres], bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Gedaagde heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar voornoemde gemachtigde.

1.3.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is namens eiseres haar standpunt toegelicht en daarbij zijn nog producties overgelegd.

1.4.

Namens gedaagde is ter zitting verweer gevoerd conform de aldaar ingediende conclusie van antwoord, daarbij verwijzend naar de op voorhand bij brief van 13 juni 2013 toegezonden producties alsmede naar een ter zitting nog overgelegde productie.

1.5.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.

2 DE FEITEN

2.1.

De navolgende feiten staan vast.

2.1.1.

Eiseres is de moeder van gedaagde.

2.1.2.

Blijkens de notariële akte van 23 december 1992 heeft [vader gedaagde], de vader van gedaagde en haar zus, [dochter eiseres] (hierna: te noemen: [dochter eiseres]), met

– volgens die akte – toestemming van zijn echtgenote (eiseres), aan gedaagde en [dochter eiseres] verkocht het woonhuis met garage, ondergrond, tuin en verdere aanhorigheden, gelegen te [adres] (hierna: de woning). De levering aan gedaagde en [dochter eiseres] vond plaats bij voornoemde notariële akte.

2.1.3.

In de notariële akte hebben gedaagde en [dochter eiseres] aan hun vader en eiseres als (in enkelvoud) gebruiker het recht van gebruik en bewoning van de woning verleend, zulks onder meer onder de bedingen dat het recht is gevestigd ten behoeve van de vader en eiseres (bij opvolging gedurende het leven van de langstlevende), het recht eindigt op de dag dat gebruiker afstand doet van het recht en dat de gebruiker het recht niet kan vervreemden of bezwaren en het verkochte niet door anderen dan de leden van zijn gezin kan laten gebruiken of bewonen onder welke titel dan ook.

2.1.4.

De vader van gedaagde en [dochter eiseres] is overleden op 3 augustus 1997. Nadien is eiseres in de woning blijven wonen tot oktober 2009, waarna zij is verhuisd naar een verzorgingstehuis.

2.1.5.

Sinds juni 2009 woonde ook gedaagde met haar dochter in de woning.

2.1.6.

Tussen eiseres en gedaagde is een schriftelijk stuk opgemaakt, gedateerd op 1 december 2009, ondertekend door eiseres en gedaagde, evenals door [dochter eiseres] als “getuige”, met als opschrift “voorbeeld huurovereenkomst”, dat voorgedrukte tekst en door gedaagde handgeschreven tekst bevat. In dat stuk staat dat eiseres aan gedaagde met ingang van 1 december 2012 de woning gestoffeerd en gemeubileerd verhuurd voor € 600,00 per maand.

2.1.7.

In maart 2010, april 2010 en mei 2010 heeft gedaagde betalingen aan eiseres gedaan van telkens € 600,00 onder de omschrijving “huur”.

3 HET GESCHIL

3.1.

Samengevat vordert eiseres de veroordeling van gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. ) om de woning te ontruimen en te verlaten en daarin niet weer te keren en met afgifte van de sleutels en alles dat verder tot de woning behoort ter vrije beschikking van eiseres te stellen, met machtiging om de ontruiming, indien gedaagde daarmee in gebreke blijft, zelf op kosten van gedaagde te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

  2. ) om aan eiseres te betalen een bedrag van € 22.800,00 aan achterstallige huur tot en met april 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. ) om aan eiseres te betalen een bedrag van € 600,00 per maand vanaf 1 mei 2013 voor iedere maand dat gedaagde de woning in gebruik heeft tot en met de datum van de ontruiming, een ingegane maand voor een volle gerekend;

  4. ) om aan eiseres te betalen een bedrag van € 780,45 aan buitengerechtelijke kosten;

  5. ) tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten.

3.2

Daartoe stelt eiseres, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat tussen haar en gedaagde een huurovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan gedaagde aan eiseres met ingang van 1 december 2009 € 600,00 per maand aan huur verschuldigd is. Gedaagde is ernstig tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst doordat eiseres over de periode december 2009 tot en met april 2013 38 maanden geen huur heeft betaald en daarmee een huurachterstand heeft van € 22.800,00. Volgens eiseres is zij als vruchtgebruikster ingevolge het bepaalde in artikel 3:217 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd om de woning te verhuren. Ter mondelinge behandeling is namens eiseres ter zake nog gesteld dat eiser het recht van gebruik en bewoning heeft krachtens artikel 3:217 lid 3 BW.

3.3.

Gedaagde voert verweer. Kort samengevat betwist zij gemotiveerd dat eiseres een spoedeisend belang heeft. Gedaagde stelt zich daarnaast – onder meer – op het standpunt dat geen sprake is van een tussen partijen gesloten (rechtsgeldige) huurovereenkomst. Gedaagde betwist voorts dat eiseres recht en belang heeft bij ontruiming, onder meer omdat gedaagde de woning reeds op 11 juni 2013 heeft verlaten en omdat gedaagde zelf mede-eigenaar van de woning is.

3.4.

Hetgeen partijen verder ter onderbouwing van hun standpunten naar voren hebben gebracht, zal voor zover van belang, in onderstaande beoordeling worden betrokken.

4 DE BEOORDELING

4.1.

Allereerst is aan de orde de vraag of aan de zijde van eiseres sprake is van een spoedeisend belang.

4.1.1.

Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan in de eerste plaats aangevoerd dat zij, door het achterwege blijven van betaling van de verschuldigde huur, in de financiële problemen komt.

4.1.2.

Gedaagde heeft dit betwist. Volgens haar beschikt eiseres over meer dan voldoende financiële middelen en komt zij niet in de problemen door de door eiseres gestelde wanbetaling door gedaagde. Eiseres beschikt over een aanzienlijke hoeveelheid spaargeld, opgeborgen in een kluis bij de bank. Daarnaast bevindt zich op de lopende rekening van eiseres ook een aanzienlijk geldbedrag, in januari 2013 ten minste € 25.000,00.

4.1.3.

Dit verweer heeft eiseres niet gemotiveerd weersproken. Evenmin heeft zij toegelicht hoe de door haar gestelde financiële problemen zich verhouden met een door haar ondertekende verklaring, gedateerd 8 februari 2013 (productie 4 bij de dagvaarding), waarin zij aangeeft de van gedaagde te ontvangen huur geheel te willen afstaan aan [dochter eiseres].

Bezien in het licht van het verweer van gedaagde had het op de weg van eiseres gelegen haar standpunt ter zake nader te onderbouwen en concretiseren. Dat heeft eiseres evenwel nagelaten, zodat daarom in zoverre geen spoedeisend belang aanwezig wordt geacht.

4.2.

Ter zitting is namens eiseres nog aangevoerd dat het spoedeisend belang tevens voortvloeit uit de omstandigheid dat het onderhavige geschil, gelegen in de familiesfeer, voor eiseres een grote psychische en emotionele belasting met zich brengt, zodat zij ook om die reden belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4.2.1.

Dit betoog leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 254 lid 1 Rv. Voor zover is bedoeld te stellen dat eiseres grote psychische druk ervaart omdat zij tegenover één van haar dochters in een gerechtelijke procedure is verwikkeld, wordt overwogen dat het eiseres zelf is die de onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt. Voor zover is beoogd te stellen dat van eiseres niet kan worden gevergd een bodemprocedure af te wachten omdat zij ten aanzien van het onderliggende geschil een grote emotionele en psychische belasting ervaart, is de kantonrechter van oordeel dat deze omstandigheid in het onderhavige geval evenmin met zich brengt dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist. De leeftijd van eiseres (89 jaar) maakt het bovenstaande niet anders.

4.3.

De aard van de vordering brengt in het onderhavige geval evenmin een voldoende spoedeisend belang met zich. Gedaagde verblijft – volgens eiseres in ieder geval vanaf december 2009 op basis van een met eiseres gesloten huurovereenkomst – in de woning althans zij heeft daar verbleven. Volgens eiseres heeft gedaagde afgezien van de periode april 2010 tot en met juni 2010 geen huur betaald. Eiseres heeft onvoldoende toegelicht waarom zij zo lang heeft gewacht met het instellen van de onderhavige vordering tot ontruiming. Gezien het feit dat op het moment van dagvaarden op één maand na drie jaar waren verstreken sinds de laatste betaling is gedaan, had dit wel van haar mogen worden verlangd.

4.4.

Bovendien komt daar nog bij dat in deze procedure niet is gebleken dat het geschil zich leent voor het treffen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad aangezien de zaak, gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen, feitelijk en juridisch niet is uitgekristalliseerd.

4.5.

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat bij afweging van de betrokken belangen geen sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van eiseres. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.6.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd aangezien partijen bloedverwanten zijn in de rechte lijn.

5 DE BESLISSING

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Brandts, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

AE