Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4784

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
511604 CV EXPL 13-922
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bewijslevering door getuigen in gevoegd behandelde vordering van de werknemer in kort geding (art. 254 lid 4 Rv) tot betaling van loon en wedertewerkstelling, en voorwaardelijk verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomt wegen gewichtige redenen (art. 7:685 lid 2 BW). Bewijs van dringende reden (verduistering in dienstbetrekking) geleverd, waarna er geen ruimte meer is voor het oordeel dat de gevolgen voor de werknemer te ernstig zijn of dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Vordering afgewezen. Ontbindingsverzoek ook afgewezen, omdat de voorwaarde waaronder het was ingediend niet is vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Heerlen

Burgerlijk recht

zaakno: 511604 CV EXPL 13-922

Vonnis van de kantonrechter als voorzieningenrechter van 11 april 2013

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij,

verder ook te noemen: de werknemer,

gemachtigde: mr. R. van der Hulle te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

verder ook te noemen: de werkgever,

gemachtigde: mr. K.J.J.W. Smedts te Nijmegen.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De werknemer heeft de werkgever bij exploit van 13 februari 2013 doen dagvaarden in kort geding. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 februari 2013, tegelijk met de mondelinge behandeling van het door de werkgever tegen de werknemer op 25 februari 2013 ingediende voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waartegen de werknemer op 27 februari 2013 een verweerschrift heeft ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht onder overlegging van pleitaantekeningen, die zowel in dit kort geding als in de verzoekschriftprocedure deel uitmaken van de processtukken. Ter mondelinge behandeling heeft de kantonrechter mondeling tussenvonnis gewezen en -beschikking gegeven, houdende een bewijsopdracht aan de werkgever, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 28 februari 2013. In de enquête zijn op 19 maart 2013 als getuigen gehoord de bestuurders/eigenaren van de werkgever, [bestuurder 1] en [bestuurder 2], en [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. In de contra-enquête zijn op 8 april 2013 als getuigen gehoord de werknemer, [getuige 5] en [getuige 6]. Verwezen wordt naar de hiervan opgemaakte processen-verbaal

1.2

Vonnis is bepaald op heden. De eveneens op heden gegeven beschikking is aan dit vonnis gehecht en wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast.

2 Het geschil

2.1

De werknemer vordert de veroordeling van de werkgever om aan hem het overeengekomen loon te betalen vanaf 13 november 2012, de datum van het ontslag op staande voet, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en de veroordeling van de werkgever om hem in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten. Aan de vordering legt de werknemer, kort gezegd, ten grondslag dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbrak, terwijl het ook niet onverwijld is gegeven en tot slot niet in stand kan blijven gelet op de dramatische gevolgen voor de werknemer.

2.2

De werkgever heeft, kort gezegd, als verweer gevoerd dat zij de werknemer heeft ontslagen op grond van een onverwijld aan hem meegedeelde, ook in subjectieve zin dringende reden, zodat haar verplichtingen jegens de werknemer op 13 november 2012 zijn

geëindigd.

3 De verdere beoordeling

3.1

De kantonrechter heeft reeds in zijn tussenvonnis van 28 februari 2013 geoordeeld dat er, als de aan de werkgever te bewijzen opgedragen dringende reden komt vast te staan, geen ruimte meer is om - op grond van de gevolgen daarvan voor de werknemer of op grond van het niet voldaan zijn aan de eis van onverwijlde aanzegging - te oordelen dat het ontslag op staande voet niet tot het einde van de arbeidsovereenkomst heeft geleid. De kantonrechter blijft hierbij. Het is van tweeën één: óf (1) de werknemer heeft - zoals hij bij herhaling heeft gesteld en als getuige heeft verklaard - een van de klant (de latere getuige) [getuige 1] in twee briefjes van € 50 ontvangen betaling van € 100 op de dag van die ontvangst in de kas van de werkgever (een portemonnee, als ter zitting getoond) gestopt en de klant uit eigen zak € 10 wisselgeld betaald, waarvan hij tegelijkertijd aantekening in het kasboek heeft gemaakt, óf (2) hij heeft dat niet gedaan en de betaling zelf behouden, en na ontdekking door de werkgever getracht dit vergrijp te verdoezelen door alsnog twee briefjes van € 50 opgevouwen in het achterste vakje van de kas te stoppen en alsnog de aantekening “€ 10,-” in het kasboek te maken. In geval (1) is er geen dringende reden en is de arbeidsovereenkomst door het (in dat geval ten onrechte gegeven) ontslag op staande voet niet geëindigd. In geval (2) is er wel een dringende reden en kan deze, mede gelet op de poging van de werknemer om hem te verdoezelen, het ontslag op staande voet dragen, ook al zijn de gevolgen daarvan voor de werknemer ernstig, gelet op zijn leeftijd en zijn mogelijkheden om ander passend werk te vinden. Die gevolgen zijn nu eenmaal eigen aan een ontslag en in aanmerking genomen de ernst van de dringende reden (verduistering in dienstbetrekking) dienen zij voor rekening en risico van de werknemer te blijven. In geval (2) kan aan het oordeel dat het ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd ook niet afdoen dat de werkgever zich, na zijn ontdekking van het ontbreken van de door de werknemer ontvangen € 100 in de kas, enkele dagen heeft beraden alvorens daaraan het gevolg van ontslag op staande voet te verbinden. Die termijn voor beraad en overleg binnen zijn bestuur moet een werkgever worden gegund, en gesteld noch gebleken is dat de werknemer daardoor in zijn mogelijkheden om de dringende reden feitelijk te betwisten, is benadeeld.

3.2

De kantonrechter oordeelt dat de dringende reden vaststaat. Weliswaar zijn [bestuurder 1] en [bestuurder 2] als bestuurders van de werkgever partijgetuigen, aan wier verklaringen slechts bewijskracht toekomt voor zover ze worden ondersteund door voldoende krachtig en consequent ondersteunend bewijs, maar aan die voorwaarde is voldaan.

3.2.1

Zowel [bestuurder 1] als [bestuurder 2] hebben verklaard dat zij, nadat zij van [getuige 1] hadden vernomen dat deze een week eerder contant € 100 voor de vervanging van een accu aan de werknemer had betaald, de bedrijfskas tweemaal hebben gecontroleerd op de aanwezigheid van die € 100. Zij hebben die toen niet aangetroffen. Gelet op het feit dat zij toen reeds argwaan hadden over de mededeling van de werknemer dat hij dit bedrag in de kas had gestopt, moet uitgesloten worden geacht dat zij dit bij hun controles niet hebben aangetroffen, ook al zou het in de vorm van twee briefjes van € 50 opgevouwen achter in de portemonnee hebben gezeten. Ook ten aanzien van de aantekening “€ 10,-” in het kasboek moet uitgesloten worden geacht dat met name [bestuurder 2], die de boekhouding van het bedrijf deed, deze niet zou hebben opgemerkt toen zij het kasboek juist op registraties van de werknemer controleerde. Aangenomen moet derhalve worden dat de werknemer - die

vrije toegang had tot het bedrijf, ook op tijdstippen waarop de bestuurders er niet waren - die twee briefjes van € 50 later in de portemonnee heeft gestopt en die aantekening later in het kasboek heeft gezet, teneinde zijn aanvankelijke verduistering te verdoezelen.

3.2.2

Tot zover wordt het bewijs ontleend aan de verklaringen van beide partijgetuigen. In overeenstemming met hun lezing van de feiten en in onverklaarbare tegenspraak met de verklaring van de werknemer als getuige, en derhalve als aanvullend bewijs op de verklaringen van de partijgetuigen ruimschoots voldoende, is de verklaring van de getuige [getuige 1], de klant die de betaling van € 100 heeft gedaan. Hij heeft verklaard dat hij de betaling voor de vervanging van zijn accu, waarvoor hij € 89 verschuldigd was, heeft gedaan met een briefje van € 100, en overtuigend uitgelegd dat hij zich dit zo goed herinnert omdat hij het geld kort tevoren had gehaald uit de spaarbeurs die hij er met zijn vrouw op nahoudt, waar alleen briefjes van € 100 in zitten. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij tegen de werknemer - die op dat moment geen wisselgeld had - heeft gezegd dat hij dit (afgerond € 10) als fooi moest geven aan de monteur die hem zo goed had geholpen. Dit één en ander is onverenigbaar met de verklaring van de werknemer dat hij van [getuige 1] betaald kreeg met twee briefjes van € 50, dat hij díe onmiddellijk in de portemonnee heeft gestopt, en dat hij [getuige 1] uit eigen zak € 10 wisselgeld heeft gegeven. Een reden om aan het waarheidsgehalte van de verklaring van [getuige 1] te twijfelen, heeft de kantonrechter niet. Een reden om aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de werknemer (al is hij strikt genomen geen partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv) te twijfelen, is er natuurlijk wel: zijn baan hangt van de uitkomst van de bewijsopdracht af. Bewijs dat de geloofwaardigheid van de verklaring van de werknemer ondersteunt, is er ook niet.

3.3

De vorderingen worden afgewezen, met veroordeling van de werknemer, als de in het ongelijk gestelde partij, in de aan de zijde van de werkgever gemaakt proceskosten.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt de werknemer in de proceskosten van de werkgever, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 900 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen, kantonrechter, en in het openbaar

uitgesproken op 10 april 2013.