Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4671

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
07-08-2013
Zaaknummer
C/03/169910 / S / RK 12-300
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Voor de vaststelling van de kinderalimentatie wordt uitgegaan van de basisbehoefte conform tabel, vermeerderd met opvangkosten nu de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door haar werkuren dergelijke opvangkosten moet maken. Er is geen draagkrachtvergelijking mogelijk vanwege het ontbreken van financiële gegevens van de man zodat de man veroordeeld wordt tot het betalen van de volledige kinderalimentatie. De partneralimentatie wordt afgewezen omdat de vrouw hieraan geen behoefte heeft: gedurende het huwelijk was er namelijk geen financiële verstrengeling en de vrouw zou bij het ontvangen van partneralimentatie in een financieel gunstigere positie komen dan waarin zij zich bevond gedurende het huwelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer: C/03/169910 / S RK 12-300

Beschikking van 3 juli 2013 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. R.M.H.H. Tuinstra, gevestigd te Maastricht-Airport,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.M.H. Vullings, gevestigd te Eindhoven.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 16 maart 2012;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, van de man, ingekomen op 23 oktober 2012;

  • -

    het verweerschrift op deze zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op

19 december 2012;

  • -

    de door de man bij brieven van 30 mei 2013 en 6 juni 2013 overgelegde stukken;

  • -

    de door de vrouw bij brieven van 31 mei 2013 en 5 juni 2013 overgelegde stukken.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 juni 2013. Bij die gelegenheid zijn beide partijen en hun advocaten verschenen.

2 De beoordeling

Op 1 januari 2013 is in werking getreden de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en diverse andere wetten in verband met de vermindering van het aantal arrondissementen en ressorten (Wet herziening gerechtelijke kaart).

Ingevolge artikel CII, eerste lid, van de Wet herziening gerechtelijke kaart, gaan zaken die op 31 december 2012 bij de rechtbank Maastricht aanhangig waren op 1 januari 2013 van rechtswege over naar de rechtbank Limburg. Ingevolge artikel CIVA, eerste lid, van de Wet herziening gerechtelijke kaart worden, voor zover hier van belang, verzoekschriften en andere processtukken in aanhangige of aanhangig te maken zaken, tot kennisneming waarvan op 31 december 2012 de rechtbank Maastricht bevoegd was, met ingang van

1 januari 2013 aangemerkt als processtukken in zaken tot kennisneming waarvan bevoegd is de rechtbank Limburg.

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [2009] te [huwelijksplaats].

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [2010] te [geboorteplaats].

2.3.

Echtscheiding

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient, voor zover hier van belang, een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overgelegd. Gelet op het feit dat partijen reeds twee gesprekken (met hun beider advocaten) hebben gevoerd, waarin zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over het ouderschapsplan, partijen hevig discussiëren over de invulling van de verblijfsregeling en de kinderalimentatie, en partijen in een forse ex-partnerstrijd zijn verwikkeld, stelt de rechtbank vast dat het voor de vrouw redelijkerwijs niet mogelijk is (geweest) een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zodat de rechtbank de vrouw hierna zal ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Hoofdverblijf

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn.

Nu de man zich daar niet tegen heeft verweerd, zal de rechtbank conform het verzoek van de vrouw beslissen, ook omdat niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

De man heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen, waarbij [minderjarige] – kort gezegd – eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend alsmede tijdens de vakanties en feestdagen bij hem kan verblijven.

De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd.

Uit de stukken en ter zitting is de rechtbank gebleken dat partijen in een eerder stadium afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling, maar dat deze om verschillende – over en weer betwiste – redenen niet goed van de grond zijn gekomen. De man heeft gesteld dat hij [minderjarige] thans ‘hap snap’ enkel (in de omgeving van de vrouw) in [X] ziet wanneer het de vrouw uitkomt, terwijl de vrouw hierover heeft aangevoerd dat de man dit aan zichzelf te wijten heeft omdat hij te pas en te onpas afzegt. Verder heeft de vrouw onder meer gesteld dat [minderjarige] zeer aan haar gehecht is en nauwelijks aan de man. [minderjarige] is gewend aan haar veilige en vertrouwde omgeving, aldus de vrouw. Hiertegenover heeft de man naar voren gebracht dat er wel degelijk een band tussen hem en zijn dochter bestaat en dat zij precies weet wie haar vader is. De vrouw vindt bovendien dat een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) geïndiceerd is.

De rechtbank stelt vast dat partijen in een hevige ex-partnerstrijd zijn verwikkeld. [minderjarige] zal daardoor belast raken, als zij dat niet al is, hetgeen slecht is voor haar (verdere) ontwikkeling. Het ligt dan ook op de weg van beide partijen om – in het belang van [minderjarige] – de strijdbijl onmiddellijk te begraven en (professionele deskundige) hulp te zoeken voor de invulling van hun ouderschap na de echtscheiding. De enkele mededeling van de vrouw ter zitting dat de huisarts zich zorgen maakt en er een melding zou zijn gedaan, is voor de rechtbank onvoldoende om de raad te verzoeken onderzoek te doen naar de zorgregeling. De niet onderbouwde en uitdrukkelijk door de man betwiste stelling van de vrouw dat er sprake zou zijn (geweest) van situaties van geweld evenmin. De man heeft met enige regelmaat contact met [minderjarige] en niet is gebleken dat dit contact niet goed zou verlopen. Verder betrekt de rechtbank hierbij dat er met betrekking tot [minderjarige] geen zorgsignalen zijn gesteld noch gebleken. Zoals gezegd staan partijen in hun strijd lijnrecht tegenover elkaar en het is aan hen – als ouders van [minderjarige] – om daar een einde aan te maken.

Met de vrouw is de rechtbank het eens waar zij stelt dat er frequent en kortdurend contact tussen de man en [minderjarige] kan zijn in de weekenden, op zaterdag of de zondag. Er zijn evenwel geen aantoonbare redenen naar voren gekomen die maken dat de man geen zorg- en opvoedingstaken zou kunnen verrichten tijdens een weekend met overnachting. Het is daarbij niet de bedoeling dat de man gedurende de zorgregeling telkens in de setting van (de vrouw en) [X] dient te blijven, nu de man zelf het recht heeft om die zorgregeling op enig moment naar eigen goeddunken en kijkend naar de belangen van [minderjarige] vorm te geven. Gezien het feit dat er tot nu toe enigszins onregelmatig contact tussen de man en [minderjarige] heeft plaatsgevonden, is de rechtbank – in navolging van het voorlopig oordeel van de rechter ter zitting – van mening dat dit verblijf stapsgewijs dient te worden opgebouwd, waarbij [minderjarige] als volgt bij de man kan verblijven:

- drie zaterdagen achter elkaar van 13.30 uur tot 17.30 uur (aldus op 15, 22 en 29 juni 2013),

waarbij de man naar [X] komt en derhalve haalt en brengt, en vervolgens:

  • -

    drie zaterdagen achter elkaar van 10.30 uur tot 18.30 uur (aldus op 6, 13 en 20 juli 2013), en vervolgens:

  • -

    drie weekenden achter elkaar van zaterdag 10.30 uur tot zondag 10.30 uur (aldus de weekenden van 27/28 juli 2013 alsmede 3/4 en 10/11 augustus 2013), en vervolgens:

  • -

    om de veertien dagen een weekend van zaterdag 10.30 uur tot zondag 13.00 uur,

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw terugbrengt. De rechtbank komt daarmee tegemoet aan de door de vrouw verzochte gelijkwaardige verdeling van het halen en brengen.

De rechtbank begrijpt dat voornoemde regeling in de vakantieperiode valt. Slechts wanneer één der partijen een reeds geboekte vakantie heeft ingepland, dient voornoemd schema voor de duur van die vakantie te worden onderbroken, en dient dit schema vervolgens door partijen te worden voortgezet. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het onderbreken van het schema niet in het belang is van [minderjarige].

Indien [minderjarige] de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt, acht de rechtbank het door de man verzochte volledige weekend, aldus van zaterdag 10.30 uur tot zondag 19.00 uur, haalbaar, omdat [minderjarige] dan naar school gaat en gewend is om langere periodes van huis te blijven. Het verzoek van de man zal thans in zoverre worden afgewezen.

Ten aanzien van de door de man verzochte regeling in de vakanties overweegt de rechtbank dat het voor [minderjarige], gezien haar jonge leeftijd, nog te vroeg is om een volledige week of meerdere weken naar de man te gaan. Ter compensatie van dat gemis acht de rechtbank het in dit geval wel redelijk dat [minderjarige] met ingang van oktober 2013 in deze vakantieperiodes elk weekend, conform de tijden van de weekendregeling, dan wel twee aaneengesloten doordeweekse dagen bij de man kan verblijven, hetgeen de rechtbank hierna tot uidrukking zal brengen in het dictum. Dat de feestdagen volgens de man in onderling overleg gelijkelijk verdeeld dienen te worden, lijkt niet meer dan logisch en daartegen heeft de vrouw zich ook niet (gemotiveerd) verzet.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank op het verzoek van de man inzake de zorgregeling beslissen.

2.6.

Echtelijke woning

De vrouw heeft, na wijziging ter zitting, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de daarbij behorende inboedel verzocht. De man heeft zich daartegen niet verweerd.

De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen, nu daarvoor een rechtsgrond ontbreekt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de echtelijke woning enig eigendom is van de vrouw, zodat de man – die reeds uit die woning is vertrokken en niet voornemens is om daarin terug te keren – daar geen rechten aan kan ontlenen.

2.7.

Kinderalimentatie

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 1.790,- per maand.

De man heeft – kort gezegd – de behoefte van de minderjarige bestreden en gesteld dat de vrouw ook een aandeel van die behoefte voor haar rekening kan nemen.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van het NIBUD. Partijen zijn het er in dit kader over eens dat de basisbehoefte van [minderjarige] gesteld kan worden op € 790,- per maand, gezien het feit dat het netto gezinsinkomen boven een bedrag van € 5.000,- netto per maand uitsteeg.

Een groot discussiepunt tussen partijen is de vraag of, en in hoeverre, de vrouw opvangkosten voor [minderjarige] dient te maken. In dit kader neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw ter zitting onbetwist naar voren heeft gebracht dat zij een drukke en verantwoordelijke baan heeft, waardoor zij ook regelmatig ’s avonds van huis is of in het buitenland verblijft. De opvangkosten die voor [minderjarige] als gevolg daarvan worden gemaakt, zal de rechtbank hierna becijferen.

In de eerste plaats gaat [minderjarige] drie ochtenden in de week (maandag, dinsdag en donderdag) naar de peuterspeelzaal. De vrouw heeft hierover onweersproken gesteld dat [minderjarige] gewend is om deze drie ochtenden daarheen te gaan, zodat de rechtbank de man niet zal volgen in zijn stelling dat [minderjarige] voortaan drie hele dagen dient te gaan. Gelet op het door de vrouw als productie 15 overgelegde overzicht, bedragen de kosten van de peuterspeelzaal bij drie dagdelen € 72,- per maand.

Daarnaast stelt de vrouw dat zij een oppas in de arm genomen heeft genomen tegen € 6,- per uur, hetgeen onvoldoende gemotiveerd door de man is weersproken en welk uurtarief als redelijk kan worden beschouwd. Ook heeft de man niet gemotiveerd betwist dat deze oppas [minderjarige] op maandag, dinsdag en donderdag van 08.00 uur tot 09.00 uur (voordat zij naar de peuterspeelzaal gaat) en vervolgens op die dagen van 12.00 uur tot 18.00 uur opvangt alsmede op woensdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Dit zijn in totaal 31 uur opvang per week. Ervan uitgaande dat opvang in de vakanties van de vrouw niet nodig is, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw vijf weken vakantie per jaar heeft, becijfert de rechtbank de totale kosten aan de oppas op een bedrag van € 729,- per maand.

Op de basisbehoefte brengt de rechtbank een zorgkorting van 15% in mindering, nu de man met de hierna opgenomen verblijfsregeling met die omvang reeds in natura in de behoefte van [minderjarige] voorziet, hetgeen een bedrag oplevert van € 671,- per maand. Vermeerderd met de opvangkosten is de totale behoefte van [minderjarige] dan te stellen op € 1.472,- per maand.

De man heeft niet betwist dat hij tot betaling van laatstgenoemd bedrag in staat is. Nu de man geen financiële gegevens heeft overgelegd, wordt de rechtbank niet in staat gesteld om een draagkrachtvergelijking te maken. Daardoor kan niet worden berekend hoe hoog het aandeel van de man respectievelijk de vrouw in voornoemde behoefte dient te zijn. Dit dient in casu voor rekening en risico van de man blijven, zeker gelet op het feit dat de vrouw financieel wel openheid van zaken heeft verschaft. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank de man veroordelen om de volledige behoefte van [minderjarige] voor zijn rekening te nemen, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw inzake de kinderbijdrage hierna zal toewijzen tot een bedrag van € 1.472,- per maand.

2.8.

Partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 3.483,- bruto per maand.

De man heeft – kort gezegd – gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan enige door hem te betalen partnerbijdrage.

Ter bepaling van de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw acht de rechtbank in deze zaak van belang dat de man, toen partijen nog samenleefden, doordeweeks in het buitenland verbleef en in de weekenden in de echtelijke woning, die eigendom is van de vrouw. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man in die periode op de rekening van de vrouw een bedrag overmaakte van € 1.750,- per maand. De vrouw heeft niet weersproken dat dit bedrag bedoeld was om de kosten van [minderjarige] te bestrijden en de kosten van de huishouding (de boodschappen), ook vanwege het feit dat de man in de weekenden in de echtelijke woning verbleef. Vlak na het uiteengaan van partijen is de man met ingang van

1 mei 2012 een bedrag van € 1.375,- per maand aan de vrouw gaan betalen, hetgeen hij thans nog steeds doet. De man heeft het oorspronkelijke bedrag van € 1.750,- verlaagd omdat hij zelf niet meer in de woning verbleef en heeft daardoor enkel nog betrekking op de kosten van [minderjarige]. In het licht van de uitdrukkelijke betwisting daarvan door de man heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de man (naast de bijdrage van € 1.750,- per maand en thans € 1.375,- per maand) daarnaast ook nog andere kosten van partijen betaalde. Op grond hiervan constateert de rechtbank dat partijen in financiële zin van elkaar gescheiden leefden. Van vergaande financiële verstrengeling is niet gebleken. In de omstandigheid dat voorheen en thans (met € 1.375,- per maand) alsmede in de nabije toekomst (met € 1.472,- per maand) volledig in de behoefte van [minderjarige] wordt voorzien, had/heeft de vrouw haar eigen basissalaris van ruim € 3.100,- netto per maand volledig vrij te besteden en kon/kan zij daarmee in haar eigen levensonderhoud voorzien. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het door de vrouw overgelegde behoefteplaatje van ruim € 6.000,- per maand, nu een dergelijk hoog bedrag nimmer voor de vrouw ter beschikking heeft gestaan en dus ook niet bepalend kan zijn voor de omvang van haar behoefte. Indien de man – in het licht van deze omstandigheden – na de echtscheiding partneralimentatie aan de vrouw zou betalen, zou zij immers in een financieel gunstigere positie komen dan waarin zij zich bevond gedurende het huwelijk en dat is niet waarvoor partneralimentatie bedoeld is.

Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen behoefte heeft aan een door de man ten behoeve van haar te betalen onderhoudsbijdrage. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partnerbijdrage zal dan ook worden afgewezen.

2.9.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] op [2009];

3.2.

bepaalt dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige] als volgt bij de man kan verblijven:

 drie zaterdagen achter elkaar van 10.30 uur tot 18.30 uur (aldus op 6, 13 en 20 juli 2013), en vervolgens:

 drie weekenden achter elkaar van zaterdag 10.30 uur tot zondag 10.30 uur (aldus de weekenden van 27/28 juli 2013 alsmede 3/4 en 10/11 augustus 2013), en vervolgens:

 om de veertien dagen een weekend van zaterdag 10.30 uur tot zondag 13.00 uur,

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw terugbrengt, alsmede met ingang van oktober 2013:

 gedurende de vakanties elk weekend in de betreffende vakantie van zaterdag 10.30 uur tot zondag 13.00 uur, dan wel twee aaneengesloten doordeweekse dagen,

 gedurende de helft van de feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te regelen,

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw terugbrengt;

3.4.

bepaalt dat de man € 1.472,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderbijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. van Blaricum, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 juli 2013.

JPW

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.