Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4537

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
03/703908-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van / medeplichtigheid aan moord. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen. Veroordeling voor medeplegen van het wegvoeren en wegmaken van twee lijken. Benadeelde partij niet-ontvankelijk. Geen rechtstreekse schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

parketnummer: 03/703908-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 19 maart 2012, 22 mei 2012, 14 en 17 augustus 2012, 23 en 25 oktober 2012, 15 en 21 januari 2013, 12 en 19 maart 2013, 14 mei 2013 en 3, 4, 5, 7 en 12 juni 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 3 juni 2013 nader omschreven en ter terechtzitting van 4 en 5 juni 2013 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] heeft weggemaakt om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

Feit 2: samen met (een) ander(en) met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij daaraan samen met (een) ander(en) medeplichtig is geweest;

Feit 3: samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] heeft weggemaakt om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Kort samengevat heeft de officier van justitie een scenario voorgelegd, inhoudende dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 5 augustus 2011 naar de woning van de broers van [slachtoffer 2] zijn gegaan. Ze hebben geklaagd over de manier waarop [slachtoffer 2] omging met [getuige 1], de dochter van [medeverdachte 1], en over de dreigementen die hij zou uiten aan het adres van [medeverdachte 1]. Daarbij zouden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via deze broers bedreigingen aan het adres van [slachtoffer 2] hebben geuit. De broers hebben [slachtoffer 2] diezelfde avond over dit bezoek verteld.

Naar aanleiding van dit bezoek is [slachtoffer 2] de volgende ochtend, 6 augustus 2011, naar Tudderen gegaan, naar de woning van de [familie]. Sindsdien is niets meer van hem vernomen.

Die ochtend waren [medeverdachte 1], zijn echtgenote [medeverdachte 3], hun kinderen [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 5] alsmede huisvriend [medeverdachte 2] in de woning aanwezig. Volgens de officier van justitie hebben eerst [medeverdachte 3] en daarna [medeverdachte 1] tijdens dat bezoek op [slachtoffer 2] geschoten. Uiteindelijk is [slachtoffer 2] als gevolg van dit geweld overleden. Vervolgens is het lichaam door [verdachte] en [medeverdachte 2] naar België gebracht, naar de woning van [medeverdachte 2]. Daar hebben zij het lichaam in een ton met zoutzuur opgelost en zijn de resten door het riool gespoeld.

Tijdens het onderzoek naar de vermissing van [slachtoffer 2] is tevens aan het licht gekomen dat [medeverdachte 4] in de zomer van 2009 [slachtoffer 1] heeft gedood op de binnenplaats van de woning in Tudderen. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben ook het lichaam van [slachtoffer 1] weggemaakt en opgelost in een ton met zoutzuur en ook zijn resten zijn door het riool gespoeld.

De officier van justitie acht de betrokkenheid van verdachte bij het wegmaken van de lijken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen op de door hem in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden. Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het doden van [slachtoffer 2] heeft hij vrijspraak gevorderd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Hierin heeft hij ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft hij aangevoerd dat enkel bewezen kan worden dat verdachte samen met een ander het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] in een vrieskist heeft geplaatst en heeft vervoerd naar België. Van de overige tenlastegelegde uitvoeringshandelingen dient verdachte te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1: Het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1].

Aan verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij samen met een ander het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] heeft weggemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij op een avond een telefoontje kreeg van zijn broer, [medeverdachte 4], die vroeg hoe laat hij naar huis kwam. De rest van het gezin was toen met vakantie. Toen verdachte thuis kwam en de woning betrad, zag hij op de binnenplaats een bergje plastic zakken liggen. Desgevraagd heeft zijn broer hem verteld dat [slachtoffer 1] daaronder lag. Verdachte heeft tevens de fiets van [slachtoffer 1] naast de voordeur zien staan. Vervolgens is verdachte vertrokken naar de woning van [medeverdachte 2], aan wie hij het voorval heeft verteld.

De volgende dag is [medeverdachte 2] met een vrieskist naar de woning in Tudderen gekomen, welke door hem en verdachte op de binnenplaats is gezet. Daar hebben verdachte en [medeverdachte 2] het in plastic gewikkeld lichaam in de vrieskist gedaan. Vervolgens hebben zij de vrieskist in het busje van [medeverdachte 2] gezet en zijn zij samen naar de woning van [medeverdachte 2] in Gellik (België) gereden. Daar hebben zij de vrieskist uitgeladen en in de bijruimte naast de garage gezet. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] verdachte naar huis gebracht.2

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte in de zomer van 2009 ’s nachts bij hem aan de deur stond en vertelde wat er gebeurd was. De volgende ochtend is [medeverdachte 2] naar de woning in Tudderen gegaan, waar hij een persoon op de grond zag liggen. De muren zaten vol met bloed. [medeverdachte 4] vertelde hem dan dat hij [slachtoffer 1] de keel had doorgesneden en met een pikhouweel had geslagen tot hij zeker wist dat hij dood was. De rest van het [gezin] was op dat moment met vakantie. Vervolgens is [medeverdachte 2] samen met [verdachte] naar zijn woning in België gereden om een vrieskist te halen. Daar hebben zij het lichaam in gedaan. De bedoeling was om het lichaam in de vrieskist te bewaren totdat de vader van [verdachte] en [medeverdachte 4], zijnde [medeverdachte 1], terug was van vakantie. [medeverdachte 2] en verdachte hebben de vrieskist in de auto gezet en zij zijn samen naar de [adres] te Landgraaf (in Nederland) gereden. Daar is de vrieskist in een ruimte in de garage geplaatst. Daarna heeft [medeverdachte 2] verdachte naar huis gebracht.

Nadat [medeverdachte 1] terug was van vakantie heeft hij samen met [medeverdachte 2] het lichaam van [slachtoffer 1] in een ton gedaan en daar zoutzuur en zwavelzuur bijgegooid. Later hebben zij die ton leeggepompt en nog niet opgeloste delen in tonnetjes gedaan. Daar werd opnieuw een mengsel van zuren bijgedaan. Het zuur waarin de restanten van [slachtoffer 1] waren opgelost werd naar Gellik gebracht en aldaar in het riool gegoten.3

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte, ondersteund en aangevuld door de verklaring van [medeverdachte 2], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan

het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1].

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gedachtestreepjes in de tenlastelegging die andere handelingen beschrijven dan de handelingen die verdachte volgens zijn eigen verklaring heeft verricht, namelijk het in een vrieskist plaatsen van het lichaam en het vervoeren daarvan naar België. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte ten aanzien van andere handelingen, die hij niet zelf heeft verricht, nauw en bewust met [medeverdachte 2] heeft samengewerkt, waardoor er geen sprake is van medeplegen van deze handelingen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Er is sprake van medeplegen in het geval twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen, waarbij echter niet alle delictbestanddelen door beiden vervuld hoeven te zijn. De relevante criteria in dit verband zijn de vragen of er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten en of er sprake is geweest van een gezamenlijke opzet en uitvoering. Van belang zijnde elementen voor het aannemen van bewuste en nauwe samenwerking zijn bijvoorbeeld de intensiteit van de samenwerking, een taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling en tot slot het zich al dan niet distantiëren en aanwezigheid op belangrijke momenten. Medeplegers zijn strafbaar voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht.

Vast staat dat verdachte op die bewuste dag [medeverdachte 2] heeft geholpen om het lichaam van [slachtoffer 1] in een vrieskist te plaatsen en deze in zijn auto te zetten. Vervolgens zijn zij samen in die auto naar België of Landgraaf gereden. Daar hebben zij de vrieskist met daarin het stoffelijk overschot neergezet, in afwachting van de thuiskomst van [medeverdachte 1]. Ten aanzien van de overige uitvoeringshandelingen is er onvoldoende bewijs dat verdachte deze zelf heeft verricht. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat hij hierbij geen medepleger is geweest.

De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte – door mee te helpen het lichaam van [slachtoffer 1] in de diepvries kist te stoppen en weg te brengen – zich schuldig heeft gemaakt aan het voltooide delict van het verbergen en wegvoeren van een lijk. Het moet daarbij voor verdachte duidelijk zijn geweest dat [medeverdachte 2] het lichaam van [slachtoffer 1] niet voor eeuwig in de vrieskist zou laten liggen. Het moet voor verdachte ook duidelijk zijn geweest dat het lichaam vervolgens zou moeten verdwijnen, omdat anders duidelijk zou worden dat zijn broer [medeverdachte 4] [slachtoffer 1] had vermoord. Door mee te helpen met het verbergen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] in de vrieskist en het wegvoeren

van die kist heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het lijk vervolgens op een dusdanige manier zou worden weggemaakt dat alle sporen gewist zouden worden en het lijk nooit meer teruggevonden zou worden. Voor het aanvaarden van die aanmerkelijke kans is het voor de rechtbank niet van belang op welke wijze het lijk daadwerkelijk is weggemaakt of vernietigd. Dit betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte alle uitvoeringshandelingen van feit 1 heeft (mede) gepleegd.

Feit 2: De dood van [slachtoffer 2].

[medeverdachte 2] heeft aanvankelijk verklaard dat [verdachte] erbij aanwezig was toen er in de woonkamer in de woning te Tudderen op [slachtoffer 2] werd geschoten. Later komt hij daarop terug en zegt hij dat [verdachte] tijdens het schieten boven was. Hoe dan ook, [medeverdachte 2] heeft geen enkele keer verklaard dat [verdachte] enige rol heeft gespeeld bij het doden van [slachtoffer 2]. Ook [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] spreken niet over enige betrokkenheid van [verdachte] bij het doden van [slachtoffer 2].

Wel heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat hij van zijn vriend [verdachte] gehoord heeft dat deze [slachtoffer 2] nog een keer door het hoofd geschoten zou hebben. Ook de getuige [getuige 3]heeft dat van [verdachte] gehoord, aldus deze getuige.

De rechtbank plaatst echter vraagtekens bij de betrouwbaarheid van deze twee getuigen.

Beiden verklaren dat zij niet alleen van [verdachte] informatie over de moord op [slachtoffer 2] hebben gekregen, maar tevens van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft echter niet steeds even consistent verklaard. Hij heeft vele verklaringen afgelegd, die met het verstrijken van de tijd steeds gedetailleerder werden. De gangbare wetenschappelijke verhandelingen met betrekking tot waarnemen en reproduceren door getuigen komen echter tot andere conclusies, namelijk dat men met het verstrijken van de tijd zich juist minder kan herinneren. De steeds beter wordende “herinneringen” van [medeverdachte 2] roepen daarom twijfels met betrekking tot de betrouwbaarheid daarvan op. De rechtbank heeft geen reden alle verklaringen van [medeverdachte 2] als ongeloofwaardig te betitelen, maar de rechtbank betracht zijn verklaringen wel met enige voorzichtigheid. Nu de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hun kennis klaarblijkelijk ook van [medeverdachte 2] hebben, dient de rechtbank ook de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] met de nodige voorzichtigheid te betrachten. Daar komt bij dat de rechtbank zich afvraagt of zij nog wel weten uit welke bron zij hun kennis nu precies hebben. Daarover twijfelt de rechtbank. Uit de verhoren van deze getuigen blijkt bovendien dat zij veel voor waar aannemen als het over de [familie] gaat, zonder aan te geven waarop zij dat dan baseren. Zo ontstaat bij de rechtbank toch ook het beeld van “sterke verhalen”. De kans dat zij ook een “sterk verhaal” aan de verbalisanten hebben willen vertellen is daarom zeker niet uit te sluiten. Ook dat dwingt tot grote terughoudendheid bij het gebruik van hun verklaringen. Ten slotte kan de rechtbank niet uitsluiten dat bijvoorbeeld [verdachte] zich tegenover zijn vrienden “groter” heeft willen voordoen dan hij daadwerkelijk was.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] onvoldoende zijn om tot wettig en overtuigend bewijs te kunnen komen dat [verdachte] betrokken is geweest bij het doden van [slachtoffer 2]. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Feit 3: Het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2].

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij op 6 augustus 2011 nog in bed lag toen hij beneden kabaal hoorde. Toen hij naar beneden liep, zag hij [slachtoffer 2] in de gang liggen. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer 2] op dat moment dood was. Hij heeft verklaard dat hij vervolgens samen met [medeverdachte 2] de auto van [slachtoffer 2] heeft weggezet. Toen ze terugkwamen bij de woning in Tudderen was het lichaam naar de woonkamer verplaatst. Verdachte heeft het lichaam vervolgens samen met [medeverdachte 2] naar de hal van de woning gedragen en het daar in een ton geplaatst. Deze ton hebben zij vervolgens in de bus van [medeverdachte 2] gezet en daarmee zijn ze naar Gellik (België) gereden. Daar hebben ze de ton uitgeladen en in een bijruimte van de garage gezet. Nadat zij het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] van kleding hebben ontdaan en weer terug in de ton hebben geplaatst, zijn zij zuur gaan halen. Dat hebben zij vervolgens in de ton – met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] – gegoten. Daarna heeft [medeverdachte 2] verdachte naar huis gebracht.4

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] in een hoek lag in een plas bloed. Nadat hij samen met verdachte de auto van [slachtoffer 2] had weggebracht zijn zij terug naar Tudderen gereden. Daar hebben zij samen het lichaam van [slachtoffer 2] in een ton gedaan en deze ton in zijn busje gezet. Vervolgens zijn ze met het busje naar de woning van [medeverdachte 2] te Gellik gereden. Daar is de ton uitgeladen en is er zoutzuur gehaald. Nadat het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] van kleding was ontdaan is het terug in de ton geplaatst en is er zout- en zwavelzuur bijgegoten. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat hij regelmatig in de ton ging roeren en ook zoutzuur heeft bijgeschonken. De vloeistof die uiteindelijk nog in de ton zat, heeft hij met een maatbeker overgeschept in emmers. Toen er niks meer van materie over was, heeft hij de tonnetjes in

de put naast de woning leeggemaakt.5

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte, ondersteund en aangevuld door de verklaring van [medeverdachte 2], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2].

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 26 juni 2009 tot en met 25 november 2011 in Tudderen (Selfkant) en/of in Nederland en/of in België tezamen en in vereniging met een ander een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer 1] heeft verborgen en weggevoerd en vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader:

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in een vrieskast/vrieskist heeft/hebben gestopt (teneinde het aan [medeverdachte 1] te kunnen tonen) en

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in een ton heeft/hebben gestopt en

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] heeft/hebben vervoerd naar Nederland en België en

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] te doen oplossen en vervolgens

- bij het (zich in de ton bevindende) stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] (zout)zuur heeft/hebben gegoten en vervolgens

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en vervolgens

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten;

3.

in de periode van 6 augustus 2011 tot en met 25 november 2011 in Tudderen (Selfkant) en/of in Gellik tezamen en in vereniging met een ander een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer 2] heeft verborgen en weggevoerd en vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader:

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verplaatst en vervolgens

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een ton heeft/hebben gestopt en

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verpakt in plastic en

- die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben vervoerd naar België en

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] te doen oplossen en

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een ton heeft/hebben gestopt en daarbij (zout)zuur heeft/hebben gegoten en vervolgens

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1

De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

medeplegen van een lijk verbergen, vernietigen, wegvoeren of wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

Feit 3:

medeplegen van een lijk verbergen, vernietigen, wegvoeren of wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2

De strafbaarheid van verdachte

Gz-psycholoog drs. S. Labrijn en psychiater J.L.M. Dinjens hebben onderzoek gedaan naar verdachtes geestvermogens. Zij hebben daarover op respectievelijk 26 april 2013 en 8 mei 2013 gerapporteerd en komen beide tot de conclusie dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

De rechtbank begrijpt de conclusies en zal deze overnemen. Nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid volledig uitsluit, is verdachte strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 26 maanden, met aftrek van het voorarrest.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de kleinere rol die verdachte bij het wegmaken van de stoffelijke overschotten heeft gehad en dat verdachte heeft gehandeld onder druk als gevolg van een misplaatst gevoel van loyaliteit ten opzichte van zijn familie.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het wegmaken van twee stoffelijke overschotten. Hij heeft samen met zijn mededader ([medeverdachte 2]) de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], nadat deze personen door een misdrijf om het leven waren gebracht, weggevoerd van de plaats delict. Beide lijken zijn vervolgens in een ton met zout- en zwavelzuur gestopt. Toen de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel waren opgelost zijn de overgebleven substanties via een rioleringsafvoer weggespoeld. Van geen van beide stoffelijke overschotten zijn aantoonbare resten teruggevonden. [medeverdachte 2] heeft bij het wegmaken van beide lijken een leidende en sturende rol op zich genomen. Tevens heeft hij het gros van de uitvoeringshandelingen verricht. Naar eigen zeggen heeft verdachte enkel de orders opgevolgd die hij kreeg van [medeverdachte 2]. De handelingen die verdachte heeft verricht zijn naar zijn zeggen in het geval van [slachtoffer 1] beperkt gebleven tot het in een diepvries stoppen van het lichaam en het vervoeren van het lijk. In het geval van [slachtoffer 2] heeft verdachte meer uitvoeringshandelingen verricht, namelijk het in een ton vervoeren van het lijk, het overhevelen van het lijk in een andere ton, het kopen van zoutzuur en het openen en aangeven van de kannen met zoutzuur, welk zuur vervolgens in de ton met het lijk werd gegoten.

Verdachte en zijn mededader hebben door hun handelswijze niet alleen geprobeerd de rechtsgang te belemmeren. Zij hebben ook de nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onnoemelijk leed aangedaan, niet alleen gedurende de periode

waarin de nabestaanden nog in de veronderstelling konden verkeren dat er sprake was van vermissing van beide slachtoffers, maar ook vanaf het moment dat duidelijk werd wat er daadwerkelijk met hen was gebeurd. De rechtbank rekent verdachte hierbij met name aan

de gruwelijke en mensonterende wijze waarop met de stoffelijke overschotten is omgegaan. Door de wijze waarop beide lichamen zijn weggemaakt, zijn er bovendien geen stoffelijke resten meer over en is aan de nabestaanden de mogelijkheid ontnomen om op een passende wijze afscheid te nemen van hun dierbare. Ook dat rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 mei 2013. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van de rapportages die zijn uitgebracht betreffende de persoon van verdachte.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de feiten, de wijze waarop verdachte en zijn mededader te werk zijn gegaan, de rol die verdachte daarin heeft gehad en het leed dat door deze feiten aan de nabestaanden van beide slachtoffers is toegebracht, van oordeel dat in het onderhavige geval aansluiting gezocht dient te worden bij de maximale (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf die de wetgever heeft gesteld op het onttrekken van een lijk aan nasporing. Deze maximale straf bedraagt 24 maanden. Nu verdachte dit feit twee maal heeft begaan kan het maximum op grond van de wettelijke samenloop-bepalingen met 1/3 (= acht maanden) worden verhoogd. De rechtbank kan daarom maximaal een gevangenisstraf opleggen van 32 maanden. Nu verdachte ten opzicht van zijn medeverdachte een ondergeschikte rol heeft gehad ziet de rechtbank hierin aanleiding tot matiging en zal zij volstaan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6 De benadeelde partijen

Namens drie nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer 1] is een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vorderen ieder een bedrag van € 15.000,00. Ter onderbouwing van deze vorderingen is aangevoerd dat verdachte, door het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1], inbreuk heeft gemaakt op het recht van de nabestaanden van [slachtoffer 1] om te kunnen beschikken over diens stoffelijk overschot.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat vorderingen tot schadevergoeding van slachtoffers of hun nabestaanden, wanneer deze in het kader van een strafzaak worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen die het strafprocesrecht hieraan stelt. Daarvoor moet allereerst gekeken worden naar artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierin is bepaald dat als slachtoffer wordt aangemerkt diegene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of nadeel heeft ondervonden. Ingevolge artikel 51d Sv is artikel 51a Sv van overeenkomstige toepassing op de nabestaanden van een slachtoffer. Dit betekent dat nabestaanden als benadeelde partij kunnen worden aangemerkt, maar alleen indien zij rechtstreekse schade hebben geleden.

Dit brengt de rechtbank bij de vraag wat als “rechtstreekse” schade in de zin van artikel 51a Sv kan worden beschouwd. Conform vaste jurisprudentie wordt hiermee gedoeld op schade die het gevolg is van een gedraging die valt onder het belang dat het tenlastegelegde feit beoogt te beschermen (zie in deze zin bijvoorbeeld HR 7 december 1993, NJ 1994, 244).

In de onderhavige zaak is de vordering van de nabestaanden gebaseerd op artikel 151 Wetboek van Strafrecht (Sr) – het onttrekken van een lijk aan nasporing. Het belang dat dit artikel beoogt te beschermen is de openbare orde, meer in het bijzonder het ongestoord laten van lijken, de betrouwbaarheid van de registers van de burgerlijke stand en het voorkomen van bedekking van andere misdrijven of van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op de taalkundige betekenis van deze belangen en het feit dat artikel 151 Sr is opgenomen in Titel V van Boek 2 Sr (die ziet op misdrijven tegen de openbare orde) is de rechtbank van oordeel dat het beschikkingsrecht van de nabestaanden niet valt onder het belang dat artikel 151 Sr beoogt te beschermen. De eerstgenoemde belangen betreffen immers belangen van de overheid en/of het algemeen belang van de maatschappij, terwijl het beschikkingsrecht van de nabestaanden ziet op een individueel belang dat – afhankelijk van de wijze waarop de nabestaanden dit recht willen uitoefenen – zelfs in strijd kan zijn met de belangen van de maatschappij/overheid.

De gemachtigde van de nabestaanden heeft in dit kader nog aangevoerd dat plaatsing in Titel V van Boek 2 Sr niet in de weg staat aan een schadevergoedingsrecht voor individuele personen. Hij heeft aangevoerd dat artikel 141 Sr (openlijke geweldpleging) ook in deze titel is opgenomen, terwijl individuele slachtoffers van dit feit wél als benadeelde partij worden aangemerkt.

De rechtbank merkt op dat de vergelijking die de gemachtigde maakt niet op gaat. In artikel 141 Sr wordt strafbaar gesteld het plegen van openlijk geweld tegen personen of goederen. De toevoeging “tegen personen of goederen” brengt met zich dat dit artikel niet alleen dient ter bescherming van de openbare orde, maar tevens ter bescherming van individuele belangen, zoals het recht op eigendom en het recht op lichamelijke integriteit. Bij artikel 151 Sr ontbreken soortgelijke bewoordingen, waardoor artikel 151 Sr – anders dan artikel 141 Sr – alleen ziet op algemene belangen.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van rechtstreekse schade zoals bedoeld in artikel 51d Sv zodat de benadeelde partijen niet in hun vordering kunnen worden ontvangen. Hun vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 151 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 26 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic en mr. M. Romme, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 juni 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2009 tot en met 25 november 2011 in

Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland en/of in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer 1] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in een vrieskast/vrieskist heeft/hebben gestopt en/of verstopt (teneinde het aan [medeverdachte 1] te kunnen tonen) en/of waarbij een of meerdere ledematen althans botten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] werden gebroken teneinde het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in die vrieskast/vrieskist te kunnen plaatsen en/of (vervolgens)

- vanwege een defect aan voornoemde vrieskast/vrieskist een nieuwe/andere vrieskast/vrieskist heeft/hebben gehaald en/of (vervolgens)

- het (reeds ontbindende) stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] uit de defecte vrieskast/vrieskist heeft/hebben gehaald en dat stoffelijk overschot vervolgens in

de andere vrieskast/vrieskist heeft/hebben geplaatst en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond aan [medeverdachte 1] en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in een ton heeft/hebben gestopt en/of verstopt en/of (vervolgens)

- ( die ton met daarin) het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] heeft/hebben vervoerd naar Nederland en/of België en/of (vervolgens)

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] te doen oplossen en/of (vervolgens)

- bij het (zich in de ton bevindende) stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] (zout)zuur, in elk geval een bijtende stof, heeft/hebben gegoten en/of (vervolgens)

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en/of (vervolgens)

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en/of (vervolgens)

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten althans gedeponeerd, in elk geval in enig rioleringswerk heeft/hebben laten verdwijnen;

2.

hij op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

  • -

    meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] geschoten en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toegediend en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) het/een vuurwapen van die [slachtoffer 2] afgepakt, althans hem het/een vuurwapen afhandig gemaakt en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] naar de grond gewerkt en/of tegengehouden toen hij wilde vluchten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] geschoten en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toegediend

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 augustus 2011 in Tudderen (Selfkant) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen het/een vuurwapen van die [slachtoffer 2] af te pakken, althans hem het/een vuurwapen afhandig te maken en/of door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen die [slachtoffer 2] naar de grond te werken en/of tegen te houden toen hij wilde vluchten;

3.

hij in de periode van 6 augustus 2011 tot en met 25 november 2011 in Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland en/of in Gellik, in elk geval in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer 2] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verplaatst en/of in een kist/container heeft/hebben gestopt en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een ton heeft/hebben gestopt en/of verstopt en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verpakt in plastic

en/of (vervolgens)

- die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben

vervoerd naar België en/of (vervolgens)

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] te doen oplossen en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een (andere) ton heeft/hebben gestopt en daarbij (zout)zuur, in elk geval een bijtende stof, heeft/hebben gegoten en/of (vervolgens)

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en/of (vervolgens)

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en/of (vervolgens)

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat/of alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten althans gedeponeerd, in elk geval in enig rioleringswerk heeft/hebben laten verdwijnen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling Strafrecht

parketnummer: 03/703908-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 26 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. R.A.J van Leeuwen , voorzitter,

mr. J.M.E. Kessels en S.V. Pelsser , rechters,

mr. D.W.A. van Kuppeveld , officier van justitie,

mr. K. Mahovic , griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechtbank heeft afgelopen week vernomen dat [medeverdachte 5] is aangehouden. Uiteraard heeft de rechtbank zich toen afgevraagd of dat consequenties moet hebben voor het doen van de einduitspraak.

Gisteren heeft de rechtbank een brief gekregen van de officier van justitie. Een verzoek tot heropening staat daar niet in. Wel geeft de officier van justitie de rechtbank in overweging het onderzoek te heropenen. Opmerkelijk is dat de officier van justitie bij ieder argument dat hij noemt voor heropening van het onderzoek hij er ook een noemt om dat juist niet te doen. Zo bezien zou de brief ook gelezen kunnen worden als een oproep om het onderzoek niet te heropenen.

Wat daarvan ook moge zijn, grond voor heropening van het onderzoek is de constatering in raadkamer dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest. Dat zou het geval kunnen zijn indien nieuwe feiten of omstandigheden een nieuw licht op de zaak zouden werpen. De aanhouding van [medeverdachte 5] is dat op zich niet. Een verklaring van haar die in belastende of ontlastende zin nieuwe inzichten oplevert zou dat wellicht wel zijn. Maar van zo’n verklaring is de rechtbank niets bekend.

Daarnaast moet de rechtbank natuurlijk ook waken voor de belangen van de verdachten en de benadeelde partijen die al zeer lang wachten op een einduitspraak in deze zaak.

Daarom heeft de rechtbank besloten niet tot heropening van het onderzoek over te gaan en zal zij vandaag inhoudelijk uitspraak doen.

De voorzitter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de voorzitter en de griffier.

Raadsman is mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders vermeld, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het proces-verbaal van de politie regio Limburg Zuid, divisie Regionale Recherche, Team Grootschalige Opsporing, met Onderzoeksnaam: TGO-11013, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 21411 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 21 januari 2013, verbatim uitgewerkt door politie Brabant Zuid-Oost, Studio Eindhoven, pagina’s 4 t/m 13, dat geen deel uitmaakt van de doornummering.

3 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 15 juni 2012, pagina’s 18765-18768.

4 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 21 januari 2013, verbatim uitgewerkt door politie Brabant Zuid-Oost, Studio Eindhoven, pagina’s 25 t/m 33, dat geen deel uitmaakt van de doornummering.

5 Pro Justitia verhoor van inverdenkinggestelde [medeverdachte 2] d.d. 25 november 2011, Kabinet van Onderzoeksrechter te Tongeren (België), pagina 2587-2588.