Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4535

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
03/703907-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van / medeplichtigheid aan moord. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen. Veroordeling voor medeplegen van het wegvoeren en wegmaken van twee lijken. Benadeelde partij niet-ontvankelijk. Geen rechtstreekse schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/703907-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2013

in de strafzaak tegen:

[verdachte 3],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adres verdachte].

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid – De Geerhorst te Sittard

Raadsman is mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 22 mei 2012, 14 en 17 augustus 2012, 23 en 25 oktober 2012, 15 en 21 januari 2013, 12 en 19 maart 2013, 14 mei 2013 en 4, 5, 7 en 12 juni 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 3 juni 2013 nader omschreven en ter terechtzitting van 4 en 5 juni 2013 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

Feit 2: samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] heeft weggemaakt om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

Feit 3: samen met (een) ander(en) met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij daaraan samen met (een) ander(en) medeplichtig is geweest;

Feit 4: samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] heeft weggemaakt om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

3 De voorvragen

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsman is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde handelingen met betrekking

tot het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1], voor zover die handelingen in Duitsland hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van dat deel van de handelingen is niet gebleken dat is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft betoogd dat het onder feit 2 tenlastegelegde artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) overeen komt met § 258 van het Duitse Wetboek van Strafrecht (verder StGB), zodat wel is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte in Nederland is geboren en de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank merkt voorts op dat het aan verdachte onder feit 2 verweten feit (onttrekken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] aan nasporing) volgens de tenlastelegging deels is begaan in Duitsland. Ingevolge artikel 5, lid 1, onder 2° Sr is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich schuldig heeft gemaakt

aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en dat tevens strafbaar is gesteld in het land waar dat feit is begaan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is derhalve: is het ontrekken van een lijk aan nasporing in de Duitse wet strafbaar gesteld?

Het door de officier van justitie genoemde § 258 StGB draagt als titel: “Strafvereitelung”.

In dit artikel is strafbaar gesteld de “Behinderung der Justiz”. Met andere woorden: het belemmeren van de rechtsgang. Dit verhinderen kan blijkens de toelichting op dit artikel

op allerlei manieren plaatsvinden, bijvoorbeeld door het belemmeren van het opsporingsonderzoek, of door het verbergen van een verdachte/dader. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de in Duitsland strafbaar gesteld “Strafvereitelung” qua strekking gelijk is aan het in Nederland (in artikel 151 Sr) strafbaar gestelde “ontrekken van een lijk aan nasporing”. Het belang dat artikel 151 Sr beoogt te beschermen is immers de openbare orde, en meer in het bijzonder (voor zover hier van belang) het voorkomen van het verhullen van andere misdrijven of van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze twee laatstgenoemde belangen zien immers ook op het belemmeren van de rechtsgang. Dit betekent dat is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is, ook ten aanzien van de onderdelen van de tenlastelegging die

in Duitsland hebben plaatsgevonden.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat in lid 5 van § 258 StGB niet strafbaar is gesteld degene die het feit pleegt, om zo te voorkomen dat hij zelf bestraft zal worden voor een ander, door hem zelf begaan feit. Aan verdachte wordt niet alleen verweten dat hij het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] heeft weggemaakt, maar tevens dat hij [slachtoffer 1] heeft gedood. Dit brengt met zich dat verdachte, ware hij in Duitsland berecht, zich ten aanzien van het wegmaken van het lijk mogelijkerwijs op een schulduitsluitingsgrond had kunnen beroepen. Met deze omstandigheid hoeft de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het Nederlandse strafrecht van toepassing is echter géén rekening te houden. Een schulduitsluitingsgrond ziet immers op de strafbaarheid van de dader en niet op de strafbaarheid van het feit – terwijl bij de beoordeling van dubbele strafbaarheid alleen gekeken hoeft te worden naar de strafbaarheid van het feit (zie in deze zin Noyon /Lange-meijer & Remmelink, aantekening 12 bij artikel 5 Sr).

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen op de door hem in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Hierin heeft hij zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2. Volgens hem verklaart alleen [verdachte 6] dat [verdachte 3] feitelijk betrokken is geweest bij het wegmaken van het lijk van [slachtoffer 1]. Deze verklaring mag echter niet worden gebruikt, omdat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [verdachte 6] hierover te ondervragen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de handelingen die [verdachte 3] heeft verricht zich hebben beperkt tot het afdekken van het lijk. Dit valt niet onder de reikwijdte van artikel 151 Sr. Mocht toch bewezen kunnen worden dat hij heeft meegeholpen het lijk in de vrieskist te doen, dan was dit niet met het oogmerk het lijk van [slachtoffer 1] weg te maken, maar om het te bewaren in afwachting van de thuiskomst van [verdachte 1].

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 heeft de raadsman betoogd dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zodat verdachte ook van die feiten moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1: Het doden van [slachtoffer 1].

Op 18 augustus 2009 heeft mevrouw [nabestaande 1] officieel aangifte2 gedaan van vermissing van haar zoon [slachtoffer 1] (geboren op[geboortedatum slachtoffer 1]). Uit contacten met vluchtelingenwerk is gebleken dat [slachtoffer 1] op 27 juli 2009 daar voor het laatst is gezien.3 Sindsdien is [slachtoffer 1] niet meer gezien.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 3 juni 2013 en bij de rechter-commissaris4 op 24 april 2013 verklaard dat [slachtoffer 1] in de zomervakantie in 2009 op enig moment aanbelde bij de woning van verdachte in Tüdderen (Duitsland) en naar binnen kwam. Verdachte was op dat moment alleen thuis. Zijn broer [verdachte 4] was op dat moment niet aanwezig en de rest van de familie was op vakantie in het buitenland. Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van [slachtoffer 1] boterhammen is gaan smeren en dat hij met die gesmeerde boterhammen en een mes naar buiten, naar de binnenplaats, is gelopen. Daar heeft verdachte de boterhammen op tafel gezet. [slachtoffer 1] stond op een gegeven moment achter verdachte, wilde verdachtes rug kraken en pakte zijn armen. Verdachte heeft verklaard dat hij zich toen omdraaide met het mes in zijn hand, een beweging maakte om hem weg te krijgen en [slachtoffer 1] daarbij raakte in zijn hals. Verdachte heeft verklaard dat het niet per ongeluk gebeurde. Hij draaide zich om, om te raken. [slachtoffer 1] bleef staan, maakte een rochelend geluid, liep rond en gooide nog een bakplaat richting verdachte. Verdachte heeft zichzelf toen opgesloten in het verwarmingshok dat uitzicht bood op de binnenplaats. Van daar uit heeft verdachte door het raam naar [slachtoffer 1] gekeken en gezien dat deze op een gegeven moment op de grond lag. Verdachte heeft toen even gewacht en is uit het verwarmingshok gekomen en richting [slachtoffer 1] gelopen. Opeens maakte [slachtoffer 1] een geluid. Verdachte schrok hier van en wilde dat het geluid ophield, ook omdat hij bang was dat anderen het zouden horen. Verdachte heeft vervolgens een pikhouweel gepakt, dat in buurt van het verwarmingshok stond, en meerdere keren op het lichaam van [slachtoffer 1] geslagen. Na een aantal keren is verdachte gestopt. [slachtoffer 1] maakte toen geen geluid meer. Verdachte heeft vervolgens zijn broer [verdachte 4] gebeld en gevraagd of deze naar huis wilde komen. Verdachte is in afwachting van de komst van zijn broer gaan schoonmaken. De hele binnenplaats en alles wat er stond, zat onder het bloed.

[verdachte 4] heeft verklaard dat hij, nadat hij door zijn broer was gebeld en het verzoek had gekregen thuis te komen, naar huis is gegaan. Daar zag hij naar eigen zeggen “geen normale dingen”. Hij zag dat verdachte aan het poetsen was en dat er op de binnenplaats plastic zakken lagen met iets eronder. Desgevraagd heeft verdachte verteld dat het lichaam van [slachtoffer 1] onder de plastic zakken lag. [verdachte 4] had gezien dat de fiets van [slachtoffer 1] buiten stond. [verdachte 4] is vervolgens naar [verdachte 6] gegaan. Toen hij de volgende dag terug kwam, had verdachte het lichaam ingepakt als een mummie.5

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte willens en wetens met een mes de keel van [slachtoffer 1] heeft doorgesneden en vervolgens meermalen met een pikhouweel in het lichaam heeft geslagen als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden.

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens voor gesteld ziet, is de vraag of verdachte dit al dan niet met voorbedachten rade heeft gedaan.

De officier van justitie heeft in dit verband aangevoerd dat hij, gelet op de verklaringen van vrienden van verdachte alsmede op diverse chatgesprekken en whatsapp berichten en op de door verdachte tevoren geschreven brieven over het vermoorden van iemand, van mening is dat verdachte al langere tijd het voornemen had [slachtoffer 1] te doden en dat zich op de betreffende dag de ideale gelegenheid voordeed. De voorbedachte rade kan wat de officier van justitie betreft dan ook worden bewezen.

De raadsman van verdachte heeft erop gewezen dat verdachte heeft verklaard jarenlang seksueel misbruikt te zijn door [slachtoffer 1], hetgeen genoegzaam uit het dossier naar voren komt volgens de raadsman, en dat op de betreffende dag alle opgekropte angst en spanning en boosheid hieromtrent bij verdachte naar boven kwamen. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat deze gemoedstoestand van verdachte een duidelijke contra-indicatie terzake van voorbedachte rade is, zoals bedoeld in de jurisprudentie, en dat er dus geen sprake was van moord.

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijde had om zich te beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat

dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342).

De rechtbank is van oordeel dat wat betreft het doorsnijden van de keel met het mes onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg.

In het dossier zijn aanwijzingen te vinden die er op duiden dat verdachte seksueel is misbruikt. Daarvan uitgaande is het voorstelbaar dat het onverhoeds van achteren vastgegrepen worden een plotselinge hevige gemoedsopwelling heeft veroorzaakt als gevolg waarvan verdachte heeft gehandeld. Anderzijds zijn er ook aanwijzingen die het misbruik weerspreken, althans dat dit misbruik niet de reden was voor het handelen van verdachte.

De waarheid kan de rechtbank op dit onderdeel niet meer achterhalen zodat de rechtbank uitgaat van de voor verdachte meest gunstige variant.

Voor wat betreft het meermalen met het pikhouweel in het lichaam slaan is de rechtbank echter van oordeel dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, doelbewust het pikhouweel heeft gepakt en daarmee op [slachtoffer 1] heeft ingeslagen met als enige doel hem stil en dus dood te krijgen. Hij deed dit bovendien nadat hij zich enige tijd in het verwarmingshok had opgesloten en hij het slachtoffer buiten op de grond had zien liggen. Hiermee volgt naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks uit de bewijsmiddelen dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden en dat van een hevige gemoedsopwelling geen sprake meer was. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank bij het doden van [slachtoffer 1] met kalm beraad en rustig overleg gehandeld.

Feit 2: Het wegmaken van het lijk van [slachtoffer 1].

Zoals hierboven reeds besproken was alleen [verdachte 3] aanwezig bij het doden van [slachtoffer 1]. Nadat [slachtoffer 1] dood was heeft [verdachte 3] zijn broer [verdachte 4] gebeld met de vraag naar huis te komen. Toen [verdachte 4] thuis kwam zag hij op de binnenplaats van hun woning te Tudderen het lijk van [slachtoffer 1], dat bedekt was met plastic. [verdachte 4] is toen naar [verdachte 6] gegaan, die op enig moment ook naar de woning van [verdachte 3] is gegaan. Ook [verdachte 6] heeft toen gezien dat het lijk van [slachtoffer 1] met plastic was bedekt/in plastic was gepakt. Nu er behalve [verdachte 3] niemand anders bij het doden van [slachtoffer 1] aanwezig was staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het [verdachte 3] is geweest die het lichaam van [slachtoffer 1] in plastic heeft verpakt.

Voor andere feitelijke handelingen door [verdachte 3] met betrekking tot het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig. De rechtbank stoelt dit oordeel op het navolgende.

[verdachte 6] heeft verklaard dat [verdachte 3] samen met [verdachte 4] het lichaam in een diepvries heeft gelegd. De rechtbank merkt op dat zij de verklaringen die

[verdachte 6] in de onderhavige zaak heeft afgelegd met de groots mogelijke terughoudendheid is gaan betrachten. De rechtbank doet dit, omdat [verdachte 6] weliswaar vanaf het eerste moment dat hij is aangehouden, in België, heeft verklaard,

maar uit de diverse verklaringen die hij heeft afgelegd komt naar voren dat deze met het verstrijken van de tijd op belangrijke details veranderen en dat ze bovendien steeds gedetailleerder worden. Uit de gangbare wetenschappelijke verhandelingen met betrekking tot waarnemen en reproduceren door getuigen blijkt echter dat men met het verstrijken van de tijd zich juist minder kan herinneren. Deze steeds beter wordende “herinneringen” van [verdachte 6] roepen daarom twijfels op. Dit brengt met zich dat de rechtbank de verklaring van [verdachte 6] over het handelen van [verdachte 3] alleen als bewijsmiddel wil gebruiken indien hiervoor objectief ondersteunend bewijs voorhanden is.

Dat steunbewijs zou mogelijkerwijs gevonden kunnen worden in de verklaring van [getuige 1]. Ook hij heeft immers verklaard dat [verdachte 3] het stoffelijk overschot in een diepvrieskist heeft gedaan. [getuige 1] heeft dit echter niet zelf gezien. Hij heeft dit gehoord van [getuige 8]. Ook [getuige 8] heeft dit echter niet zelf gezien. Hij zou dit weer hebben gehoord van [verdachte 4]. [verdachte 4] daarentegen verklaart nu juist dat hij en [verdachte 6] het lichaam van [slachtoffer 1] in de diepvrieskist hebben gedaan en dat [verdachte 3] daar maar gewoon bij stond.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar is om steun te kunnen bieden aan de verklaring van [verdachte 6]. Ander steunbewijs is er niet. Het dossier bevat ook verder geen bewijs voor enig ander feitelijk handelen door [verdachte 3].

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de enige feitelijke handeling die [verdachte 3] ter zake van feit 2 heeft gepleegd, het in plastic verpakken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is het inpakken van een lijk in plastic echter onvoldoende om te komen tot het voltooide delict van artikel 151 Sr.

Rest de vraag of [verdachte 3] - door het inpakken van het lijk én door zijn aanwezigheid bij het in de diepvries stoppen - als medepleger van feit 2 kan worden aangemerkt.

Voor medeplegen geldt dat er sprake dient te zijn van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op de uitvoering van het feit. Het moet gaan om de uitvoering van een gezamenlijk opgevat voornemen. Er moet voldoende bewijs zijn van een wilsgerichtheid op het tot stand komen van het feit, en die wilsgerichtheid moet ook betrekking hebben op de samenwerking met de andere dader(s). Met andere woorden: voor een bewezenverklaring van medeplegen moet bewijs voorhanden zijn waaruit blijkt dat [verdachte 3] met het in plastic pakken van het lijk en zijn aanwezigheid bij het in de vrieskist stoppen voor ogen heeft gehad dat het lijk zou worden verborgen en/of weggevoerd en/of vernietigd, dat hij ook heeft gewild dat dit zou gebeuren, en dat hij bovendien voor ogen heeft gehad dat hij met één of meer anderen dader van dit feit zou worden. In het dossier is hiervoor echter geen bewijs.

De rechtbank merkt in dit kader ten slotte nog op dat [verdachte 3] zich natuurlijk wel had kunnen distantiëren, in die zin dat hij bij het in de diepvries stoppen van het lichaam weg had kunnen gaan. Conform vaste jurisprudentie is het enkele feit dat iemand zich niet heeft gedistantieerd, terwijl hij hier wel voldoende gelegenheid voor had, echter onvoldoende om als medepleger te worden aangemerkt. Dat zou alleen kunnen indien de aanwezigheid van [verdachte 3] op de een of andere manier een bijdrage heeft geleverd aan het feit, of omdat hij in de voorfase van het feit al een bepaalde bijdrage heeft geleverd of er afspraken zijn gemaakt. Ook hiervan is echter niet gebleken. Het feit dat [verdachte 3] [slachtoffer 1] voorafgaand aan het wegmaken van diens lijk wel heeft gedood, kan niet als “bijdrage” in deze zin worden beschouwd, nu het doden van [slachtoffer 1] niet is gebeurd met het doel, of als bijdrage om zijn lijk vervolgens weg te maken. Dat het wegmaken van het lijk wel het gevolg is van dit doden doet hier niet aan af.

Het bovenstaande betekent dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden

is voor het plegen of medeplegen van feit 2. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3: Het doden van [slachtoffer 2].

Volgens de officier van justitie heeft [verdachte 3] geen rol gespeeld bij het doden van [slachtoffer 2]. De raadsman is dat standpunt eveneens toegedaan. Uiteindelijk komt de rechtbank tot een zelfde oordeel als de officier van justitie en de raadsman. Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij van [verdachte 3] gehoord zou hebben dat deze [slachtoffer 2] een of twee keer met een stroomstootwapen heeft geraakt nadat die was getroffen door kogels en op de grond was gevallen.

Bij onderzoek is er op de kamer van [verdachte 3] een stroomstootwapen aangetroffen. Op de elektroden van dat wapen is DNA van [slachtoffer 2] aangetroffen. Op de greep van het stroomstootwapen is DNA van [verdachte 3] aangetroffen.

Kortom, er is dus sprake van een belastende getuige en op grond van het gevonden DNA

van [slachtoffer 2] op de elektroden van het stroomstootwapen staat vast staat dat

dit wapen tegen hem is gebruikt. Het gebruikte stroomstootwapen is teruggevonden op de

kamer van [verdachte 3]. Zijn DNA bevindt zich op de greep ervan. Dat lijken sterke aanwijzingen tegen verdachte, maar toch zijn ze in de ogen van de rechtbank in dit geval

niet overtuigend genoeg om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Immers, de verklaring van de getuige [getuige 3] is in de ogen van de rechtbank in hoge mate onbetrouwbaar. Hij begint zijn verklaring waarin hij gedetailleerd verklaard over de rol van [verdachte 3] met de opmerking: “Ik heb eerst gezegd dat ik het niet meer weet omdat ik het mij niet goed kon herinneren en [verdachte 3] nogal vaag was over de feiten. Maar achteraf denk ik, ja het is gewoon wat [verdachte 3] mij verteld heeft”. Kortom, er is kennelijk sprake van een getuige die zich niet goed kan herinneren wat er gezegd is, een bron die vaag is en de getuige die vervolgens zelf reconstrueert wat hij gehoord heeft. Dat is voor de rechtbank onvoldoende om op te kunnen varen.

Maar ook de objectieve onderbouwing door middel van DNA is bij nadere beschouwing niet overtuigend. Het wapen is immers van [verdachte 3], dus het zou vreemd zijn als zijn DNA er niet op gevonden zou zijn. Het aantreffen van zijn DNA op de greep is daarom nog geen bewijs dat hij het wapen op 6 augustus 2011 heeft gebruikt tegen [slachtoffer 2].

Daar komt nog bij dat er behalve het DNA van [verdachte 3] ook DNA van een onbekend gebleven persoon op het stroomstootwapen is aangetroffen.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat er geen bewijs is dat [verdachte 3] het stroomstootwapen heeft gebruikt tegen [slachtoffer 2].

[verdachte 4] heeft [verdachte 3] in eerste instantie ook belast. Hij heeft namelijk verklaard dat hij onder in de woning rumoer hoorde en dat hij kort daarna [verdachte 3] langs zijn kamer zag lopen met een vuurwapen in de hand. Deze verklaring zou kunnen duiden op het gebruik van een vuurwapen door [verdachte 3]. Later heeft hij deze verklaring echter ingetrokken en verklaard dat hij bewust valselijk heeft verklaard om [verdachte 3] in een beter hulptraject te krijgen. Wat men van die verklaring ook moge denken, verder is er geen enkele getuige die een vuurwapen in de hand van [verdachte 3] plaatst zodat ook voor deze verdenking onvoldoende bewijs beschikbaar is.

Andere aanwijzingen die duiden op enige betrokkenheid van [verdachte 3] bij het doden van [slachtoffer 2] heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen zodat [verdachte 3] van dit feit zal worden vrijgesproken.

Feit 4: Het wegmaken van het lijk van [slachtoffer 2].

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft gepleegd of medegepleegd. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 26 juni 2009 tot en met 1 januari 2010 te Tudderen (Selfkant) opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 1] doorgesneden, althans met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden en heeft verdachte (meermalen) met een pikhouweel in het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Psychische overmacht

De raadsman van verdachte heeft namens deze een beroep gedaan op psychische overmacht.

De officier van justitie heeft betoogd dat hiervan geen sprake was.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht sprake dient te zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. De rechtbank is van oordeel dat er op de betreffende dag waarop verdachte het feit heeft gepleegd geen sprake was van een zodanige van buiten komende drang. Ook als de rechtbank uitgaat van het verhaal van verdachte dat hij in het verleden meermalen seksueel zou zijn misbruikt door [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat de situatie op de binnenplaats op de betreffende dag niet zodanig was dat deze situatie bij verdachte een zodanige psychische druk opleverde dat de wilsvrijheid van verdachte daardoor zodanig was aangetast dat van hem redelijkerwijs niet te vergen viel dat hij weerstand bood aan die druk. De enkele aanwezigheid van [slachtoffer 1], de mogelijk door hem gemaakte opmerking over het kraken van ruggen en het in dat verband vastpakken van verdachte, zijn hiervoor onvoldoende.

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht dan ook.

Toerekeningsvatbaarheid

Psychiater J.L.M. Dinjens heeft een psychiatrisch onderzoek uitgevoerd omtrent de persoon van verdachte. Van dat onderzoek heeft hij een rapport opgemaakt, gedateerd 29 mei 2013, welk rapport onder meer vermeldt – zakelijk weergegeven –:

(…) Er is bij betrokkene sprake van een vorm van autisme. (…) Ook ten tijde van het ten laste gelegde - indien bewezen - was hiervan sprake. (…) Het exact vaststellen van de mate van doorwerking van de stoornis in het ten laste gelegde feit (1) is zeer complex, gezien een groot aantal onbekende variabelen. Het is in onderhavige casus vanuit gedragskundig perspectief vrijwel onmogelijk stoornisspecifieke en situationele omstandigheden te isoleren. De vastgestelde stoornis van Asperger heeft echter op verschillende momenten en op verschillende manieren, steeds in samenhang met situatieve en contextgebonden factoren,

op directe en indirecte wijze doorgewerkt in het delictgedrag. (…) Onderzoeker adviseert

uw rechtscollege betrokkene ten aanzien van het ten laste gelegde feit (1) als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gezondheidspsycholoog drs. S. Labrijn heeft een psychologisch onderzoek uitgevoerd omtrent de persoon van verdachte. Van dat onderzoek heeft zij een rapport opgemaakt, gedateerd 29 mei 2013, welk rapport onder meer vermeldt – zakelijk weergegeven –:

(…) Er is sprake van een ziekelijk stoornis, te weten de stoornis van Asperger. (…) Duidelijk is dat er sprake is van doorwerking ten tijde van het tenlastegelegde van de ernstige stoornis. Geadviseerd wordt betrokkene het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen, waarbij over het kwantitatieve aspect van vermindering, vanwege de onlosmakelijke verwevenheid met de situatie, geen nadere uitspraak kan worden gedaan.

De rechtbank begrijpt, gelet op de daarvoor in de rapporten gegeven gronden, de conclusie van de deskundigen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en neemt deze conclusie over.

Conclusie

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om toepassing van artikel 77c van het wetboek van Strafrecht (Sr). Subsidiair heeft hij verzocht om bij het bepalen van de straf in aanzienlijke mate rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en met zijn jeugdige leeftijd ten tijde van het plegen van het delict.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Toepassing jeugdstrafrecht

De rechtbank wijst af het verzoek van de raadsman om toepassing van artikel 77c Sr, omdat in de rapportages met betrekking tot de persoon van verdachte onvoldoende reden is te vinden voor een dergelijke toepassing. Evenmin heeft de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting de overtuiging gekregen dat toepassing van het minderjarigenstrafrecht aangewezen zou zijn terwijl de ernst van het bewezenverklaarde feit een contra-indicatie op dit punt vormt.

De op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank overweegt op de eerste plaats dat bij moord in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 15 jaren wordt opgelegd. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven.

Verdachte heeft in de zomer van 2009 op de binnenplaats van zijn woning in Tudderen [slachtoffer 1] om het leven gebracht door hem met een mes in de hals te snijden en vervolgens, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag en nog geluid maakte, meermalen met een pikhouweel op zijn lichaam te slaan. Als reden voor zijn daad heeft verdachte aangevoerd dat [slachtoffer 1] hem jarenlang seksueel misbruikt heeft. Toen [slachtoffer 1] hem die dag op de binnenplaats vastpakte en zijn rug wilde kraken, kwam bij verdachte enorme angst en woede omhoog. Hij was bang dat “het” weer zou gebeuren. Volgens de officier van justitie komt uit het dossier een ander scenario naar voren, namelijk dat de verdachte al langere tijd het voornemen had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven en dat zich op de betreffende dag de ideale gelegenheid voordeed.

De rechtbank merkt ten aanzien van dit alles op dat het voor haar onvoldoende duidelijk is geworden wat uiteindelijk het daadwerkelijke motief van verdachte is geweest. Voor zowel de verklaring van verdachte, als het standpunt van de officier van justitie zijn immers diverse aanknopingspunten te vinden in het dossier. Maar wat daarvan ook zij, van een onmiddellijke dreiging door [slachtoffer 1], die het handelen van de verdachte zou kunnen rechtvaardigen is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Vast staat dat verdachte [slachtoffer 1] op gruwelijke wijze heeft vermoord. Door aldus te handelen heeft hij niet alleen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] maar ook de rechtsorde ernstig geschokt en grote onrust in de samenleving veroorzaakt.

De rechtbank heeft bij de strafmaat ten voordele van verdachte laten meewegen dat het delict hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het delict en het feit dat hij blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 mei 2013 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf passend en geboden is voor de duur van 13 jaren. Zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

7 De benadeelde partijen

Namens drie nabestaanden van [slachtoffer 1] is een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vorderen ieder een bedrag van € 15.000,00. Ter onderbouwing van deze vorderingen is aangevoerd dat verdachte, door het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1], inbreuk heeft gemaakt op het recht van de nabestaanden van [slachtoffer 1] om te kunnen beschikken over diens stoffelijk overschot.

Nu verdachte van het wegmaken van het lijk van [slachtoffer 1] wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2, 3 primair en subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 tenlastegelegd feit bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5

is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging

van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partijen B. [nabestaande 1], [nabestaande 2] en [nabestaande 3] in de vordering niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic en mr. M. Romme, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 juni 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2009 tot en met 1 januari 2010 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 1] doorgesneden, althans met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden en/of heeft verdachte (meermalen) met een pikhouweel, in elk geval met een soortgelijk voorwerp, in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2009 tot en met 25 november 2011 in Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland en/of in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer 1] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in plastic heeft/hebben verpakt/gewikkeld althans het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] met plastic heeft/hebben bedekt en/of vervolgens

- [verdachte 4] heeft/hebben gebeld -zakelijk weergegeven- met de mededeling dat hij naar huis moest komen en/of

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in een vrieskast/vrieskist heeft/hebben gestopt en/of verstopt (teneinde het aan [verdachte 1] te kunnen tonen) en/of waarbij een of meerdere ledematen althans botten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] werden gebroken teneinde het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in die vrieskast/vrieskist te kunnen plaatsen en/of (vervolgens)

- vanwege een defect aan voornoemde vrieskast/vrieskist een nieuwe/andere vrieskast/vrieskist heeft/hebben gehaald en/of (vervolgens)

- het (reeds ontbindende) stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] uit de defecte vrieskast/vrieskist heeft/hebben gehaald en dat stoffelijk overschot vervolgens in de andere vrieskast/vrieskist heeft/hebben geplaatst en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond aan [verdachte 1] en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] (deels) te ontleden en/of

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] in een ton heeft/hebben gestopt en/of verstopt en/of (vervolgens)

- ( die ton met daarin) het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] heeft/hebben vervoerd naar België en/of (vervolgens)

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] te doen oplossen en/of (vervolgens)

- bij het (zich in de ton bevindende) stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] (zout)zuur, in elk geval een bijtende stof, heeft/hebben gegoten en/of (vervolgens)

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en/of (vervolgens)

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en/of (vervolgens)

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 1] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten althans gedeponeerd, in elk geval in enig rioleringswerk heeft/hebben laten verdwijnen;

3.

hij op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] geschoten en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toegediend en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) het/een vuurwapen van die [slachtoffer 2] afgepakt, althans hem het/een vuurwapen afhandig gemaakt en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] naar de grond gewerkt en/of tegengehouden toen hij wilde vluchten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[verdachte 1] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of[verdachte 2] en/of R. [verdachte 6] op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [verdachte 1] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of[verdachte 2] en/of R. [verdachte 6] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] geschoten en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toegediend,

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) het/een vuurwapen van die [slachtoffer 2] afgepakt, althans hem het/een vuurwapen afhandig gemaakt en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] naar de grond gewerkt en/of tegengehouden toen hij wilde vluchten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 augustus 2011 in Tudderen (Selfkant) opzettelijk behulpzaam is geweest door ten behoeve van het plegen van voornoemd misdrijf een vuurwapen en/of een stroomstootwapen/paralyser van zijn slaapkamer, althans vanaf de bovenverdieping, naar de benedenverdieping te brengen en/of door tijdens het plegen van voornoemd misdrijf meermalen althans eenmaal een in werking zijnd stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te houden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toe te dienen;

4.

hij in de periode van 6 augustus 2011 tot en met 25 november 2011, in Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland en/of in Gellik, in elk geval in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd,althans zich bij het leven noemende [slachtoffer 2] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of

vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verplaatst en/of in een kist/container heeft/hebben gestopt en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verpakt in plastic en/of (vervolgens)

- die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben vervoerd naar België en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] te verpakken in plastic en/of

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] te doen oplossen en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een (andere) ton heeft/hebben gestopt en daarbij (zout)zuur, in elk geval een bijtende stof, heeft/hebben gegoten en/of (vervolgens)

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en/of (vervolgens)

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en/of (vervolgens)

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten althans gedeponeerd, in elk geval in enig rioleringswerk heeft/hebben laten verdwijnen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/703907-11

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 26 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte 3],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. R.A.J. van Leeuwen , voorzitter,

mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser , rechters

mr. D.W.A. van Kuppeveld , officier van justitie,

mr. K. Mahovic , griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechtbank heeft afgelopen week vernomen dat [verdachte 5] is aangehouden. Uiteraard heeft de rechtbank zich toen afgevraagd of dat consequenties moet hebben voor het doen van de einduitspraak.

Gisteren heeft de rechtbank een brief gekregen van de officier van justitie. Een verzoek tot heropening staat daar niet in. Wel geeft de officier van justitie de rechtbank in overweging het onderzoek te heropenen. Opmerkelijk is dat de officier van justitie bij ieder argument dat hij noemt voor heropening van het onderzoek hij er ook een noemt om dat juist niet te doen. Zo bezien zou de brief ook gelezen kunnen worden als een oproep om het onderzoek niet te heropenen.

Wat daarvan ook moge zijn, grond voor heropening van het onderzoek is de constatering in raadkamer dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest. Dat zou het geval kunnen zijn indien nieuwe feiten of omstandigheden een nieuw licht op de zaak zouden werpen. De aanhouding van [verdachte 5] is dat op zich niet. Een verklaring van haar die in belastende of ontlastende zin nieuwe inzichten oplevert zou dat wellicht wel zijn. Maar van zo’n verklaring is de rechtbank niets bekend.

Daarnaast moet de rechtbank natuurlijk ook waken voor de belangen van de verdachten en de benadeelde partijen die al zeer lang wachten op een einduitspraak in deze zaak.

Daarom heeft de rechtbank besloten niet tot heropening van het onderzoek over te gaan en zal zij vandaag inhoudelijk uitspraak doen.

De voorzitter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de voorzitter en de griffier.

Raadsman: mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders vermeld, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het proces-verbaal van de politie regio Limburg Zuid, divisie Regionale Recherche, Team Grootschalige Opsporing, met Onderzoeksnaam: TGO-11013, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 21411 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Vragenlijst vermiste personen, p. 1425-1428 en Landelijk meldingsformulier vermiste persoon/onbekend lijk, p. 1429-1432.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1343.

4 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verdachte 3] bij de rechter-commissaris, d.d. 24 april 2013, verbatim uitgewerkt door politie Brabant Zuid-Oost, Studio Eindhoven, pag. 14, 16-20, 24 - 29, 32-38 en 40 dat geen deel uitmaakt van de doornummering.

5 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. verhoor 2 [verdachte 4], p. 17558-17559.