Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4534

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
03-703756-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:319, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van / medeplichtigheid aan moord. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen. Onvoldoende bewijs medeplegen van / medeplichtigheid. Onvoldoende bewijs voor het wegmaken van twee lijken en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

parketnummer: 03/703756-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte 1],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 23 en 25 oktober 2012, 15 en 21 januari 2013, 12 en 19 maart 2013, 14 mei 2013 en 3, 4, 5, 7 en 12 juni 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 3 juni 2013 nader omschreven en ter terechtzitting van 4 en 5 juni 2013 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van[slachtoffer 1] heeft weggemaakt om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

Feit 2: samen met (een) ander(en) [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

Feit 3: samen met (een) ander(en) met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij zich daaraan samen met (een) ander(en) medeplichtig heeft gemaakt;

Feit 4: samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] heeft weggemaakt om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Kort samengevat heeft de officier van justitie een scenario voorgelegd, inhoudende dat [verdachte 1] en [verdachte 6] op 5 augustus 2011 naar de woning van de broers van [slachtoffer 2] zijn gegaan. Ze hebben geklaagd over de manier waarop [slachtoffer 2] omging met [getuige 8], de dochter van [verdachte 1], en over de dreigementen die hij zou uiten aan het adres van [verdachte 1]. Daarbij zouden [verdachte 1] en [verdachte 6] via de broers ook bedreigingen tegen [slachtoffer 2] hebben geuit. De broers hebben [slachtoffer 2] diezelfde avond over dit bezoek verteld.

Naar aanleiding van dit bezoek is [slachtoffer 2] de volgende ochtend, 6 augustus 2011, naar Tudderen gegaan, naar de woning van de familie [verdachte 1]. Sindsdien is niets meer van hem vernomen.

Die ochtend waren [verdachte 1], zijn echtgenote [verdachte 2], hun kinderen [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] alsmede huisvriend [verdachte 6] in de woning aanwezig. Volgens de officier van justitie hebben eerst [verdachte 2] en daarna [verdachte 1] tijdens dat bezoek op [slachtoffer 2] geschoten. Uiteindelijk is [slachtoffer 2] als gevolg van dit geweld overleden. Vervolgens is het lichaam naar België gebracht, naar de woning van [verdachte 6]. Daar is het lichaam in een ton met zoutzuur opgelost en zijn de resten door het riool gespoeld.

Tijdens het onderzoek naar de vermissing van [slachtoffer 2] is tevens aan het licht gekomen dat [verdachte 3] in de zomer van 2009[slachtoffer 1] heeft gedood op de binnenplaats van de woning in Tudderen. Ook het lichaam van[slachtoffer 1] is opgelost in een ton met zoutzuur en ook zijn resten zijn door het riool gespoeld.

De officier van justitie acht het onder 3 primair tenlastegelegde medeplegen van moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen op de door hem in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden. Ten aanzien van de bedreiging en de betrokkenheid bij het wegmaken van de lijken van [slachtoffer 2] en[slachtoffer 1] heeft hij vrijspraak gevorderd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een pleitnota overgelegd. Hierin heeft zij een algehele vrijspraak bepleit en daarbij aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om een bijdrage van verdachte aan de tenlastegelegde feiten aan te kunnen tonen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: Het wegmaken van het stoffelijk overschot van[slachtoffer 1].

De betrokkenheid van verdachte bij het wegmaken van het stoffelijk overschot van[slachtoffer 1] blijkt enkel uit de verklaringen die [verdachte 6] daarover heeft afgelegd.

De rechtbank realiseert zich dat het voor derden gemakkelijk is om de conclusie te trekken dat [verdachte 1] - die uit het dossier naar voren komt als een echte “pater familias” die voor de familie alles regelt wat geregeld moet worden - er dus bij betrokken is geweest. Maar dat is een overtuiging en geen bewijsmiddel. De enkele verklaring van [verdachte 6] is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling te komen voor het medeplegen van het wegmaken van het stoffelijk overschot van[slachtoffer 1]. Zij spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

Feit 2: De bedreiging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging moet worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat dat [verdachte 1] en [verdachte 6] op 5 augustus 2011 bij de woning van de broers van [slachtoffer 2] aan de deur zijn geweest. Of zij dit op “opzettelijk dreigende” wijze hebben gedaan, zoals in de tenlastelegging staat, blijkt echter niet uit het dossier, zodat verdachte van dit onderdeel van feit 2 van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Evenmin blijkt uit het dossier dat zij tegenover de broers de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen hebben gebruikt. Zowel [verdachte 1] als [verdachte 6] erkennen dat er is gesproken over het gedrag van [slachtoffer 2], over vrienden van [verdachte 1] en over ene [S.], maar zij ontkennen dat dit is geschied op de wijze en in de bewoordingen die in de tenlastelegging staan. Ook uit de verklaringen van de broers van [slachtoffer 2] valt op te maken dat er over deze zaken is gesproken. Er is echter niet vast te stellen met welke bewoordingen dit nu precies is gebeurd. Zo verklaart [getuige 6] bijvoorbeeld over hetgeen met betrekking tot “[S.]” en het vuurwapen is gezegd dat [verdachte 1] vroeg of hij [S.] kende, die met een Porsche reed. En dat hij maar eens moest rondvragen wie dat was. [getuige 6] verklaart echter tevens dat hij niet meer precies weet hoe dit werd gezegd, maar uit de woorden van [verdachte 1] begreep hij dat [S.] vaak een pistool bij zich had en dat [S.] problemen voor hem zou oplossen. [getuige 7] verklaart dat hij zich niet het hele gesprek kan herinneren. Hij weet wel nog dat er werd gesproken over iemand met een Porsche. Daar werd ook een naam bij genoemd, maar welke naam dat was weet hij niet meer.

Nu niet is vast te stellen dat [verdachte 1] en/of [verdachte 6] zich hebben uitgelaten met de woorden die in de tenlastelegging staan vermeld zal verdachte ook van dit onderdeel van feit 2 van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Feit 3: De dood van [slachtoffer 2]

Enkele algemene bevindingen van de rechtbank met betrekking tot de betrouwbaarheid van diverse verklaringen.

De officier van justitie grondt zijn conclusie dat verdachte betrokken is bij het doden van [slachtoffer 2] nagenoeg geheel op getuigenbewijs. Bij de betrouwbaarheid van (delen van) dat getuigenbewijs, en de keuze die de officier van justitie daaruit heeft gemaakt ter onderbouwing van die conclusies, zijn door de verdediging vele vraagtekens geplaatst. Alvorens in de zaak van verdachte concreet te bespreken of hetgeen hem verweten wordt bewezen kan worden wil de rechtbank in meer algemene zin stil staan bij de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen.

De verklaringen van [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 6]

Op grond van de diverse beschikbare verklaringen kan vastgesteld worden dat bij het doden van [slachtoffer 2] in ieder geval drie personen aanwezig waren, te weten [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 6]. Deze personen hebben immers zelf verklaard daarbij aanwezig te zijn geweest. In eerste instantie lijkt het dan ook voor de hand te liggen om voor een reconstructie van het gebeuren rondom de dood van [slachtoffer 2] bij hen “te raden” te gaan. Bij de beoordeling wat zij daarover hebben verklaard stuit de rechtbank echter op een aantal probleempunten.

[verdachte 1] en [verdachte 2] hebben heel lang gezwegen over hun rol. Ze hebben pas een verklaring afgelegd toen het overgrote deel van de andere verklaringen al beschikbaar was. Dat heeft hen dus de mogelijkheid gegeven hun verklaringen op het overige bewijs af te stemmen. Alleen dat al maakt dat de rechtbank met meer dan gebruikelijke reserve naar hun verklaringen kijkt.

Maar er is meer. In hun beider verklaringen zitten belangrijke elementen die bij geen andere getuige terugkomen.

Zo zegt [verdachte 1] bijvoorbeeld dat hij in de woonkamer in het bijzijn van [verdachte 6] en [verdachte 2] door [slachtoffer 2] werd bedreigd met een schroevendraaier voordat [verdachte 2] ging schieten. Zowel [verdachte 6] als [verdachte 2] hebben hierover echter niet verklaard, wat, gezien het ontlastende karakter van die handeling, toch vreemd is als het daadwerkelijk zou hebben plaatsgevonden. Ook op andere onderdelen is zijn verklaring wezenlijk afwijkend van de andere twee.

[verdachte 2] heeft verklaard dat zij in de keuken hoorde dat [slachtoffer 2] dreigde [verdachte 1] door het hoofd te schieten en daarbij zei: “zal ik het je bewijzen, zal ik het je bewijzen!”. Dat was voor haar de aanleiding om naar de woonkamer te rennen, het wapen

te pakken, en te gaan schieten. Maar [verdachte 6] en [verdachte 1] hebben over dit dreigement niets verklaard, wat opnieuw zeer vreemd is, gelet op het ontlastende karakter ervan. Ook haar verklaring is op nog meer onderdelen afwijkend.

[verdachte 6] heeft vanaf het eerste moment dat hij is aangehouden in België verklaard. Dat komt zijn geloofwaardigheid ten goede. Maar zijn verklaring ontwikkelt zich met het verstrijken van de tijd en het voortgaan van de verhoren op zodanige wijze dat de rechtbank zijn verklaringen, eveneens, met de nodige terughoudendheid is gaan betrachten. Een aantal voorbeelden om dit inzichtelijk te maken:

- Op 25 november 2011 om 07:30 uur wordt [verdachte 6] voor het eerst gehoord in België. Hij spreekt dan over één schutter en er is niet op het hoofd geschoten. Aan het eind van die verklaring denkt hij dat er toch een tweede schutter is geweest.

- Tijdens het tweede verhoor die dag is hij zeker van de tweede schutter en is er een genadeschot in het hoofd gegeven.

- Op 9 januari 2012 legt [verdachte 6] een verklaring af bij de onderzoeksrechter in Tongeren. Volgens [verdachte 6] voelde hij zich tijdens dit verhoor uitstekend en sprak hij ook de volledige waarheid. Er was een tweede schutter, maar hij weet niet wie dat was. Hij heeft alleen [verdachte 2] zien schieten.

- Op 7 maart 2012 vindt het tweede verhoor van [verdachte 6] in Nederland plaats.

Hij verklaart dan voor de eerste keer dat [verdachte 1] de doorgang voor [slachtoffer 2] zou hebben versperd zodat deze niet kon vluchten. Hij en [slachtoffer 2] zijn samen naar de gang gelopen en daar zijn ze samen ten val gekomen. Over het genadeschot weet hij dan enkel te vertellen dat hij “dat dempergeluid hoorde en toen lag [slachtoffer 2] stil”.

- Op 4 maart 2013 verklaart [verdachte 6] dat hij en [slachtoffer 2] al in de woonkamer zijn gevallen. Met betrekking tot het genadeschot weet [verdachte 6] nu: “Het wapen werd op een halve meter van het hoofd van [slachtoffer 2] gehouden en een mannenhand had het wapen vast. Die was zeer beslist. Direct na het schot was [slachtoffer 2] stil”.

Deze voorbeelden – en bij de bespreking van de feiten zullen er nog meer aan de orde komen – maken duidelijk dat de verklaringen van [verdachte 6] met het verstrijken van de tijd - en met name ook nog na 9 januari 2012 toen hij naar eigen zeggen een volledige verklaring zou hebben afgelegd - op belangrijke details veranderen en dat ze bovendien steeds gedetailleerder worden. De gangbare wetenschappelijke verhandelingen met betrekking tot waarnemen en reproduceren door getuigen komen echter tot andere conclusies, namelijk dat men met het verstrijken van de tijd zich juist minder kan herinneren. De steeds beter wordende “herinneringen” van [verdachte 6] roepen daarom twijfels met betrekking tot de betrouwbaarheid daarvan op.

Niet in de laatste plaats wordt de geloofwaardigheid van de verklaringen van [verdachte 6] in de ogen van de rechtbank ernstig aangetast door zijn bewering, inhoudende

dat hij bij het hoofd van [slachtoffer 2] zit en hij op een halve meter van diens hoofd een hand met een wapen ziet waarmee het genadeschot wordt gegeven, terwijl hij niet gezien zou hebben wie dan de schutter is. Het is al moeilijk voorstelbaar dat hij vóór het afvuren van het schot niet ziet van wie die hand is, maar dat hij ook na het schot niet gekeken zou hebben wie er dan geschoten heeft is voor de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Ten slotte geeft [verdachte 6] op meerdere momenten aan dat hij er door [verdachte 1] “ingeluisd” is. Hierin zit volgens de rechtbank het mogelijke risico dat [verdachte 6]

in het bijzonder [verdachte 1] ten onrechte wil belasten.

De verklaringen van [verdachte 4] en [verdachte 3]

Beiden ontkennen aanwezig te zijn geweest bij het doden van [slachtoffer 2]. Wel waren ze ten tijde van het plegen van het misdrijf in de woning aanwezig en waren zij, aldus hun eigen verklaringen, direct daarna in de hal waar het lijk van [slachtoffer 2] lag.

Tegenover vrienden en/of kennissen zouden beiden hebben verklaard wel een rol gespeeld te hebben bij het doden van [slachtoffer 2]. Maar [verdachte 6], [verdachte 1] en [verdachte 2] verklaren echter uitdrukkelijk niet over een rol van [verdachte 4] en [verdachte 3] bij het doden van [slachtoffer 2]. De rechtbank plaatst bovendien (zie hierna) vraagtekens bij de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen van deze vrienden en/of kennissen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat [verdachte 4] en [verdachte 3] zelf bij het doden van [slachtoffer 2] aanwezig zijn geweest.

Wat [verdachte 4] en [verdachte 3] verklaren over het doden van [slachtoffer 2] verklaren zij dus niet uit eigen wetenschap, maar op grond van hetgeen [verdachte 6], [verdachte 1] en [verdachte 2] hen daarover hebben verteld. Omdat beiden meteen na het feit aanwezig waren acht de rechtbank de kans dat zij de echte toedracht hebben gehoord zeer aannemelijk. Maar het blijft voor de rechtbank zaak goed op te letten of [verdachte 6], [verdachte 1] en [verdachte 2] daadwerkelijk de bron zijn van hun wetenschap of dat zij die informatie wellicht van anderen hebben gekregen.

Tussenconclusie

Het vorenstaande betekent dat de verklaringen van de bovengenoemde getuigen (tevens medeverdachten) met veel omzichtigheid moeten worden gebruikt. Er zitten onderdelen

in die de rechtbank niet waar acht of waarvan de herkomst toch aanleiding geeft tot behoedzaamheid. Anderzijds is zeker niet alles wat zij verklaren onwaar. Zo verklaren bijvoorbeeld [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 6] dat [verdachte 2] is begonnen met schieten en dat zij minstens twee keer meerdere schoten heeft afgevuurd. [verdachte 4] en [verdachte 3] verklaren ook dat [verdachte 2] geschoten heeft. Zo ontstaat een overtuigend beeld dat dit deel in ieder geval waar is. Delen van hun verklaringen zijn dan ook zeker voor het bewijs te gebruiken.

Maar het feit dat de verklaringen op onderdelen ongeloofwaardig zijn maakt wel dat de rechtbank uiterst behoedzaam te werk moet gaan als zij bepaalde onderdelen van hun verklaringen voor het bewijs gebruikt. De rechtbank is zich bewust van het risico dat zij

de verklaringen die steun bieden aan de hypothese die zij het meest aannemelijk acht voor waar aanneemt en onwelgevallige verklaringen als een onwaarheid ter zijde schuift.

Om dit risico te pareren acht de rechtbank het daarom noodzakelijk een veiligheidsmarge te hanteren in die zin dat het bewijs dat een bepaald feit zich daadwerkelijk heeft voorgedaan niet alleen, of althans niet in overwegende mate kan worden gegrond op een verklaring van een van de hiervoor genoemde personen. Steeds moet steun voor de te gebruiken verklaringen gevonden worden in ander bewijs.

De verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]

[getuige 1] is een vriend van [verdachte 4] en een bekende van [verdachte 6]. Ook [getuige 2] kent [verdachte 4] en [verdachte 6].

Beiden verklaren dat zij informatie over het delict van [verdachte 6] hebben gekregen. Nu de rechtbank deze bron zeker niet op alle onderdelen geloofwaardig acht moeten hun verklaringen om die reden al met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd.

Ook zouden zij informatie van [verdachte 4] hebben gekregen. De vraag waarvoor de rechtbank zich in dat verband geplaatst ziet is of de getuigen nog wel weten of ze iets van [verdachte 6], van [verdachte 4] of van iemand anders hebben gehoord. Daarover twijfelt de rechtbank, nu uit de verhoren bij de rechter-commissaris naar voren is gekomen dat niet zeker is of bepaalde informatie daadwerkelijk afkomstig is van [verdachte 4].

Daarbij komt dat uit de verhoren van deze getuigen blijkt dat zij veel voor waar aannemen als het over de familie [verdachte 1] gaat, zonder aan te geven waarop zij dat dan baseren. Zo ontstaat bij de rechtbank toch ook het beeld van “sterke verhalen”. De kans dat zij ook een “sterk verhaal” zouden hebben willen vertellen aan de verbalisanten is daarom zeker niet uit te sluiten. Ook dat dwingt tot grote terughoudendheid bij het gebruik van hun verklaringen.

Tenslotte kan de rechtbank, zoals hiervoor al werd overwogen, niet uitsluiten dat bijvoorbeeld [verdachte 4] zich tegenover zijn vrienden “groter” heeft willen voordoen dan hij daadwerkelijk was.

[getuige 3] is een vriend van [verdachte 3]. Hij begint een verklaring waarin hij gedetailleerd verklaart over de rol van [verdachte 3] met de opmerkingen: “Ik heb eerst gezegd dat ik het niet meer weet omdat ik het mij niet goed kon herinneren en [verdachte 3] nogal vaag was over de feiten. Maar achteraf denk ik, ja het is gewoon wat [verdachte 3] mij verteld heeft”. Kortom, er is kennelijk sprake van een getuige die zich niet goed kan herinneren wat er gezegd is, een bron die vaag is en de getuige die vervolgens zelf reconstrueert wat hij gehoord heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het ideale recept voor een onbetrouwbare getuigenverklaring.

De verklaringen van de “undercover agent”

In het kader van de opsporing is gebruik gemaakt van een undercover agent. Deze heeft gesproken met [verdachte 4] en [getuige 1].

Zoals hiervoor uiteengezet werd is [getuige 1] voor de rechtbank een onvoldoende betrouwbare getuige. Daaruit volgt dat ook de verklaringen die de undercover agent uit

zijn mond heeft opgetekend niet voor gebruik als bewijsmiddel in aanmerking komen.

In het verhaal dat [verdachte 4] aan de undercover agent heeft verteld zitten een groot aantal elementen waarvan vast staat dat deze niet waar zijn. De rechtbank kan dus vaststellen dat [verdachte 4] er geen probleem mee had deze man onjuiste informatie toe te spelen. Dat maakt echter ook dat het waarheidsgehalte van andere elementen, die de rechtbank niet kan controleren, op z’n minst ook twijfelachtig is.

Nu bovendien [verdachte 4] heeft verklaard dat hij deze man meteen al erg vreemd en opdringerig vond, en hij hem daarom maar wat verteld heeft, acht de rechtbank ook de bevindingen van deze undercover agent niet geschikt om te gebruiken voor het bewijs.

Tussenconclusie

Het bovenstaande betekent dat de rechtbank zodanig veel twijfels heeft met betrekking tot de vraag of datgene wat [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en de undercover agent hebben verkaard wel daadwerkelijk is gebeurd, dat de rechtbank deze verklaringen in het geheel niet zal gebruiken voor het bewijs.

Met inachtname van de hiervoor gemaakte opmerkingen betreffende de bovengenoemde getuigenverklaringen zal de rechtbank overgaan tot het beantwoorden van de diverse vragen die aan haar voorliggen.

De betrokkenheid van [verdachte 1] bij het doden van [slachtoffer 2]

De officier van justitie ziet [verdachte 1] als de persoon die [slachtoffer 2] heeft tegengehouden toen deze wilde vluchten, vervolgens meerdere malen op hem heeft geschoten en tenslotte een schot op het hoofd heeft afgevuurd. De rechtbank zal hierna bespreken of een of meer van deze verwijten bewezen kunnen worden.

Het tegenhouden van [slachtoffer 2]

[verdachte 6] heeft verklaard dat, nadat [verdachte 2] was gaan schieten en [slachtoffer 2] probeerde weg te komen, [verdachte 1] hem zou hebben tegengehouden zodat hij de kamer niet kon verlaten. Punt van aandacht in het kader van de betrouwbaarheid van dit onderdeel van zijn verklaring is echter dat [verdachte 6] dat pas na meerdere verhoren is gaan verklaren.

In de verhoren in België, waaronder het door hem zelf als zeer betrouwbaar betitelde verhoor op 9 januari 2012 bij de onderzoeksrechter te Tongeren, noemt hij het tegenhouden van [slachtoffer 2] door [verdachte 1] niet.

Pas op 7 maart 2012, tijdens het tweede verhoor in Nederland zegt hij: “Ik meen dat [verdachte 1]

de doorgang heeft versperd zodat we niet naar buiten konden”. Dan is het dus nog geen zekerheid bij de getuige maar een veronderstelling. En het gaat om één keer tegenhouden. Op 4 maart 2013 weet hij het vervolgens zeker, [verdachte 1] heeft [slachtoffer 2] tegengehouden halverwege de woonkamer, waarbij [slachtoffer 2] en [verdachte 6] ten val kwamen. Maar [verdachte 6] weet nu ook dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] daarna nog een keer heeft tegengehouden, namelijk bij de deur naar de hal.

Zoals al eerder gezegd, dit met het verstrijken van de tijd steeds gedetailleerder worden van de verklaringen komt de geloofwaardigheid niet ten goede. De vraag is derhalve of deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.

[verdachte 6] heeft over het gebeuren met [slachtoffer 2] gesproken met zijn vrouw, [getuige 4]. De rechtbank kan zich voorstellen dat [verdachte 6] in het geheel niet aan zijn vrouw zou willen vertellen wat hij heeft meegemaakt. Maar nu hij ervoor heeft gekozen om het verhaal wel te vertellen kan de rechtbank zich niet voorstellen waarom [verdachte 6] haar niet het hele verhaal zou hebben verteld. [getuige 4] heeft echter niet gehoord dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] heeft tegengehouden, althans daar heeft zij niet over verklaard.

Ook [getuige 5], een goede vriend van [verdachte 6], heeft het verhaal over [slachtoffer 2] van [verdachte 6] gehoord. Hiervoor geldt volgens de rechtbank hetzelfde als voor [getuige 4]. Het is goed voorstelbaar dat [verdachte 6] hem niets zou hebben verteld. Nu hij hem het verhaal wél heeft verteld is het moeilijk voor te stellen dat hij niet heeft verteld dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] heeft vastgehouden als dit daadwerkelijk is gebeurd. Ook [getuige 5] heeft echter niet gehoord dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] heeft tegengehouden.

[verdachte 3] daarentegen heeft wel verklaard over vasthouden en dat dit gebeurd zou zijn omdat [slachtoffer 2] zou willen vluchten. Hij zegt te hebben gehoord dat [verdachte 1] en [verdachte 6] [slachtoffer 2] hebben vastgehouden. Hij zegt dat hij dat van zijn moeder heeft gehoord, “maar eigenlijk ook niet”. Hij heeft het een agent door de telefoon horen zeggen toen hij op het politiebureau was. Hoe komt [verdachte 3] nu aan deze wetenschap? Dat wordt er niet duidelijker op.

Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag wat er nou eigenlijk is gebeurd. Dat de reden voor het vasthouden het verhinderen van het vluchten van [slachtoffer 2] zou zijn geweest heeft hij namelijk niet gehoord, dat is zijn eigen conclusie.

[verdachte 1] en [verdachte 2] ten slotte verklaren over worstelingen tussen [verdachte 1]

en [verdachte 6] enerzijds en [slachtoffer 2] anderzijds. Deze worstelingen vinden volgens hen echter plaats in het kader van een gevecht om het wapen dat [verdachte 2] zou zijn kwijtgeraakt. Hierin (steun)bewijs lezen voor het tegenhouden van [slachtoffer 2] zou naar het oordeel van de rechtbank neerkomen op het de-natureren van deze getuigenverklaringen.

Andere verklaringen die steun bieden aan het verwijt dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] heeft tegengehouden heeft de rechtbank in het dossier niet aangetroffen.

Dat maakt dat de rechtbank wel beschikt over een aantal verklaringen die er op duiden dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] heeft tegengehouden maar de rechtbank heeft zodanige twijfels bij het waarheidsgehalte van deze verklaringen dat zij op grond daarvan niet tot de overtuiging is gekomen dat [verdachte 1] [slachtoffer 2] daadwerkelijk heeft tegengehouden.

De door [verdachte 1] afgevuurde schoten op het lichaam en het hoofd.

[verdachte 6] heeft verklaard over een tweede schutter. Hij wijst bovendien [verdachte 1] aan als die schutter. Het zou dan gaan om een aantal schoten op het lichaam en een schot op het hoofd. De rechtbank heeft hiervoor al het nodige gezegd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte 6]. Hoe zit dat specifiek met betrekking tot dit onderdeel van de gebeurtenissen?

Zoals al gezegd komt [verdachte 6] aan het einde van zijn eerste verhoor in België met de mogelijkheid van een tweede schutter. Die heeft het genadeschot gegeven. Bij het tweede verhoor is er dan de zekerheid van een tweede schutter, die het genadeschot heeft gegeven. Wie dit is weet [verdachte 6] echter niet.

In het verhoor waarin [verdachte 6] naar eigen zeggen de waarheid heeft gesproken - bij de onderzoeksrechter in Tongeren - is er een tweede schutter die het genadeschot heeft gegeven. Wie dat is weet hij niet.

Deze situatie blijft zo een aantal verhoren tot er weer een verandering komt op 8 maart 2012 tijdens het vierde verhoor in Nederland. Dan verklaart hij dat hij denkt dat de tweede schutter [verdachte 1] is, want die heeft op zijn arm een grote brandwond gekregen als gevolg van contact met de demper die op het pistool zit. Deze brandwond wordt door niemand in het dossier bevestigd en de rechtbank heeft ter zitting geen sporen van een brandwond waargenomen.

Pas in een van de daarop volgende verhoren verklaart [verdachte 6] voor het eerst dat [verdachte 1], nadat hij het wapen had gekregen van [verdachte 2], meerdere keren heeft geschoten op de borst van [slachtoffer 2]. Er komt nu dus een schietmoment bij. Tot dat moment was van schieten door [verdachte 1] op de borst van [slachtoffer 2] nog in het geheel geen sprake geweest.

In zijn laatste verhoren geeft [verdachte 6] aan dat hij de schutter van het genadeschot niet gezien heeft, maar dat het wel [verdachte 1] moet zijn vanwege de positie waar iedereen stond en het feit dat het om een mannenhand ging die op resolute wijze het wapen vast had. In het kader van de geloofwaardigheid heeft de rechtbank er al op gewezen dat [verdachte 6] in eerdere verklaringen van dit moment niet meer wist dan: “dat dempergeluid (…) en toen lag [slachtoffer 2] stil” en dat de rechtbank zich niet kan voorstellen dat hij in die situatie niet heeft gezien wie dat wapen dan vast had.

De hiervoor genoemde vraagtekens bij de verklaring van [verdachte 6] hebben de rechtbank er weer toe gebracht te kijken naar steunbewijs in andere verklaringen.

Van de personen die hebben verklaard bij het schieten op [slachtoffer 2] in de woning aanwezig te zijn geweest heeft [verdachte 1] zelf ontkend geschoten te hebben. [verdachte 2] heeft verklaard dat zij als enige heeft geschoten gedurende de tijd dat zij in de woning aanwezig is geweest. [verdachte 4] ontkent dat hij gehoord zou hebben dat iemand anders dan zijn moeder geschoten heeft. [verdachte 3] gelooft dat zijn moeder alle schoten gelost heeft. Hij verklaart evenmin dat iemand anders geschoten heeft.

[getuige 4], de vrouw van [verdachte 6], en [getuige 5], een goede vriend, hebben het verhaal van hem gehoord. Hiervoor heeft de rechtbank al opgemerkt dat deze mensen het verhaal over het tegenhouden van [slachtoffer 2] door [verdachte 1] niet hebben gehoord. Zij hebben beiden echter ook geen wetenschap van een andere schutter dan [verdachte 2].

Zoals al overwogen, de rechtbank vindt het ongeloofwaardig dat [verdachte 6] aan deze mensen die hem na staan wel het verhaal van zijn betrokkenheid zou vertellen, waarbij hij ook [verdachte 2] belast, maar niet het hele verhaal inclusief de betrokkenheid van [verdachte 1]. Het feit dat zij er niet van weten is voor de rechtbank dan ook een sterke contra indicatie voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [verdachte 6] op dit onderdeel.

Andere verklaringen waaruit steun blijkt voor de verklaring van [verdachte 6] zijn er niet.

De manier waarop de belastende verklaring van [verdachte 6] door de tijd tot stand is gekomen in combinatie met het feit dat er geen steunbewijs voor te vinden is in een andere meer betrouwbare bron maakt dat de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig acht om de overtuiging te bekomen dat er daadwerkelijk een tweede schutter is geweest, laat staan dat die persoon [verdachte 1] zou zijn geweest.

Betrokkenheid op een andere wijze

Nu de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [verdachte 1] op de een of andere manier fysiek betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 2] heeft zij zich nog de vraag gesteld of dan bewijs voorhanden is voor een andere vorm van betrokkenheid die wel zou leiden tot medeplegen. Bijvoorbeeld in de vorm van organisator.

[verdachte 1] heeft de dag voor de dood van [slachtoffer 2] bij diens broers op de stoep gestaan om de spanningen rondom zijn dochter te bespreken. Daar is [slachtoffer 2] zeer boos over geworden. Bij [verdachte 2] is die nacht een SMS van [slachtoffer 2] binnengekomen, inhoudende “dat zij daarvoor zouden boeten”.

Als [slachtoffer 2] de volgende ochtend bij de woning van [verdachte 1] arriveert en binnengelaten wordt blijkt er een geladen en zelfs doorgeladen pistool, voorzien van een geluiddemper, grijpklaar onder de bank te liggen. Aan de gedachte dat dit pistool daar wel eens neergelegd zou kunnen zijn in afwachting van de komst van [slachtoffer 2] heeft ook de rechtbank zich niet kunnen onttrekken.

Ook het feit dat na afloop alle aanwezigen gaan opruimen terwijl er geen verbazing en/of ontzetting lijkt te bestaan over wat er zojuist is gebeurd doet een plan vermoeden.

Maar bewijzen dat er sprake is van een vooropgezet plan heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen, laat staan dat vastgesteld zou kunnen worden dat [verdachte 1] de bedenker van dit plan zou zijn.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank geen bewijs aanwezig acht voor de betrokkenheid van [verdachte 1] bij de dood van [slachtoffer 2] zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 4: Het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2].

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling te komen voor het medeplegen van het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2]. Zij spreekt verdachte dan ook vrij van het onder feit 4 tenlastegelegde.

4 De benadeelde partijen

Namens drie nabestaanden van[slachtoffer 1] is een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vorderen ieder een bedrag van € 15.000,00. Ter onderbouwing van deze vorderingen is aangevoerd dat verdachte, door het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1], inbreuk heeft gemaakt op het recht van de nabestaanden van [slachtoffer 1] om te kunnen beschikken over diens stoffelijk overschot.

Nu verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

5 Het beslag

Onder verdachte zijn vijf personenauto’s (nr. 1 t/m 5) en een vrieskist (nr. 6) in beslag genomen.

De officier van justitie heeft gevorderd deze voorwerpen te bewaren ten behoeve van de rechthebbenden.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven vrieskist (nr. 6) van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met het algemeen belang. Deze vrieskist is immers gebruikt om het lichaam van[slachtoffer 1] in te vervoeren. De rechtbank zal de vrieskist dan ook onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven auto’s (nrs. 1, 2, 3, 4 en 5), nu het belang van strafvordering zich hiertegen niet meer verzet.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2, 3 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden;

Beslag

  • -

    verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen vrieskist van het merk Nestle Motta (nr. 6);

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen personenauto’s (nrs. 1, 2, 3, 4 en 5):

1. Personenauto [kenteken 1]

DAIMLER DODGE Avenger, kleur: zwart;

2 Personenauto [kenteken 2]

GRAND CHEROKEE Jeep, kleur: grijs;

3 Personenauto [kenteken 3]

FORD MUSTANG, kleur: rood;

4 Personenauto [kenteken 4]

FORD FOCUS, kleur: grijs;

5 Personenauto [kenteken 5]

JEEP COMMANDER, kleur: zwart;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [nabestaande 1], [nabestaande 2] en [nabestaande 3] in de vordering niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic en mr. M. Romme, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 juni 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2009 tot en met 25 november 2011 in Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland en/of in elk geval in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd[slachtoffer 1] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- het stoffelijk overschot van die[slachtoffer 1] in een ton heeft/hebben gestopt en/of verstopt en/of (vervolgens)

- ( die ton met daarin) het stoffelijk overschot van die[slachtoffer 1] heeft/hebben vervoerd naar Nederland en/of België en/of (vervolgens)

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die[slachtoffer 1] te doen oplossen en/of (vervolgens)

- bij het (zich in de ton bevindende) stoffelijk overschot van die[slachtoffer 1] (zout)zuur, in elk geval een bijtende stof, heeft/hebben gegoten en/of (vervolgens)

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die[slachtoffer 1] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en/of (vervolgens)

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en/of (vervolgens)

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat alle resten van het stoffelijk overschot van die[slachtoffer 1] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten althans gedeponeerd, in elk geval in enig rioleringswerk heeft/hebben laten verdwijnen;

2.

hij op of omstreeks 05 augustus 2011 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend zich begeven naar de woning van de broers van die [slachtoffer 2] met als doel dat de broers met die [slachtoffer 2] zouden spreken en/of aldaar tegen een of meerdere personen, te weten [getuige 6] en/of [getuige 7]

gezegd dat die [slachtoffer 2] hem, verdachte en/of zijn mededader, niet langer moest

bedreigen en zich rustig moest houden en/of dat de vrienden en/of zakenpartner(s) van verdachte en/of zijn mededader dit gedrag van [slachtoffer 2] helemaal niet leuk vonden en/of dat hij, verdachte en/of zijn mededader mensen kende(n) die problemen konden

oplossen, waarbij de naam van ene "[S.]" werd genoemd die altijd “zo’n ding” (daarbij doelend op een vuurwapen) bij zich zou hebben, terwijl de inhoud van voornoemde bedreigende uitlatingen diezelfde avond door voornoemde broers werd gedeeld met die [slachtoffer 2];

3.

hij op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

  • -

    meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] geschoten en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toegediend en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) het/een vuurwapen van die [slachtoffer 2] afgepakt, althans hem het/een vuurwapen afhandig gemaakt en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] naar de grond gewerkt en/of tegengehouden toen hij wilde vluchten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij leven noemende) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] geschoten en/of

- heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en aldus die [slachtoffer 2] meerdere althans één stroomsto(o)t(en) toegediend

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 augustus 2011 in Tudderen (Selfkant) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen het/een vuurwapen van die [slachtoffer 2] af te pakken, althans hem het/een vuurwapen afhandig te maken en/of door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen die [slachtoffer 2] naar de grond te werken en/of tegen te houden toen hij wilde vluchten;

4.

hij in de periode van 6 augustus 2011 tot en met 25 november 2011 in Tudderen (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland en/of in Gellik, in elk geval in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer 2] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of vernietigd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verplaatst en/of in een kist/container heeft/hebben gestopt en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een ton heeft/hebben gestopt en/of verstopt en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben verpakt in plastic

en/of (vervolgens)

- die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] heeft/hebben vervoerd naar België en/of (vervolgens)

- chemicaliën heeft/hebben gekocht teneinde deze te gebruiken om het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] te doen oplossen en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] in een (andere) ton heeft/hebben gestopt en daarbij (zout)zuur, in elk geval een bijtende stof, heeft/hebben gegoten en/of (vervolgens)

- regelmatig in die ton met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] en het (zout)zuur heeft/hebben geroerd en/of (vervolgens)

- na een bepaalde periode de inhoud van deze ton (met maatbekers en/of emmers) heeft/hebben verdeeld over kleinere emmers en/of tonnen en/of (vervolgens)

- de inhoud van deze kleinere emmers en/of tonnen (na te hebben vastgesteld dat/of alle resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer 2] volledig waren opgelost) in een riool althans een afvoerput heeft/hebben gegoten althans gedeponeerd, in elk geval in enig rioleringswerk heeft/hebben laten verdwijnen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/703756-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 26 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte 1],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adres]

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. R.A.J. van Leeuwen , voorzitter,

mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser , rechters,

mr. D.W.A. van Kuppeveld , officier van justitie,

mr. K. Mahovic , griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechtbank heeft afgelopen week vernomen dat [verdachte 5] is aangehouden. Uiteraard heeft de rechtbank zich toen afgevraagd of dat consequenties moet hebben voor het doen van de einduitspraak.

Gisteren heeft de rechtbank een brief gekregen van de officier van justitie. Een verzoek tot heropening staat daar niet in. Wel geeft de officier van justitie de rechtbank in overweging het onderzoek te heropenen. Opmerkelijk is dat de officier van justitie bij ieder argument dat hij noemt voor heropening van het onderzoek hij er ook een noemt om dat juist niet te doen. Zo bezien zou de brief ook gelezen kunnen worden als een oproep om het onderzoek niet te heropenen.

Wat daarvan ook moge zijn, grond voor heropening van het onderzoek is de constatering in raadkamer dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest. Dat zou het geval kunnen zijn indien nieuwe feiten of omstandigheden een nieuw licht op de zaak zouden werpen. De aanhouding van [verdachte 5] is dat op zich niet. Een verklaring van haar die in belastende of ontlastende zin nieuwe inzichten oplevert zou dat wellicht wel zijn. Maar van zo’n verklaring is de rechtbank niets bekend.

Daarnaast moet de rechtbank natuurlijk ook waken voor de belangen van de verdachten en de benadeelde partijen die al zeer lang wachten op een einduitspraak in deze zaak.

Daarom heeft de rechtbank besloten niet tot heropening van het onderzoek over te gaan en zal zij vandaag inhoudelijk uitspraak doen.

De voorzitter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de voorzitter en de griffier.

Raadsvrouwe is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.