Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4232

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
15-07-2013
Zaaknummer
C/03/180634 / KG ZA 13-197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Registratie door een verzekeraar van twee verzekerden in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister van Aegon, het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars, en de melding van een dergelijke registratie aan de werkgever (een assurantiekantoor) aan een van de verzekerden onrechtmatig geoordeeld.

Melding aan de werkgever van een van verzekerden van die registratie is op zich, wegens het diffamerende en buitenproportionele karakter en het ontbreken van een wettelijke basis daarvoor, reeds onrechtmatig.

De registratie van beide verzekerden is eveneens onrechtmatig geoordeeld, omdat zij voorafgaand aan deze registratie niet zijn gehoord over de verdenkingen die volgens de verzekeraar jegens hen waren gerezen. De verzekeraar heeft voorts volgens de voorzieningenrechter onzorgvuldig en weinig profes­sioneel gehandeld en zich insinuerend uitgelaten in haar communicatie met verzekerden, terwijl een onderzoeksrapport, dat in opdracht van de verzekeraar is gemaakt en waarop de verzekeraar haar verdenking van verzekeringsfraude mede baseert, ernstige gebreken vertoont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2013/71
RAV 2013/98
JONDR 2013/1117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/180634 / KG ZA 13-197

Vonnis in kort geding van 13 juni 2013

in de zaak van

1 [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2 [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. R.J. Ruiter te Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem;

tegen:

naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C. Blanken te ’s-Gravenhage.

1 Het verloop van de procedure

Eisers, hierna afzonderlijk te noemen: “[Eiser 1]” en “[Eiser 2]”, hebben gedaagde, hierna te noemen: “Aegon Schadeverzekering”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 30 mei 2013, hebben [Eiser 1] en [Eiser 2] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader hebben doen toelichten.

Aegon Schadeverzekering heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

[Eiser 1] en [Eiser 2] zijn eigenaren van een woning aan [adres]. Ten behoeve van deze woning en de inboedel daarvan heeft [Eiser 1] op zijn naam - door tussenkomst van de gevolmachtigde VBJ Assuradeuren - een tweetal verzekeringen afgesloten bij Aegon Schadeverzekering.

2.2.

In de periode van 23 december 2011 tot en met 9 juni 2012 heeft [Eiser 1] bij VBJ Assuradeuren een viertal schades gemeld. De eerste schade betrof schroeischade aan een tafel. De geclaimde schade, ten bedrage van € 398,-, is door Aegon Schadeverzekering erkend en zou worden vergoed, maar volgens [Eiser 1] en Pieters is dat nog niet gebeurd.

2.3.

De tweede schade betreft schade in verband met een poging tot inbraak, welke poging op 21 maart 2012 heeft plaatsgevonden. Dit schadevoorval is door [Eiser 1] op 22 maart 2012 bij VBJ Assuradeuren gemeld. Een door [Eiser 1] ingeschakelde leverancier van kozijnen schatte de schade op € 7.866,29. De door Aegon Schadeverzekering ingeschakelde verzekeringsexpert, [verzekeringsexpert], schatte de schade op € 3.380,-. Een daarop door [Eiser 1] als contra-expert ingeschakelde deskundige heeft [Eiser 1] bericht dat de begroting van de schade door de leverancier van kozijnen veel te hoog was en dat de deskundige het eens was met het oordeel van voornoemde [verzekeringsexpert]. Het voormelde, begrote schadebedrag van € 3.380,- is door Aegon Schadeverzekering uitgekeerd aan [Eiser 1].

2.4.

Het derde schadevoorval betreft waterschade als gevolg van een lekkage in de badkamer van de woning van [Eiser 1] en [Eiser 2]. Deze schade is door [Eiser 1] op 13 april 2012 ontdekt. [Eiser 1] constateerde aan de buitenkant van het plastic voorstuk van een douchebak schimmel. Na het verwijderen van het plastic voorstuk kwam volgens hem nog meer schimmel aan het licht. Vervolgens heeft [Eiser 1], naar hij stelt, de douchebak gedemonteerd om te zien hoe ernstig de schimmelvorming was. Volgens [Eiser 1] zijn bij de montage spontaan tegels van de muur losgekomen. Om zeker te zijn van de ernst, heeft [Eiser 1] vervolgens een bedrijf ingeschakeld om de situatie te komen bekijken. [inspecteur] van het door [Eiser 1] ingeschakelde bedrijf constateerde volgens [Eiser 1] dat de schade als gevolg van schimmelwerking zo ernstig was, dat hij adviseerde om de verzekering te informeren, waarop [Eiser 1] op 16 april 2012 de schade heeft gemeld bij VBJ Assuradeuren. Aegon Schadeverzekering heeft daarop de schade door hogergenoemde [verzekeringsexpert] laten onderzoeken, welk onderzoek op 18 april 2012 heeft plaatsgevonden. Uiteindelijk concludeerde deze dat het door de verzekering gedekte deel van de schade € 1.017,69 bedraagt. Aegon Schadeverzekering heeft de schade eenzijdig op dat bedrag gewaardeerd.

2.5.

Het laatste schadegeval betreft schade als gevolg van een inbraak, die volgens [Eiser 1] op 7 juni 2012 heeft plaatsgevonden. [Eiser 2] heeft dit schadevoorval de dag daarna gemeld bij Aegon Schadeverzekering. Op een schadeformulier heeft [Eiser 2] de waarde van de gestolen goederen begroot op € 7.000,-. Ook deze schade is opgenomen en beoordeeld door meergenoemde [verzekeringsexpert].

2.6.

Aegon Schadeverzekering heeft op enig moment bureau I-Tek ingeschakeld om een nader onderzoek in te stellen naar de inbraakschade. In verband daarmee is een zekere [inspecteur 2] op 20 augustus 2012 bij [Eiser 1] langs geweest. Deze heeft met [Eiser 1] gesproken over de inbraak en de eerdere poging tot inbraak en over de goederen die uit de woning zouden zijn ontvreemd.[inspecteur 2] heeft ook andere onderzoeksactiviteiten ontplooid. Onder andere heeft hij met personen gesproken wier verklaring volgens [Eiser 1] (mogelijk) relevant kon zijn.

2.7.

In een schrijven gericht aan [Eiser 1] van 28 december 2012 heeft Aegon Schadeverzekering gesteld dat het recht van [Eiser 1] op een schade-uitkering volledig is komen te vervallen, omdat [Eiser 1] zou hebben gehandeld met de opzet om Aegon Schadeverzekering te misleiden.

2.8.

Aegon Schadeverzekering schrijft in deze brief onder andere – zakelijk weergegeven – dat [Eiser 1] binnen een half jaar tijd opvallend veel schades heeft geclaimd en dat [Eiser 1] erop had aangedrongen de achterdeur, die bij het eerste schadevoorval was beschadigd, te vervangen, ondanks dat de expert [verzekeringsexpert] van mening was dat deze deur kon worden gerepareerd. Voorts verwijt Aegon Schadeverzekering [Eiser 1] dat zijn partner, [Eiser 2], vanuit haar functie bij een assurantiekantoor, een contra-expert had ingeschakeld, en dat de verzekeringspenningen uitgekeerd voor de vergoeding van de schade aan de deur niet zijn gebruikt voor de reparatie daarvan, maar voor de renovatie van de badkamer.

2.9.

Ook stelt Aegon Schadeverzekering in dit schrijven dat de schade als gevolg van de lekkage in de woning van [Eiser 1] is opgehoogd tot een bedrag van € 8.000,- en dat ook ter zake deze schade door [Eiser 1] een contra-expert is ingeschakeld.

2.10.

Ter zake de inbraak van 7 juni 2012 verwijt Aegon Schadeverzekering [Eiser 1] op veel punten betreffende de gestolen goederen niet de waarheid te hebben gesproken. Aegon Schadeverzekering stelt veel contradicties in het verhaal van [Eiser 1] te constateren en verwijt [Eiser 1] dat al diens acties er op gericht waren om zoveel mogelijk verzekeringspenningen te innen.

2.11.

Volgens Aegon Schadeverzekering geldt dit zowel voor de afhandeling van de schade aan de achterdeur, de lekkage in de badkamer als voor de laatste inbraak in de woning. Aegon Schadeverzekering stelt dat [Eiser 1] daarbij geen enkel middel schuwt. Uit de correspondentie met [verzekeringsexpert] volgt volgens Aegon Schadeverzekering dat [Eiser 1] koste wat het kost uit is op een hogere schadevergoeding, terwijl het [Eiser 1] volgens haar al lang bekend was dat de schade in de badkamer te wijten was aan lekkende kit- en voegnaden. Aegon Schadeverzekering voegt daaraan toe dat zij van een “medewerkster” van een tussenpersoon integer gedrag verwachten bij een schadeafhandeling.

2.12.

Aegon Schadeverzekering stelt dat [Eiser 1] haar niet volledig en naar waarheid heeft geïnformeerd, met het doel haar te misleiden en haar te bewegen een hogere schadevergoeding uit te keren.

2.13.

Ten slotte deelt Aegon Schadeverzekering [Eiser 1] in het schrijven mee dat door de onrechtmatige handelingen van [Eiser 1] door haar kosten zijn gemaakt om de ware toedracht tot het ontstaan van de schade vast te stellen, welke zij vergoed wenst te zien. Pas na betaling van die kosten is Aegon Schadeverzekering bereid om de door [verzekeringsexpert] op € 1.017,69 begrote schade aan de badkamer te vergoeden. [Eiser 1] en [Eiser 2] zijn volgens dat schrijven beiden geregistreerd in het Incidentenregister. Aegon Schadeverzekering sluit de brief af met de mededeling dat zij als verzekeraar verplicht is om bij registraties van medewerkers van tussenpersonen de AFM daarvan op de hoogte te stellen en dat ook de werkgever van Pieters op de hoogte zal worden gesteld.

2.14.

[Eiser 1] en [Eiser 2] zijn vervolgens geregistreerd in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister van Aegon Schadeverzekering en het Extern verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS. Ook werd het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte gesteld.

2.15.

Bij schrijven van 3 januari 2013 van hun rechtsbijstandverzekeraar hebben [Eiser 1] en [Eiser 2] bezwaar gemaakt tegen de bedoelde registraties en tegen de melding aan de werkgever van [Eiser 2] van de registratie van [Eiser 2].

2.16.

VBJ Assuradeuren heeft bij schrijven van 14 januari 2013 de lopende verzekeringen van [Eiser 1] en [Eiser 2] gesloten met Aegon Schadeverzekering per 1 februari 2013 opgezegd, omdat volgens haar tijdens meerdere schade-evenementen was komen vast te staan dat door hem opzettelijk was gehandeld om Aegon Schadeverzekering en haar te misleiden.

2.17.

Aegon Schadeverzekering heeft bij schrijven van 22 januari 2013 de werkgever van [Eiser 2] aangeschreven met de mededeling dat [Eiser 2] in de hogergemelde frauderegisters is ingeschreven en dat melding is gedaan bij de AFM, waarbij door Aegon Schadeverzekering als reden is aangegeven dat [Eiser 2] haar partner, [Eiser 1], had bijgestaan bij diverse schademeldingen waarbij volgens Aegon Schadeverzekering sprake was bovenmatigheid in opgave van de geleden schade. Bovendien is de werkgever van [Eiser 2] verzocht er op toe te zien dat [Eiser 2] op geen enkele wijze nog betrokken zou zijn bij klanten, producten en productie van Aegon Schadeverzekering.

2.18.

[Eiser 1] en [Eiser 2] betwisten dat er sprake is van opzettelijke misleiding. Zij verwijten Aegon Schadeverzekering dat deze zich ter onderbouwing daarvan beroept op schade-evenementen die zij heeft erkend en waarvoor zij een vergoeding heeft toegezegd en ten dele ook uitgekeerd. De volgens Aegon Schadeverzekering “opvallendheden”, in de eerste drie schadegevallen waren voor haar geen aanleiding om, na een onderzoek, deze niet te erkennen en te vergoeden, aldus [Eiser 1] en [Eiser 2]. Aegon Schadeverzekering betwist in verband met het vierde schadegeval alleen de waarde van enkele geclaimde goederen. Volgens [Eiser 1] en [Eiser 2] beroept Aegon Schadeverzekering zich daartoe op een rapport van haar expert [verzekeringsexpert] en diens onderzoeken. Ondanks dat zij daarom hebben gevraagd, hebben zij die stukken nimmer gezien. Daarnaast stellen zij ook nooit vooraf, dan wel tijdig achteraf, kennis hebben kunnen nemen van het onderzoeksrapport van I-Tek.

2.19.

Ten aanzien van [Eiser 2] stelt wordt gesteld dat de over haar verkregen informatie betreffende haar werk(gever) door Aegon Schadeverzekering gebruikt is om diezelfde werkgever te informeren, hetgeen in strijd is met het doel waarvoor de informatie werd verkregen.

2.20.

Op grond van het vorenstaande volgt dat de inschrijving in de door Aegon Schadeverzekering genoemde registers in strijd is met wet- en regelgeving en dus onrechtmatig is, aldus [Eiser 1] en [Eiser 2]. Ook de melding bij AFM, en de mededeling daarvan aan [Eiser 2]’ werkgever, is volgens hen onrechtmatig.

2.21.

[Eiser 1] en [Eiser 2] vorderen op grond van het vorenstaande dat – naar de voorzieningenrechter de dagvaarding verbeterd leest – de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover de wet toelaat, uitvoerbaar bij voorraad en bij wege van onmiddellijke voorziening:

  1. primair: Aegon Schadeverzekering veroordeelt en gebiedt om binnen een week na betekening van dit vonnis overgaat tot verwijdering van de persoonsgegevens van [Eiser 1] en [Eiser 2] in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister van Aegon, het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars, dan wel dat Aegon Schadeverzekering medewerking verleent die harerzijds noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens in de registers, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering daarmee in gebreke blijft;

  2. subsidiair: Aegon Schadeverzekering veroordeelt en gebiedt om binnen een week na betekening van dit vonnis over te gaan tot vermindering van de looptijd tot een termijn van drie maanden, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, vanaf het moment van plaatsing van de persoonsgegevens van [Eiser 1] en [Eiser 2] in het Incidentenregister c.a., dan wel dat Aegon Schadeverzekering haar medewerking verleent die harerzijds noodzakelijk is ter vermindering van de looptijd van de bedoelde persoonsgegevens in de registers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering in gebreke blijft;

4. Aegon Schadeverzekering veroordeelt en gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis [Eiser 2]’[werkgever] tegen deugdelijk bewijs van ontvangst te informeren dat er ten aanzien van [Eiser 1] en [Eiser 2] vooralsnog geen aanleiding is van enige melding in een intern of extern incidentenregister of bij het AFM en dat Aegon Schadeverzekering haar brief van 22 januari 2013 met het gedane verzoek van [werkgever] intrekt, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering daarmee in gebreke blijft;

5. Aegon Schadeverzekering veroordeelt en gebiedt om binnen een na betekening van die vonnis de gegevens van [Eiser 2] bij het AFM te doen verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering daarmee in gebreke blijft;

6. Aegon Schadeverzekering veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met nakosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het vonnis aan Aegon Schadeverzekering wordt betekend.

2.22.

Aegon Schadeverzekering voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Voorop moet worden gesteld dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een vordering tot uitkering van schadepenningen, maar om de vraag of de registratie door toedoen van Aegon Schadeverzekering van [Eiser 1] en [Eiser 2] in diverse registers en de mededeling van Aegon Schadeverzekering inzake [Eiser 2] aan de AFM en aan de werkgever van [Eiser 2] van haar registratie bij AFM (on)rechtmatig is.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat er een gerechtvaardigd belang kan bestaan om registraties als de onderhavige te doen. Het aanhouden van de bedoelde registers en het daarin (doen) registeren van verzekeringnemers/verzekerden is in zijn algemeenheid en op zichzelf bezien dan ook niet onrechtmatig, hetgeen door [Eiser 1] en [Eiser 2] ook wordt erkend.

3.3.

In verband met de registratie van [Eiser 1] en [Eiser 2] in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister van Aegon Schadeverzekering, het Extern verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS en het informeren van het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars overweegt de voorzieningenrechter dat dergelijke registraties c.a. vanwege de (mogelijke) consequenties daarvan voor de verzekeringnemers, niet dan na een zorgvuldig onderzoek dienen te geschieden. Een registratie kan immers tot gevolg hebben dat een verzekeringnemer belangrijke zaken niet, dan wel alleen tegen een zeer hoge premie kan verzekeren. De registratie heeft daarnaast, en los van de praktische consequenties, een diffamerend karakter. Ook dit noopt tot het doen van een zorgvuldig onderzoek.

3.4.

Tot de eisen die aan een zorgvuldig onderzoek kunnen worden gesteld, behoort naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder andere dat de verzekeraar in geval van verdenking van verzekeringsfraude de verzekeringnemer/verzekerde confronteert met haar verdenking en de verzekeringnemer/verzekerde hoort en in staat stelt om de verdenking te weerleggen en zijn/haar lezing van de feiten te geven, alvorens (eventueel) tot registratie over te gaan. Immers, ook in gevallen waarin op het eerste gezicht ogenschijnlijk evident sprake lijkt van verzekeringsfraude, kan die verdenking ongegrond blijken te zijn in het licht van de lezing van de feiten die de verzekeringnemer/verzekerde geeft.

3.5.

Aegon Schadeverzekering heeft ter zitting erkend dat de normale gang van zaken inderdaad is dat een “beschuldigde” verzekeringnemer/verzekerde wordt gehoord, alvorens (eventueel) wordt overgegaan tot een registratie. In de onderhavige zaak heeft Aegon Schadeverzekering [Eiser 1] en [Eiser 2] niet in staat gesteld hun versie van de feiten te geven, en is Aegon Schadeverzekering zonder het toepassen van hoor en wederhoor overgegaan tot registratie. Ook dit is door Aegon Schadeverzekering ter zitting erkend.

3.6.

Het gebrek aan “hoor en wederhoor’ heeft in de onderhavige zaak onder meer tot gevolg gehad dat het rapport van I-Tek, waarop Aegon Schadeverzekering zich in belangrijke mate beroept, op 29 november 2012 is opgesteld en bij schrijven van 4 februari 2013 aan de rechtsbijstandverzekeraar van [Eiser 1] ter beschikking is gesteld, terwijl in de tussentijd en in ieder geval uiterlijk op 28 december 2012 (zie het schrijven van Aegon Schadeverzekering van die datum) [Eiser 1] en [Eiser 2] zijn geregistreerd op de eerder aangegeven wijze.

3.7.

Het belang van het toepassen van hoor en wederhoor wordt in de onderhavige zaak onder andere duidelijk bij beoordeling van het geschil over de (mogelijke) diefstal van een gouden ketting, die volgens [Eiser 1] en [Eiser 2] staat afgebeeld op een foto die door hen is overgelegd ten bewijze van hun stelling dat zij deze bij Aegon Schadeverzekering als gestolen opgegeven zaak inderdaad in eigendom hadden op het moment van de diefstal.

3.8.

Aegon Schadeverzekering stelt dat de melding van de diefstal van die ketting frauduleus is, nu volgens een vermelding van datum en tijdstip op die foto, de betreffende foto is gemaakt op 26 april 2007 te 4.46 uur. Omdat de desbetreffende gouden ketting, naar eigen opgave van [Eiser 1] en [Eiser 2] pas in 2008 is aangeschaft, concludeert Aegon Schadeverzekering uit de onverenigbaarheid van de beide data/jaartallen dat [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben geprobeerd te frauderen.

3.9.

[Eiser 1] en [Eiser 2] hebben ter zitting echter aangevoerd dat die ogenschijnlijke ongerijmdheid is te verklaren doordat [Eiser 1] de fabrieksinstellingen van het fototoestel waarmee de betreffende foto is genomen niet heeft aangepast nadat hij het toestel had gekocht, dan wel dat die eerder wel aangepaste instellingen niet zijn geactualiseerd bij het vervangen van batterijen van het toestel. Waarschijnlijk gaf volgens [Eiser 1] en [Eiser 2] het toestel bij aankoop daarvan al niet de goede datum en tijd aan en dus ook niet ten tijde van het nemen van de foto. [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben verder aangevoerd dat zij deze alternatieve lezing van de feiten niet eerder naar voren hebben kunnen brengen dan ter zitting, nu zij het rapport waarin de conclusie van frauduleus handelen wordt getrokken niet eerder onder ogen hebben gekregen dan in het kader van de onderhavige procedure. Dit laatste is ter zitting door Aegon Schadeverzekering erkend.

3.10.

De voorzieningenrechter acht de verklaring van [Eiser 1] en [Eiser 2] omtrent de ongerijmdheid in de data voorshands niet geheel onaannemelijk, vooral nu de foto bij daglicht is gemaakt, maar volgens het registratiesysteem van het fototoestel zou zijn gemaakt om 4.46 uur. Deze laatste constatering had aanleiding kunnen vormen om nader onderzoek te doen naar de wijze van tijdregistratie (tot en met “12” dan wel tot en met “24”) door de bedoelde camera. Dit onderzoek is achterwege gelaten, zodat niet kan worden uitgesloten dat alleen al uit het vermelde tijdstip volgt dat de alternatieve verklaring van [Eiser 1] en [Eiser 2] juist is.

3.11.

Het voorgaande is niet anders dan een voorbeeld, dat volgens de voorzieningenrechter illustreert hoezeer het van belang is om hoor en wederhoor toe te passen. Reeds de omstandigheid dat Aegon Schadeverzekering is overgegaan tot de omstreden registraties c.a. zonder dit te doen, maakt dat de omstreden handelingen van Aegon Schadeverzekering onrechtmatig zijn.

3.12.

Ook in andere opzichten roept het handelen van Aegon Schadeverzekering jegens dan wel in verband met [Eiser 1] en [Eiser 2] naar het oordeel van de voorzieningenrechter vragen op en kan zeker niet gezegd worden dat steeds zorgvuldig en professioneel is opgetreden. Dat draagt bij aan het oordeel dat het handelen van Offermans Aegon Schadeverzekering jegens [Eiser 1] en [Eiser 2] onrechtmatig moet worden geacht. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband met name naar de inhoud van de brief van Aegon Schadeverzekering van 28 december 2012, die een sterk insinuerend en op onderdelen weinig zakelijk karakter heeft.

3.13.

Bij wege voorbeeld verwijst de voorzieningenrechter naar het volgende. Dat een door [Eiser 1] en [Eiser 2] geraadpleegde leverancier van kozijnen in verband met de poging tot inbraak (het tweede schadevoorval) stelt dat er sprake is van een noodzaak om beschadigde kozijnen te vervangen en dat de door Aegon Schadeverzekering ingeschakelde expert die noodzaak betwist, en deze laatste vervolgens de schade op een veel lager bedrag begroot dan de leverancier, rechtvaardigt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet de conclusie dat [Eiser 1] en [Eiser 2] de opzet hebben gehad om Aegon Schadeverzekering te benadelen. Dat is des te meer het geval nu [Eiser 1] en [Eiser 2] vervolgens een contra-expert hebben ingeschakeld, die zich qua hoogte van de schade heeft aangesloten bij de expert van Aegon Schadeverzekering en nu [Eiser 1] en [Eiser 2] zich vervolgens - naar zij onweersproken hebben gesteld - zonder verder verzet hebben aangesloten bij de opvatting van de beide experts.

3.14.

Even insinuerend acht de voorzieningenrechter de verwijzing door Aegon Schadeverzekering naar de omstandigheid dat [Eiser 1] en [Eiser 2] de in verband met de poging tot inbraak uitgekeerde schadepenningen niet aanstonds hebben gebruikt om de schade aan de kozijnen te herstellen, maar hebben gebruikt voor de renovatie van hun badkamer. Zoals Aegon Schadeverzekering ter zitting heeft erkend bestond er voor [Eiser 1] en [Eiser 2] geen contractuele verplichting om de uitgekeerde schadepenningen te gebruiken om de schade aan de kozijnen te herstellen. Los daarvan: uit het feit dat een verzekerde nalaat om verzekerde schade meteen met de door de verzekeraar uitgekeerde gelden te herstellen kan niet worden afgeleid dat “dus” ten onrechte aanspraak is gemaakt op die uitkering; die conclusie vergt een nadere onderbouwing, die opnieuw ontbreekt.

3.15.

Ook is in dit verband niet relevant en insinuerend de opmerking van Aegon Schadeverzekering dat [Eiser 1], die zich (zoals hiervoor al bleek) niet aanstonds wilde aansluiten bij de opvatting van [verzekeringsexpert], “zelfs een contra-expert heeft ingezet.” Niet is in te zien waarom [Eiser 1] en [Eiser 2] de door hen gepretendeerde schade niet zouden mogen onderbouwen door een partijdeskundige. Zonder nadere onderbouwing, die ook hier ontbreekt, valt niet te in te zien dat het inschakelen van een deskundige door [Eiser 1] en [Eiser 2] kan worden beschouwd als een aanwijzing voor de opzet bij [Eiser 1] en [Eiser 2] om Aegon Schadeverzekering te benadelen.

3.16.

Evenmin is relevant dat de contra-expert door [Eiser 2] werd benaderd op basis van haar kennis en ervaring als medewerker van een assurantiekantoor. Niet valt in te zien waarom dergelijke medewerkers in de privésfeer eerder genoegen zouden moeten nemen met het oordeel van een expert van een verzekeraar dan verzekeringsnemers/verzekerden die niet werkzaam zijn in de verzekeringsbranche. Evenmin valt in te zien waarom de personen die werkzaam in de verzekeringsbranche geen gebruik zouden mogen maken van kennis, ervaring en contacten die zij opdoen in de werksfeer.

3.17.

Ook de wijze waarop Aegon Schadeverzekering gebruik maakt van de resultaten van het onderzoek door I-Tek roept vragen op. Dat de door [Eiser 1] naar voren gebrachte getuigen, [getuige 1] en [getuige 2], op onderdelen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over een tweetal zegelringen die [getuige 1] en [Eiser 1] ieder van [getuige 2] zou hebben gekregen, en dat [getuige 1] onjuist, althans onvoldoende precies zou hebben verklaard omtrent de verkoop van twee zegelringen die hij van [getuige 2] zou hebben ontvangen, moge zo zijn. Zonder nadere onderbouwing, die ook hier ontbreekt, kan op grond daarvan echter niet worden geoordeeld dat de inhoud van de verklaringen van de getuigen is bepaald door [Eiser 1] in diens opzet om Aegon Schadeverzekering te benadelen. De getuigen zouden ook ongeïnteresseerd of vergeetachtig kunnen zijn en zelfs een bewust onware verklaring door een getuige kan niet zonder meer worden toegerekend aan [Eiser 1] en bijdragen aan het bewijs van diens opzet.

3.18.

Ten aanzien van de vordering sub 2 overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Aegon Schadeverzekering heeft aanvankelijk gesteld dat zij als verzekeraar verplicht is om bij registraties van medewerkers van tussenpersonen de AFM daarvan op de hoogte te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Aegon Schadeverzekering daarentegen - onweersproken - gesteld dat de registratie bij de AFM verplicht is als het gaat om tussenpersonen. De registratie van [Eiser 2], die werkzaam is bij een assurantie-tussenpersoon, vindt volgens Aegon Schadeverzekering geen grondslag in de wet en is geschied “op vrijwillige basis”. Mede om haar eigen belangen veilig te stellen heeft Aegon Schadeverzekering vervolgens - evenzeer ‘vrijwillig” - de omstreden melding gedaan aan de werkgever van [Eiser 2], aldus Aegon Schadeverzekering.

3.19.

Voorafgaand aan de registratie bij de AFM en de mededeling daarvan aan de werkgever van [Eiser 2] heeft Aegon Schadeverzekering geen nader onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden laten doen. Dit betekent dat deze registratie en deze mededeling zijn gedaan op dezelfde - wankele - feitelijke basis als de hiervoor besproken registraties c.a., en dus ook zonder dat eerst hoor en wederhoor is toegepast. Dat is des te bezwaarlijker nu, zoals is vast komen te staan, de registratie bij de AFM geen deugdelijke basis kent en nu de mededeling daarvan aan de werkgever van [Eiser 2] een buitengewoon diffamerend karakter heeft en potentieel bijzonder schadelijk kan zijn voor haar arbeidsrechtelijke positie.

3.20.

Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen onder 1., 2. en 3. voor toewijzing gereed liggen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als na te melden in het dictum.

3.21.

Aegon Schadeverzekering zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Eiser 1] en [Eiser 2] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  0,00;

  • -

    griffierecht € 589,00;

  • -

    salaris advocaat € 816,00;

Totaal €  1.405,00.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

veroordeelt Aegon Schadeverzekering om binnen één week na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [Eiser 1] en [Eiser 2] in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister van Aegon, het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars, dan wel om die medewerking te verlenen die noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens in de registers, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

4.2.

veroordeelt Aegon Schadeverzekering om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis [Eiser 2]’ [werkgever] schriftelijk, en met verzending van een afschrift aan [Eiser 2], te informeren dat er ten aanzien van [Eiser 1] en [Eiser 2] vooralsnog geen aanleiding is voor enige melding in een intern of extern incidentenregister of bij de AFM en dat Aegon Schadeverzekering haar brief van 22 januari 2013 met het gedane verzoek aan [werkgever] intrekt, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

4.3.

veroordeelt Aegon Schadeverzekering om binnen één week na betekening van dit vonnis de gegevens van [Eiser 2] bij het AFM te doen verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aegon Schadeverzekering daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

4.4.

veroordeelt Aegon Schadeverzekering in de proceskosten, aan de zijde van [Eiser 1] en [Eiser 2] tot op heden begroot op € 1.405,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;

4.5.

veroordeelt Aegon Schadeverzekering in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Aegon Schadeverzekering niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

4.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.