Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4230

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-07-2013
Datum publicatie
15-07-2013
Zaaknummer
C/03/181434 / KG ZA 13-247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding van de Belastingdienst tot verstrekking van informatie omtrent vermeende geheime bankrekeningen bij de KB-Luxbank te Luxemburg, op de voet van art. 47 jo 52a lid 4 AWR.

De vordering tot het, op verbeurte van een dwangsom, verstrekken van informatie, door de voorzienin­genrechter, met een beroep op een arrest van de Hoge Raad (12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640), niet in strijd geoordeeld met het nemo tenetur-beginsel.

Daarnaast is door de voorzieningenrechter een groot aantal andere verweren verworpen, met als belangrijksten: de identificatie van gedaagde als rekeninghouder en de gestelde onaanvaardbare doorkruising van fiscaalrechtelijke procedures door de op artikel 52a lid 4 AWR gebaseerde vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2013/72
FutD 2013-1849 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/181434 / KG ZA 13-247

Vonnis in kort geding van 15 juli 2013

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINSTERIE VAN FINANCIËN,

DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST,

zetelend te Den Haag,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

verweerder in het incident,

advocaat mr. drs. W.I. Wisman te Den Haag;

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

eiseres in het incident,

advocaat mr. L.J. de Rijke te Bergen op Zoom.

1 Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen: “de Staat”, heeft gedaagde, hierna te noemen: “[gedaagde]”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 8 juli 2013, heeft de Staat gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.

[gedaagde] heeft aan de hand van een conclusie van antwoord verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties, en heeft daarbij tevens een vordering in reconventie ingesteld, alsmede een incidentele vordering.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd, waarbij de Staat heeft geantwoord in reconventie en in het incident.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

In conventie

2.1.

Op 27 oktober 2000 heeft de Belastingdienst van de Staat via de Belgische autoriteiten de beschikking gekregen over een grote hoeveelheid gegevens betreffende - volgens de Staat - in Nederland woonachtige rekeninghouders bij de KB-Luxbank in Luxemburg. Die gegevens bestaan uit fotokopieën van microfiches, afkomstig uit de interne administratie van de KB-Luxbank. De microfiches vermelden de saldi op die rekeningen per 31 januari 1994.

2.2.

Naar aanleiding van de ontvangst van deze informatie is de Staat een onderzoek gestart naar houders van bankrekeningen bij de KB-Luxbank te Luxemburg, welk onderzoek bekend is geworden onder de naam “Rekeningenproject.” De Staat heeft, naar hij heeft gesteld en volgens de Staat is bevestigd in diverse rechterlijke uitspraken betreffende dezelfde identificatieprocedure in hetzelfde project, een uitvoerige en betrouwbare identificatieprocedure uitgevoerd ter bepaling van de identiteit van de rekeninghouders.

2.3.

Uit die procedure is volgens de Staat zonder enige twijfel gebleken dat [gedaagde] op 31 januari 1994 de beschikking had over een of meer rekeningen bij de KB-Luxbank. [gedaagde] heeft tot op heden de Belastingdienst niet volledig geïnformeerd over dit buitenlandse vermogen. [gedaagde] is in 2009 en 2010 aangeschreven door de Belastingdienst met vragen over bankrekeningen. [gedaagde] is bij brief van 13 mei 2013 een laatste termijn geboden tot uiterlijk 23 mei 2013 om een verklaring en opgaaf te doen van de bankrekeningen. [gedaagde] heeft de verzochte gegevens niet verstrekt.

2.4.

De ontkenning van [gedaagde] te beschikken, dan wel te hebben beschikt, over (een) rekening(en) bij de KB-Luxbank is volgens de Staat niet geloofwaardig, gelet op de volgens de Staat gebleken betrouwbaarheid van de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie en de op basis daarvan door de Belastingdienst verrichte identificaties.

2.5.

In verband met de weigerachtigheid van [gedaagde] ten aanzien van het verstekken van informatie over de rekeningen bij de KB-Luxbank vordert de Staat op de voet van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder te noemen: AWR) dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alsnog aan haar informatieverplichtingen, voortvloeiende uit die bepaling, te voldoen.

2.6.

De Staat stelt een belang te hebben bij informatie over de saldi vanaf 31 januari 1994, om te kunnen reconstrueren wat het verloop van de rekeningen is geweest en mede gelet op het waarheidsgehalte van eerdere informatieverstrekking door belastingplichtigen.

2.7.

Op grond van het vorenstaande vordert de Staat dat de voorzieningenrechter [gedaagde] bij vonnis (beveelt om):

a. op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) [gedaagde] na 31 januari 1994 bij de KB-Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

opgave te doen van de onder a) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [gedaagde] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

een mondelinge toelichting te geven op de onder a) en b) omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn;

binnen zeven dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aan het onder a) en b) omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,--, althans ter hoogte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft;

veroordeelt in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

veroordeelt in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,--, dan wel, in het geval van betekening, € 199,--;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

2.8.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In conventie, in incident

2.9.

In incident in conventie vordert [gedaagde] dat de Staat wordt bevolen om “alle op de zaak betrekking hebbende stukken”, meer specifiek het volledige heffingsdossier en het volledige ontvangersdossier met betrekking tot [gedaagde], met inbegrip van de originele microfiches en documenten die betrekking hebben op het identificatieproces, ter griffie van de rechtbank ter inzage te leggen.

2.10.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

2.11.

[gedaagde] stelt dat de Staat onrechtmatig handelt, indien deze in een civiel kort geding informatie afdwingt, voordat in rechte in een bodemprocedure onherroepelijk is komen vast te staan dat zij de beschikking heeft (gehad) over (een) bankrekening(en) en dat is vastgesteld dat er een grondslag resteert om de informatie op te vragen.

2.12.

Voorts stelt [gedaagde] dat de Staat op grond van het bepaalde in artikel 8:42 Awb en gelet op het zogenaamde Chambaz-arrest verplicht is alle relevante stukken, waaronder het heffingsdossier, het ontvangersdossier en het identificatiedossier met handleidingen en toelichtingen in het geding te brengen.

2.13.

Daarnaast stelt [gedaagde] dat toewijzing van de vordering in conventie zal leiden tot materiële en immateriële schade bij haar. [gedaagde] begroot die schade op € 50.000,-- ter zake psychische schade en begroot de materiële schade op de integrale proceskosten, alsmede de schade die zij lijdt, heeft geleden en nog zal lijden.

2.14.

Op grond van het vorenstaande vordert [gedaagde] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, indien en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt zich te onthouden van informatieverzoeken afgedwongen via het civiele kort geding, totdat in een bodemprocedure in rechte onherroepelijk is vastgesteld dat [gedaagde] de beschikking heeft (gehad) over de bankrekening(en) en nadat eveneens onherroepelijk is vastgesteld dat er daarnaast nog een grondslag resteert om de onderhavige vordering in te stellen zoveel jaren na 1994, alsmede de Staat veroordeelt tot het in het geding brengen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, in de zin van artikel 6 van het EVRM en naar analogie van 8:42 Awb, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag na betekening van het vonnis te belopen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.15.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

In conventie

3.1.

De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van het geschil in grote lijnen de aanduiding en de volgorde van de verweren overnemen zoals [gedaagde] die hanteert.

Ontvankelijkheid van de Staat

3.2.

[gedaagde] voert, op verschillende wijzen onderbouwd, aan dat de Staat niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

3.3.

De voorzieningenrechter verwerpt het beroep dat [gedaagde] in dit verband doet op het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 1998, NJ 1998, 890. Anders dan in dit arrest gaat het er in de onderhavige zaak niet om dat de Staat via een civiele procedure, op de voet van artikel 6:162 BW, ontgane belasting of renteverlies daarover wil innen, maar om een vordering tot het verstrekken van informatie.

Onaanvaardbare doorkruising, wetsgeschiedenis artikel 52a AWR

3.4.

[gedaagde] heeft haar niet-ontvankelijkheidsverweer verder onderbouwd door erop te wijzen dat er voor de onderhavige vordering een alternatief is, te weten het ambtshalve opleggen van een aanslag, met daaraan gekoppeld een omkering van de bewijslast ten laste van [gedaagde]. [gedaagde] baseert hierop de stelling dat de onderhavige procedure een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke weg oplevert.

3.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een onaanvaardbare doorkruising geen sprake is, omdat met de beschikbare fiscaalrechtelijke procedures geen vergelijkbaar resultaat kan worden behaald. Door het ambtshalve opleggen van een aanslag, met daaraan gekoppeld een omkering van de bewijslast, kan de belastingplichtige worden bewogen om de Inspecteur te informeren. Zeker is dit niet. Verwacht mag worden dat de informatie veelal alleen zal worden verstrekt als de belastingplichtige daarvan voordeel verwacht. Op grond van het bepaalde in artikel 52a lid 4 AWR is de Inspecteur uitdrukkelijk de bevoegdheid toegekend om via de burgerlijke rechter de uit artikel 47 AWR voortvloeiende informatieverplichting van de belastingplichtige af te dwingen. Uit lid 4 van artikel 52a AWR volgt dat de mogelijkheid van het uitbrengen van een informatiebeschikking niet in de weg staat aan het instellen van een vordering als de onderhavige. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI5906).

Verkeerde procespartij

3.6.

Ook het verweer van [gedaagde] dat de Staat niet-ontvankelijk is, omdat deze in het onderhavige geval niet als procespartij kan optreden moet worden verworpen. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu de Inspecteur ressorteert onder de Staat en de Inspecteur geen eigen procesbevoegdheid heeft, slechts de Staat als partij in de onderhavige procedure kan optreden. Dat de Inspecteur in artikel 47 AWR is aangeduid als functionaris aan wie de verzochte informatie moet worden verstrekt, is niet van belang.

Artikel 1 EP bij het EVRM

3.7.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de Staat niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat door ‘het inslaan van de onderhavige civielrechtelijke route’ het ongestoorde genot van de eigendom van [gedaagde] wordt aangetast. Daarom is sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] aangevoerd dat een evidente wanverhouding bestaat tussen de op te leggen dwangsom en de vermeende materiële belastingschuld. Daarom zou in materiële zin sprake zijn van een boete.

3.8.

Dit verweer moet worden verworpen. Als in het onderhavige kort geding aan enige veroordeling een dwangsom wordt verbonden, dan gebeurt dat uitsluitend om de naleving te verzekeren van een door de voorzieningenrechter op te leggen verplichting. Juridisch gezien is [gedaagde] uiteraard gehouden om een veroordelend vonnis na te leven. Uitgaande van een uitvoerbaar bij voorraadverklaring is dat zelfs het geval als [gedaagde] hoger beroep zou instellen. Feitelijk zou [gedaagde] er niettemin voor kunnen kiezen om het vonnis niet na te leven. De financiële gevolgen van een dergelijke beslissing - zoals het verbeuren van dwangsommen - heeft zij in dat geval volledig aan zichzelf te wijten. Deze gevolgen kunnen op geen enkele wijze aan de Staat worden toegerekend. Dit is des te meer het geval nu de voorzieningenrechter, acht slaand op een (onmiddellijk hierna te bespreken) recent arrest van de Hoge Raad, aan de uit te spreken veroordeling een restrictie zal verbinden om te waarborgen dat geen inbreuk wordt gemaakt op het “zwijgrecht” van [gedaagde].

Strijd met artikel 6 EVRM

3.9.

[gedaagde] heeft betoogd dat overtreding van de norm van artikel 47 AWR wordt bedreigd met strafvervolging ex artikel 68 AWR en dat de gevorderde dwangsom leidt tot ongeoorloofde dwang door de Staat. Dit betekent volgens [gedaagde] dat de onderhavige vordering een inbreuk vormt op haar recht om te zwijgen.

3.10.

De voorzieningenrechter overweegt dat in verband met dit verweer van belang is het arrest dat de Hoge Raad op 12 juli 2013 (zaaknummer 12/01880) heeft gewezen. Dat de Hoge Raad dit arrest zou wijzen, was partijen tijdens de mondelinge behandeling op 8 juli 2013 bekend. Partijen zijn ervan op de hoogte en hebben er ook mee ingestemd dat de voorzieningenrechter acht slaat op de overwegingen en beslissingen van de Hoge Raad in het genoemde arrest. De voorzieningenrechter constateert dat hij zulks kan doen zonder dat de noodzaak bestaat om het debat tussen partijen te heropenen, omdat de kwesties waarover de Hoge Raad oordeelt zowel in de processtukken als tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid zijn besproken en omdat de beslissingen van de Hoge Raad het kader van het debat tussen partijen niet te buiten gaan.

3.11.

De voorzieningenrechter stelt in verband met het door [gedaagde] gevoerde verweer voorop dat de belastingplichtige op grond van artikel 47 AWR verplicht is om de Inspecteur alle gegevens en inlichtingen te verschaffen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De onderhavige procedure is bedoeld om te bewerkstelligen dat [gedaagde] als belastingplichtige aan deze verplichting voldoet. De vraag die vervolgens rijst is toewijzing van de vordering ertoe leidt, of zou kunnen leiden, dat [gedaagde] op een met artikel 6 EVRM strijdige wijze wordt gedwongen om mee te werken aan het vergaren van bewijs ten behoeve van een bestuursrechtelijke boete-oplegging of een strafvervolging.

3.12.

De Hoge Raad heeft in zijn recente arrest, in navolging van de uitspraak van het EHRM van 217 december 1996 (ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, Saunders-UK), overwogen dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van artikel 6 EVRM oplevert, ook niet als aan dit bevel een dwangsom wordt verbonden. Voor wilsafhankelijk bewijsmateriaal geldt volgens de Hoge Raad dat de verkrijging daarvan mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Als echter niet kan worden uitgesloten dat het verkregen materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen belastingplichtige zal worden gebruikt, zal moeten worden gewaarborgd dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Volgens de Hoge Raad betekent dit dat de voorzieningenrechter, om de aldus vereiste waarborg te bieden, aan een veroordeling tot het verschaffen van informatie de beperking dient te verbinden dat het verstrekte wilsafhankelijke materiaal uitsluitend wordt gebruikt te behoeve van de belastingheffing.

3.13.

Dit betekent, aldus nog steeds de Hoge Raad (r.o. 3.9 in het arrest), dat de belastingplichtige in een civiel kort geding onder last van dwangsom kan worden veroordeeld om al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing. De voorzieningenrechter zal dienovereenkomstig beslissen, zodat genoegzaam vaststaat dat de te nemen beslissingen niet in strijd komen met het bepaalde in artikel 6 EVRM. Het door [gedaagde] gevoerde verweer behoeft geen verdere bespreking.

Te gecompliceerd, niet voor kort geding vatbaar

3.14.

De stelling dat de onderhavige vordering te gecompliceerd zou zijn voor een kort geding, zoals [gedaagde] betoogt, moet worden verworpen. Een geschil kan zich niet voor behandeling in kort geding lenen, indien ter beslissing daarvan bewijslevering nodig is. De eventuele juridische complexiteit van een geschil is geen grond om een zaak niet geschikt te achten voor afdoening in kort geding.

3.15.

De voorzieningenrechter verwerpt ook het standpunt van [gedaagde] dat in kort geding niet de vraag kan worden beantwoord of de gevorderde gegevens afhangen van de wil van [gedaagde]. Terzijde merkt de voorzieningenrechter op dat de vorderingen van de Staat hem niet noodzaken om hierover een uitspraak te doen. In het in r.o. 3.10 genoemde recente arrest overweegt de Hoge Raad dat, als wilsafhankelijk materiaal in handen van de Inspecteur mede wordt gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, het oordeel over de gevolgen van de schending van de in kort geding aan te brengen restrictie toekomt aan de belasting- dan wel strafrechter. Het zal vooral op dat moment zijn dat het onderscheid “wilsafhankelijk-wilsonafhankelijk” aan de orde zal komen.

3.16.

Voorts verwerpt de voorzieningenrechter de stelling van [gedaagde], dat in kort geding niet zou kunnen worden geoordeeld of er gerede twijfel is aan het bestaan of het voorhanden zijn van de gevraagde informatie. Gesteld noch gebleken is dat ter beantwoording van die vraag proceshandelingen, in de zin van bewijslevering door getuigen of deskundigen, nodig zijn die het bestek van een kort geding te buiten gaan.

Fiscaal belang

3.17.

[gedaagde] heeft nog betoogd dat de Staat gebruik maakt van de hem gegeven bevoegdheid om op grond van artikel 47 AWR, zonder dat vaststaat dat [gedaagde] vermogen heeft verzwegen voor de Belastingdienst. Dat verweer moet worden verworpen, omdat het geen steun vindt in het recht. Het gaat immers uit van de veronderstelling dat de in dat artikel aan de Inspecteur gegeven bevoegdheid slechts mag worden uitgeoefend als vaststaat dat er vermogen is verzwegen en welk vermogen dat is. De gegeven bevoegdheid dient echter juist om te kunnen vaststellen tot welk bedrag de Staat belasting kan heffen, indien er sprake is van een redelijk vermoeden van de verzwijging van vermogen. De vraag of een zodanig redelijk vermoeden bestaat, kan in kort geding worden beantwoord.

3.18.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de Staat te lang heeft gewacht met het vorderen van de onderhavige informatie in kort geding. Dit verweer komt aan de orde in verband met het (onmiddellijk hierna te bespreken) verweer inzake het ontbreken van een spoedeisend belang.

Spoedeisend belang

3.19.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de Staat geen spoedeisend belang heeft, nu de Staat niet voortvarend heeft gehandeld, omdat deze al sedert 2002 beschikte over de - door [gedaagde] betwiste - informatie ten aanzien van de door [gedaagde] beweerdelijk verzwegen bankrekeningen bij de KB-Luxbank. [gedaagde] stelt dat de Staat zonder geldige reden gedurende elf jaren heeft stilgezeten.

3.20.

Uitgaande van de door de Staat naar voren gebrachte veronderstelling dat [gedaagde] op 31 januari 1994 beschikte over een of meerdere bankrekeningen bij KB-Luxbank en dat zij daarover nog steeds beschikt (of over andere de Belastingdienst onbekende bankrekeningen in het buitenland), is sprake van een voortdurend onrechtmatig handelen door [gedaagde], bestaande in het (jaarlijks) nalaten om juiste opgave te doen van haar vermogen. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven. Verder heeft de Staat afdoende toegelicht waarom niet meteen in 2002 of vlak daarna in kort geding is opgetreden jegens in het Rekeningenproject geïmpliceerde belastingplichtigen.

3.21.

Het verweer dat de Staat geen spoedeisend belang heeft, nu hij ambtshalve aanslagen kan opleggen op basis van hogere redelijke schattingen, zoals [gedaagde] aanvullend betoogt, moet worden verworpen. Zoals voortvloeit uit hetgeen in het voorgaande reeds werd overwogen (r.o. 3.5.) staat het de Inspecteur vrij om te beslissen dat niet langer belasting zal worden geheven op basis van navorderingsaanslagen met omkering van de bewijslast, maar om aanslagen op te (willen) leggen op basis van reële cijfers, te verkrijgen door middel van een vordering in kort geding als het onderhavige.

(On)juist aangifte doen

3.22.

Onder het kopje “(on)juist aangifte doen” betoogt [gedaagde] dat het uitgangspunt van de onderhavige procedure is dat zij sedert 1990 onjuiste aangiften heeft ingediend, doch dat uit niets is gebleken dat die veronderstelling juist is.

3.23.

Zoals in het voorgaande reeds werd overwogen (r.o. 3.17.), is het voor toewijzing van de onderhavige vordering niet vereist dat vaststaat dat vermogen is verzwegen voor de Belastingdienst. De mogelijkheid voor het instellen van de onderhavige vordering is juist gegeven om aan de hand daarvan te kunnen vaststellen óf vermogen is verzwegen, in het geval dat een redelijke verdenking bestaat dat er sprake is van verzwijging.

Bevoegdheid informatie te vragen

3.24.

[gedaagde] stelt dat zij niet kan worden gedwongen tot het verstrekken van informatie, waarvan in rechte niet vaststaat of daarover kan worden beschikt.

3.25.

Uitgangspunt is dat niemand is gehouden tot het onmogelijke. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] echter niet aannemelijk weten te maken dat een veroordeling conform de vordering van de Staat voor haar tot verplichtingen leidt waaraan zij onmogelijk kan voldoen.

3.26.

De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat, indien juist zou zijn dat [gedaagde] geen rekening(en) bij de KB-Luxbank heeft of heeft gehad, de KB-Luxbank geen verklaring met die strekking aan [gedaagde] zou willen afgeven. [gedaagde] heeft niet gesteld dat KB-Luxbank is gevraagd om een verklaring van deze strekking af te geven.

3.27.

De stelling van [gedaagde] dat de KB-Luxbank niet beschikt over informatie die ouder is dan tien jaar, is niet onderbouwd en wordt bovendien gemotiveerd betwist door de Staat, zodat dit verweer als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen.

3.28.

De bewaartermijn waaraan administratieplichtigen of particulieren zouden zijn gebonden, is niet doorslaggevend voor de vraag of van [gedaagde] het onmogelijke wordt gevorderd. Bovendien heeft [gedaagde] niets gesteld over enige bewaarplicht waaraan de KB-Luxbank zou zijn gebonden.

3.29.

Meer in het algemeen merkt de voorzieningenrechter op dat de Hoge Raad in zijn eerder genoemde recente arrest heeft overwogen dat, als de belastingplichtige en de Inspecteur van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel om informatie te verschaffen heeft voldaan, in een eventueel executiegeschil stelplicht en bewijslast rusten op de Staat. Dit betekent, aldus de Hoge Raad, dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen - in de zin van aannemelijk maken - dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen. In een voorkomend geval kan ook [gedaagde], eventueel zelfs in kort geding, verlangen dat de Staat deugdelijk onderbouwt waarom hij van haar niet “het onmogelijke” vraagt.

3.30.

Dat de gevorderde informatie zich uitstrekt over een langere periode (namelijk vanaf 31 januari 1994 tot heden) dan de periode waarover een naheffing kan plaatsvinden (namelijk twaalf jaar) staat als zodanig aan de toewijzing van het gevorderde niet in de weg. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat deze er een gerechtvaardigd belang bij heeft om te weten wat met de saldi van de rekeningen is gebeurd vanaf 31 januari 1994, omdat de Belastingdienst aan de hand daarvan kan reconstrueren wat het verloop daarvan is geweest.

Niet tijdig geklaagd, rechtsverwerking

3.31.

[gedaagde] heeft gesteld dat nu zij in de periode van 2002 tot en met 2009 jaarlijks duidelijk, stellig en zonder voorbehoud heeft geantwoord op informatieverzoeken en, nu de Belastingdienst naar aanleiding van die antwoorden nooit om aanvullende informatie heeft verzocht, de Staat het recht heeft verwerkt om thans via de onderhavige procedure aanvullende informatie te vorderen.

3.32.

Dat de Staat in voormelde periode niet om aanvullende informatie heeft gevraagd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van rechtsverwerking. Uit de stellingen van [gedaagde] in dit verband volgt verder dat de Staat geen genoegen heeft genomen met de door [gedaagde] verstrekte informatie, en dat de Staat vervolgens (navorderings)aanslagen heeft opgelegd met omkering van de bewijslast. Van stilzitten door de Staat is dan ook geen sprake geweest.

Bewijs(last)

3.33.

Onder het kopje “Bewijs(last)” betoogt [gedaagde], samengevat, dat in kort geding wordt beslist op basis van feiten die niet afdoende zijn komen vast te staan. Meer in het bijzonder komt de onderhavige procedure volgens [gedaagde] in strijd met artikel 6 EVRM, omdat deze minder waarborgen biedt dan de fiscale procedure. [gedaagde] verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2011 (LJN: BT8783).

3.34.

Het belang van deze verwijzing ontgaat de voorzieningenrechter, omdat het in de onderhavige zaak niet gaat om het opleggen van boetes, maar om het verstrekken van gegevens over beweerdelijk aangehouden rekeningen bij de KB-Luxbank. Voor het opleggen van de verplichting daartoe kunnen de relevante feiten in kort geding met afdoende zekerheid worden vastgesteld. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband met name naar hetgeen hierna zal worden overwogen in verband met de identificatie (r.o. 3.38. e.v.).

Redelijkheid/billijkheid

3.35.

De voorzieningenrechter verwerpt aanstonds het verweer van [gedaagde], dat de redelijkheid en billijkheid onder de huidige omstandigheden zich verzetten tegen de behandeling van onderhavige procedure, nu dat verweer volstrekt niet is onderbouwd.

Restitutierisico

3.36.

[gedaagde] voert aan dat de executie van dwangsommen zal leiden tot schade aan haar zijde, die niet door de Staat kan worden vergoed, indien later zou worden geoordeeld dat de Staat ten onrechte is overgegaan tot de executie van deze dwangsommen.

3.37.

De voorzieningenrechter overweegt dat dit verweer ten onrechte uitgaat van de veronderstelling dat een toewijzing van de vordering zal leiden tot de verbeurte van dwangsommen. Daarvan is pas sprake als zou blijken dat, ondanks het feit dat [gedaagde] daartoe in staat is, zij de gevorderde informatie niet wil verschaffen. De voorzieningenrechter verwijst naar de r.o. 3.8. en 3.29.

Identificatie

3.38.

[gedaagde] heeft het standpunt ingenomen dat de Belastingdienst onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de identificatie in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden. [gedaagde] plaatst verder vraagtekens bij de betrouwbaarheid bij het identificatieproces in het algemeen: in het buitenland woonachtige Nederlanders zijn buiten beschouwing gelaten, evenals Nederlanders zonder sofinummer en Nederlanders die nimmer in Nederland hebben gewoond en Nederlanders die Nederland voor 1981 hebben verlaten; een betrouwbare identificatie kan alleen worden uitgevoerd door wereldwijd alle personen met de achternaam [achternaam 1] en de achternaam [achternaam 2] te combineren, inclusief alle volledige voornamen; ‘ou’ duidt niet per se op twee rekeninghouders; een van de twee zou ook de gevolmachtigde kunnen zijn; als sprake is van twee rekeninghouders, dan hoeven deze niet per se gehuwd te zijn; ook andere relaties zijn denkbaar.

3.39.

Verder wijst[gedaagde] erop dat op de microfiches sprake is van een persoon aangeduid als ‘[alias 1]’. [echtgenoot gedaagde] voorletters waren daarentegen [voorletters]. Uitgaande van de vaste systematiek waarop de Belastingdienst zich beroept, had [echtgenoot gedaagde] moeten worden aangeduid met zijn eerste volledige voornaam [eerste voornaam] en niet met een afkorting van zijn derde voornaam. Op de microfiches is verder sprake van een persoon aangeduid als ‘[alias 2]’. De Belastingdienst gaat ervan uit dat met ‘[achternaam gedaagde]’ wordt gedoeld op de achternamen van twee (met elkaar gehuwde) personen en dat [derde voornaam]’ de voornaam is van ‘[echtgenoot gedaagde]’. Dit hoeft niet het geval te zijn. ‘[alias 2]’ kan ook duiden op één persoon, met een dubbele achternaam. Al met al is geen sprake van een betrouwbare identificatie. Het desbetreffende p.v. bevat uitsluitend een opeenstapeling van vermoedens.

3.40.

De Staat heeft gesteld dat het identificatieproces in het algemeen betrouwbaar is en inmiddels ook in veel uitspraken van veel rechters als zodanig is aangemerkt. In zaken waarin twijfels bestaan over de juistheid van de identificatie wordt niet geprocedeerd, ook niet in kort geding, aldus de Staat.

3.41.

In verband met de identificatie van[gedaagde] stelt de Staat, onder verwijzing naar de desbetreffende p.v.’s, dat een zoekopdracht in het BVR-bestand op ‘[achternaam 1]’ en ‘[achternaam 2]’ in onderling verband slechts één hit oplevert, namelijk [echtgenoot gedaagde] en (gedaagde) [gedaagde]. Daar komt bij dat de eerste volledige voornaam van [gedaagde] is: ‘[voornaam gedaagde]’, conform de vermeldingen op de microfiches. De identificatie van [gedaagde] is daarmee een feit. [gedaagde] beschikte over de mogelijkheid om in Luxemburg gericht navraag te doen, maar heeft dat nagelaten. Aannemelijk is dat de KB-Luxbank - als dat zou komen vast te staan - zou willen verklaren dat[gedaagde] niet dezelfde persoon is als de persoon aangeduid als ‘[alias 3]’ op de desbetreffende microfiches. Twijfels over de identificatie van [echtgenoot gedaagde] zijn niet relevant, omdat[echtgenoot gedaagde] geen voorwerp is van de onderhavige procedure.

3.42.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het identificatieonderzoek zich terecht heeft beperkt tot personen woonachtig in Nederland. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij het argument van de Staat, dat het in verband met de voorgeschreven deviezencontrole aannemelijk is dat de KB-Luxbank met melding van een land niet de nationaliteit van een rekeninghouder heeft willen aanduiden, maar het woonland van de rekeninghouder. Gelet op de door de Staat gegeven toelichting acht de voorzieningenrechter de wijze van identificeren in het algemeen ook verder voldoende betrouwbaar om op de uitkomsten ervan in een kort geding als het onderhavige te kunnen vertrouwen.

3.43.

De nadruk komt vervolgens te liggen op de betrouwbaarheid van de identificatie in het concrete geval. [gedaagde] heeft de centrale stelling van de Staat inzake de unieke identificatie van [gedaagde] niet, althans niet afdoende, betwist. Zou een zoekopdracht op ‘[achternaam 1]’ en ‘[achternaam 2]’ verschillende ‘hits’ hebben opgeleverd, dan had de Belastingdienst nader onderzoek moeten doen. Dan zou bijvoorbeeld relevant kunnen zijn hoe precies (of weinig precies) de voornamen van [echtgenoot gedaagde] overeenstemmen met de gegevens op de microfiches. Nu slechts één match is gevonden, is dit niet wezenlijk van belang, des te meer nu [gedaagde] dezelfde eerste voornaam heeft als de persoon aangeduid als ‘[achternaam gedaagde]’ op de microfiches. Juist is dat [alias 2]’ de naam kan zijn van een persoon van het mannelijke geslacht met een dubbele achternaam. Gelet op het feit dat op de microfiches in de onmiddellijke nabijheid van de aanduiding ‘[alias 2]’ ook sprake is van ‘[alias 3]’ acht de voorzieningenrechter het echter uiterst onwaarschijnlijk dat ‘[achternaam gedaagde]’ één (dubbele) achternaam is. Daar komt bij dat [gedaagde] uitgebreid onderzoek heeft laten doen naar het voorkomen van de namen ‘[achternaam 1]’ en ‘[achternaam 2]’ in België en Nederland. Gesteld noch gebleken is dat dit onderzoek aan het licht heeft gebracht dat een persoon of personen in België of Nederland de (dubbele) achternaam ‘[achternaam gedaagde]’ gebruikt of gebruiken. De voorzieningenrechter verwerpt derhalve de verweren van [gedaagde] in verband met de identificatie.

Andere verweren

3.44.

In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] in reactie op stellingen van de Staat in zijn dagvaarding nog verweren naar voren gebracht die niet zijn voorzien van specifieke kopjes.

3.45.

Zo heeft [gedaagde] gesteld dat het bewijs - de microfiches - op onrechtmatige wijze is verkregen, zodat daaraan geen bewijs mag worden ontleend tegen [gedaagde].

3.46.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer, waartoe hij kortheidshalve verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, BNB 2008/159.

3.47.

Verder heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat, zo al vast zou komen te staan dat zij op 31 januari 1994 heeft beschikt over bankrekeningen bij de KB-Luxbank, daaruit nog niet volgt dat zij in de jaren daarna eveneens over die rekeningen heeft beschikt.

3.48.

Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat de verwijzingen door [gedaagde] in dit verband naar de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2006 (LJN CA3901) en naar de overwegingen van het Hof Amsterdam in zijn arrest van 30 september 2005 (LJN AU3605) niet relevant zijn, nu het in die gevallen gaat om de bewijskracht van een bewezenverklaring voor het bewijs inzake de daarop volgende jaren. In de onderhavige zaak gaat het daarentegen om de vraag of de Staat belang heeft bij de verstrekking van informatie over een rekening bij de KB-Luxbank in de periode vanaf 31 januari 1994 tot heden.

3.49.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat belang bij deze informatie, nu, gegeven het oordeel dat de microfiches en de resultaten van het daarop volgende onderzoek het voldoende aannemelijk maken dat [gedaagde] op 31 januari 1994 over bankrekeningen bij de KB-Luxbank beschikte, niet denkbeeldig is dat [gedaagde] in de periode daarna, en wellicht nog tot op heden, die bankrekeningen heeft aangehouden. Zo dat niet het geval is, kan niet worden uitgesloten dat [gedaagde] de desbetreffende gelden op enig moment op bankrekeningen elders heeft gestort. Een en ander moet met een voldoende mate van zekerheid kunnen worden gereconstrueerd. De Staat heeft derhalve voldoende belang bij de informatie over de volledige periode van 31 januari 1994 tot heden.

3.50.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat de Staat geen belang heeft bij zijn vordering, omdat over de jaren 2002 tot en met 2009 de objectieve, materiële waarheid ten aanzien van de belastingschuld is vastgesteld, nu deze door de Inspecteur is vastgesteld met omkering van de bewijslast en de schatting meestal niet te laag is. Op grond hiervan dient ervan te worden uitgegaan dat de objectieve, materiële schuld van [gedaagde] jegens de Staat is vastgesteld, op grond waarvan er geen fiscaal belang meer overblijft voor de Staat.

3.51.

Dit verweer wordt verworpen. Het is gebaseerd op aannames, terwijl de vordering van de Staat er juist toe strekt om de Inspecteur de beschikking te geven over de feiten. Mocht op basis daarvan komen vast te staan dat [gedaagde] door haar betalingen op basis van geschat vermogen reeds feitelijk aan haar belastingsplicht heeft voldaan, dan zal met dat gegeven zonder twijfel rekening worden gehouden.

Slotsom

3.52.

Uit al het vorenstaande volgt dat de vordering voor toewijzing gereed ligt, met dien verstande dat de voorzieningenrechter, conform het recente arrest van de Hoge Raad, aan de uit te spreken veroordelingen de in verband met artikel 6 EVRM vereiste restrictie zal verbinden. Voorts zal de voorzieningenrechter de te verbeuren dwangsommen maximeren als na te melden in het dictum. Gelet op de tijd die [gedaagde] waarschijnlijk nodig zal hebben om de gevorderde informatie te kunnen verschaffen, acht de voorzieningenrechter het redelijk [gedaagde] daartoe een termijn van één maand te vergunnen.

In conventie, in incident

3.53.

De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] verweer voert in conventie en daarnaast zowel een incidentele vordering (weergegeven in r.o. 2.9.) als een vordering in reconventie (weergegeven in r.o. 2.14.) instelt. [gedaagde] heeft niet verzocht om de beslissing in conventie dan wel reconventie aan te houden totdat in het incident is beslist en - uitgaande van een toewijzende beslissing - de Staat gevolg heeft gegeven aan deze beslissing. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat [gedaagde] de informatie waarop haar incidentele vordering betrekking heeft niet nodig heeft in het kader van het onderhavige kort geding. Kennelijk wil [gedaagde] reeds nu inzage krijgen in de door haar opgegeven documenten met het oog op (mogelijke) in de toekomst te voeren fiscale procedures. Daarvan uitgaande dient de incidentele vordering te worden afgewezen. Of en zo ja, welke stukken [gedaagde] kan inzien in verband met door haar te voeren fiscale procedures, dient te zijner tijd te worden beoordeeld door de (belasting)rechter ten overstaan van wie wordt geprocedeerd.

In reconventie

3.54.

[gedaagde] heeft in reconventie gevorderd, kort samengevat, dat de Staat zich voorlopig onthoudt van informatieverzoeken langs de weg van het civiele kort geding. Verder herhaalt [gedaagde] in reconventie de incidentele vordering tot het in het geding brengen, althans ter inzage geven van stukken. De Staat heeft verweer gevoerd tegen de vordering.

3.55.

De voorzieningenrechter zal de vordering in reconventie afwijzen. Deze afwijzing vindt, voor zover het eerste deel van de vordering betreft, haar grond in de overwegingen die in conventie hebben geleid tot het passeren van de door [gedaagde] gevoerde verweren. Het tweede deel van de vordering wordt afgewezen op grond van de overweging zoals weergegeven in r.o. 3.53.

De kosten

In conventie

3.56.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  78,34;

  • -

    griffierecht € 589,00;

  • -

    salaris advocaat € 816,00;

Totaal €  1.483,34.

In conventie, in incident

3.57.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00).

In reconventie

3.53.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00).

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

veroordeelt [gedaagde]:

a. op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) [gedaagde] na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

opgave te doen van de onder a) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [gedaagde] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

een mondelinge toelichting te geven op de onder a) en b) omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn;

binnen één maand na de datum van dit vonnis aan de onder a) en b) omschreven bevelen te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,--, per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,--;

bepaalt dat, voor zover de bevelen onder a) en b) en de veroordeling onder c) betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [gedaagde] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt te behoeve van de belastingheffing;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.483,34,;

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen één maand na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In conventie, in incident

wijst af het gevorderde;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 408,00;

verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis in conventie, in incident uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

wijst af het gevorderde;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 408,00;

verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.