Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4202

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
12/1754
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen strijd met Wet luchtkwaliteit; Bij beoordeling milieugevolgen terecht geen rekening gehouden met voorgenomen verlegging Noorderbrug en relaisering pdv-terrein; Gevolgen toename verkeer dienen beoordeeld te worden bij omgevingsvergunning voor naastgelegen inrichting waarvan materiaal voor biomassacentrale wordt verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2711
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 1754

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juni 2013 in de zaak tussen

Stichting Leefbaarheid Bosscherveld Boschpoort, Huurdersvereniging Belvédère Haven, Stichting Woonschepen Boschpoort/Bosscherveld en Stichting Kloar Loch, te Maastricht, eiseressen

(gemachtigde: A.H.J. van den Broek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. C.M.J.J. Erdkamp, R.H.W. Damoiseaux),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Imtech Nederland B.V., gevestigd te Den Haag

(gemachtigden: R. van Gemert en S. Lemmens).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan Imtech Nederland B.V. (vergunninghouder) voor het oprichten, bouwen, gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en inwerking hebben van de Biomassacentrale Belvédère, gelegen aan de [adres] te Maastricht (bouwplan).

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2013.

Eiseressen zijn verschenen bij [eiser] en bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.J. Wenders-Erven, gemachtigde van gedeputeerde staten van Limburg.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar tegen bestaat om een deel van de gebouwen hoger te maken dan de op grond van het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in hoofdzaak Maastricht 1954” toegestane 15 meter gezien het industriële karakter van het gebied en de grote schaal daarvan. Het bouwplan past binnen het voorbereidingsbesluit “Bosscherveld Noord” en is niet in strijd met de redelijke eisen van welstand. Op 18 januari 2012 heeft verweerder van gedeputeerde staten van Limburg een ontwerpverklaring ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op de belangen van het milieu, geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.

3.

Eiseressen voeren aan dat de biomassacentrale veel verkeer genereert door de aanvoer per vrachtauto van de benodigde grondstoffen. Voorts stellen eiseressen dat sprake is van cumulatie van hinder en luchtemissies door de veelvoud van ingrijpende bouwplannen voor de wijk. Tevens vragen eiseressen zich af of de locatie wel geschikt is.

4.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

5.

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseressen belanghebbenden zijn bij het besluit van 31 augustus 2012. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 februari 2012, LJN: BV5109, dat voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, bepalend is of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

5.1

Gelet op de statutaire doelstellingen van eiseressen en hetgeen ter zitting is gesteld ten aanzien van de feitelijke werkzaamheden van eiseressen, welke door de andere partijen niet in twijfel zijn getrokken, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseressen niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken. Op deze zaak is de Crisis- en herstelwet (CHW) van toepassing, zodat, gelet op artikel 1:6a van de CHW, alleen de gronden die in het beroepschrift zijn vermeld mogen worden beoordeeld.

6.

Met betrekking tot de stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met cumulatieve milieueffecten van de door eiseressen genoemde bouwplannen, overweegt de rechtbank dat verweerder bij het toetsen van de aanvraag van de omgevingsvergunning terecht is uitgegaan van de aanvraag zoals die is ingediend. Ten behoeve van het bouwplan is een milieueffectrapportage opgesteld d.d. 4 januari 2012. In dit kader is een luchtonderzoek opgesteld op 21 december 2011. De achtergrondconcentraties zijn hierbij meegenomen in de berekeningen. Uit de berekeningen blijkt dat voor alle componenten (NOx, SO2, fijn stof, lood, koolmonoxide, benzeen) wordt voldaan aan de Wet luchtkwaliteit.

7.

Voorts stellen eiseressen zich op het standpunt dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning geen rekening heeft gehouden met de verlegging van de aanlanding van de Noorderbrug en de ontwikkeling van een perifere detailhandel (pdv)-terrein. Verweerder heeft ten onrechte niet bekeken of de woonomgeving door de optelsom van deze plannen niet te veel wordt belast.

In artikel 2.14, eerste lid, onder a, 3̊, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval betrekt de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder andere LJN: BG5909 en LJN: BW6370) zijn genoemde plannen niet aan te merken als redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder a, 3̊, van de Wabo. Het bestemmingsplan “Noorderbrug e.o” is door de gemeenteraad vastgesteld bij besluit van 26 juni 2012. Het bestemmingsplan voorziet in het planologisch mogelijk maken van het verleggen van de westelijke aanlanding van de Noorderbrug, de aanleg van een nieuwe verbindingsbaan in noordelijke richting en de aanpassing van de kruising op de oostoever Willem Alexanderweg/Viaductweg. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in het planologisch mogelijk maken van de vestiging van perifere detailhandel in het gebied Belvédère op het Bosscherveld. Hoewel derhalve ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan reeds was vastgesteld, was de uitkomst van het tegen dit bestemmingsplan ingestelde beroep nog niet zeker en is niet gebleken van concrete bouwplannen voor de vestiging van detailhandel in het gebied. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de beoordeling van de milieugevolgen van het bouwplan terecht geen rekening gehouden met de voorgenomen verlegging van de Noorderbrug en de realisering van het pdv-terrein.

8.

Ten aanzien van de stelling dat de verkeersstroom zal toenemen, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de eventuele toename van de verkeersstromen ten gevolge van de aanvoer van brandstoffen behoort te worden beoordeeld in de (nog te verlenen) omgevingsvergunning van de inrichting Bowie Recycling BV, zijnde de naast vergunninghouder gelegen inrichting. In het onderhavige geval ligt enkel de biomassacentrale ter beoordeling voor. De aanvoer van biomassa voor de centrale vindt plaats via de biomassa transportband vanaf Bowie Recycling BV. De grief faalt.

9.

Met betrekking tot de grief omtrent de geschiktheid van de locatie, overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd heeft aangegeven waarom voor onderhavige locatie is gekozen. Aangezien BASF de warmte gaat afnemen, dient de biomassacentrale, om hoge kosten van de aanleg van ondergrondse warmteleidingen te voorkomen, bij voorkeur in de directe omgeving van BASF te worden gerealiseerd. Hiervan is bij het bouwplan sprake.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.N.F. Sleddens (voorzitter), mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen en mr. T.M. Schelfhout, leden, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2013.

w.g. mr. drs. P.M. van den Brekel,

griffier

w.g. mr. J. Sleddens,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.