Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4197

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
03-700026-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart feit 6 van de dagvaarding nietig, nu dit feit innerlijk tegenstrijdig is. Rechtmatigheid doorzoeking auto; artikel 49 Wwm.

Gelet op het aantreffen van een honkbalknuppel achter de bestuurdersstoel en een opvouwbaar mes in de middenconsole van de auto, is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten redelijkerwijs konden vermoeden dat in de auto, met inbegrip van de in de auto aanwezige tassen, nog andere wapens aanwezig waren. Gelet op dit vermoeden waren de verbalisanten gerechtigd om de auto en de in de auto aanwezige rugzak te doorzoeken. Van een onrechtmatige doorzoeking is dan ook geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700026-13

Datum uitspraak : 19 juni 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboortedatum en plaats],

thans preventief gedetineerd [detentieadres]

Raadsman is mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2013. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman. Voorts heeft de rechtbank ter terechtzitting een getuige en een deskundige gehoord.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2013 tot en met 15 januari 2013 in de gemeente Heerlen en/of te Herkenbosch, in elk geval in de gemeente Roerdalen, in elk geval in de provincie Limburg, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 209 pillen en/of 74,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of metamfetamine en/of brolamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of metamfetamine en/of brolamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2013 tot en met 27 februari 2013 te Heerlen en/of te Brunssum, in elk geval in de provincie Limburg opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 155 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 14 januari 2013 te Heerlen een honkbalknuppel, zijnde een wapen van de categorie IV als bedoeld in de Wet wapens en munitie, heeft gedragen en wel op de openbare weg, te weten de [adres];

4.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 27 februari 2013 in de gemeente Brunssum en/of te Herkenbosch, in elk geval in de gemeente Roerdalen, in elk geval in de provincie Limburg, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 177,6 gram en/of (ongeveer) 122 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 27 februari 2013 te Brunssum een of meer wapens van categorie I, onder 1, te weten twee vlindermessen, voorhanden heeft gehad;

6.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 27 februari 2013 te Herkenbosch, in elk geval in de gemeente Roerdalen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een vuurwapen (pistool), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (pistool) voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijffouten of misslagen zijn in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

Onder feit 6 is ten laste gelegd dat verdachte een wapen van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), voorhanden heeft gehad. Een vuurwapen (pistool) valt echter niet onder categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, maar onder categorie III of II sub 2, 3 of 6 van deze wet.

Voorts wordt in de tenlastelegging vermeld dat het vuurwapen (pistool) een voorwerp is dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (pistool).

Nu het voorwerp waarop de tenlastelegging doelt niet tegelijkertijd zowel een vuurwapen (pistool) kan zijn als ook een ander voorwerp dat een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen (pistool), is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 6 ten laste gelegde innerlijk tegenstrijdig is en niet voldoet aan de, in de jurisprudentie ten aanzien van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gestelde eis dat de tenlastelegging een begrijpelijke opgave bevat van het feit dat wordt ten laste gelegd. De rechtbank zal de dagvaarding ten aanzien van feit 6 dan ook nietig verklaren.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding voor het overige aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Overige voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 14 januari 2013 tot en met 15 januari 2013 in de gemeente Heerlen en te Herkenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 209 pillen van een materiaal bevattende MDMA en 74,6 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 14 januari 2013 te Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 72 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 14 januari 2013 te Heerlen een honkbalknuppel, zijnde een wapen van de categorie IV als bedoeld in de Wet wapens en munitie, heeft gedragen en wel op de openbare weg, te weten de [adres];

4.

in de periode van 26 februari 2013 tot en met 27 februari 2013 in de gemeente Brunssum en te Herkenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 103,2 gram van een materiaal bevattende amfetamine en ongeveer 122 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

in de periode van 26 februari 2013 tot en met 27 februari 2013 te Brunssum wapens van categorie I, onder 1, te weten twee vlindermessen, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.2

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.

4.3

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie op 14 januari 2013 onrechtmatig heeft opgetreden. Hiertoe heeft ze aangevoerd dat:

  • -

    de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2013 met proces-verbaalnummer PL2431 2013005041-4 niet juist is en het proces-verbaal veel vragen open laat;

  • -

    er bij twijfel over de juistheid van het proces-verbaal moet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte;

  • -

    verdachte betwist dat hij de rugzak heeft gepakt toen hij uit de auto stapte;

  • -

    verdachte betwist dat de rugzak open was;

  • -

    het aantreffen van het mes in dit kader niet relevant is, omdat het niet een verboden wapen betreft;

  • -

    het aantreffen van de honkbalknuppel de doorzoeking van de auto onvoldoende heeft gerechtvaardigd.

Dit onrechtmatige politieoptreden zou een onherstelbaar vormverzuim opleveren en zou bovendien een inbreuk hebben gemaakt op verdachtes privacy. Gelet hierop zouden de in de auto aangetroffen verdovende middelen volgens de verdediging van het bewijs uitgesloten moeten worden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hiertoe het volgende.

In voornoemd proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2013 is onder meer gerelateerd dat:

  • -

    de verbalisanten op 14 januari 2013, omstreeks 02:30 uur, op de [adres] te Heerlen een zwarte Ford met kenteken [kenteken] zagen rijden;

  • -

    de verbalisanten ter controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 een onderzoek instelden;

  • -

    verbalisant[naam] het voertuig een stopteken gaf, waarop de bestuurder, zijnde verdachte, het voertuig tot stilstand bracht;

  • -

    verbalisant[naam] het rijbewijs en het kentekenbewijs van verdachte vorderde;

  • -

    verbalisant[naam] tegelijkertijd achter de bestuurdersstoel een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde honkbalknuppel zag liggen;

  • -

    verbalisant[naam] in het middenconsole van het voertuig een opvouwbaar mes zag liggen.

Deze bevindingen zijn door de verdachte niet weersproken. De rechtbank gaat uit van de juistheid hiervan.

Artikel 49 van de Wet wapens en munitie luidt:
‘De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren kunnen te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen.’

Gelet op het aantreffen van een honkbalknuppel achter de bestuurdersstoel en een opvouwbaar mes in de middenconsole van de auto, is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten redelijkerwijs konden vermoeden dat in de auto, met inbegrip van de in de auto aanwezige tassen, nog andere wapens aanwezig waren. Daarbij doet het niet ter zake dat het mes dat de verbalisant in de middenconsole zag liggen niet een verboden wapen op grond van de Wet wapens en munitie zou betreffen. Op het moment van het aantreffen van dat mes was dat immers nog niet duidelijk.

Gelet op dit vermoeden waren de verbalisanten gerechtigd om de auto en de in de auto aanwezige rugzak te doorzoeken. Van een onrechtmatige doorzoeking is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk 155 gram hennep aanwezig heeft gehad, nu op 14 januari 2013 72 gram hennep werd aangetroffen en op 26 februari 2013 83 gram. Het feit dat de op 26 februari 2013 aangetroffen partij niet werd onderzocht, staat volgens haar niet aan een bewezenverklaring in de weg, omdat de verbalisanten hebben aangegeven dat het om hennep ging.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte op 26 februari 2013 hennep aanwezig had. Weliswaar is het voor een bewezenverklaring niet altijd noodzakelijk dat hennep wordt getest. Er is echter meer nodig dan de enkele vermelding in het proces-verbaal van politie dat er sprake is van hennep. Te denken valt bijvoorbeeld aan de constatering van een verbalisant dat hij, gelet op zijn ervaring, de geur van hennep ruikt en de bladeren herkent. De rechtbank heeft dan ook (slechts) bewezenverklaard dat verdachte op 14 januari 2013 opzettelijk ongeveer 72 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachtes verklaring dat de honkbalknuppel niet in de auto lag om als wapen te worden gebruikt, niet onaannemelijk is. Verdachte zou immers wel eens honkbal spelen en de knuppel zou een keer uit verdachtes tas zijn gerold en vervolgens in de auto zijn blijven liggen. Om die reden heeft de verdediging gepleit voor een vrijspraak van dit feit.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aangetroffen honkbalknuppel bestemd was om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, nu:

  • -

    een honkbalknuppel, naast een voorwerp om mee te sporten, eveneens een slagvoorwerp is dat met regelmaat wordt gebruikt om anderen mee te verwonden of te dreigen;

  • -

    de honkbalknuppel in de auto binnen handbereik van verdachte werd aangetroffen;

  • -

    in de auto geen andere honkbalspullen lagen;

  • -

    verdachte in de auto eveneens een hoeveelheid hard- en softdrugs, met een niet geringe financiële waarde, vervoerde.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook niet aannemelijk.

Ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft aangevoerd dat slechts bewezen kan worden dat verdachte 89 pillen MDMA, 2,2 gram MDMA en 54,5 gram amfetamine aanwezig heeft gehad. Hiertoe heeft ze aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van de door het Nederlands Forensisch Instituut geteste hoeveelheden. Dit zouden de netto hoeveelheden betreffen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe het volgende.

Bij de inbeslagneming van de verdovende middelen werden deze gewogen en/of geteld. De weergave hiervan is te vinden in de verschillende kennisgevingen van inbeslagneming.

Waar het Nederlands Forensisch Instituut uitgaat van een kleinere hoeveelheid verdovende middelen, betekent dit niet dat het onderzochte de totale hoeveelheid netto verdovende middelen is. Dit betekent slechts dat van de inbeslaggenomen stoffen een kleinere hoeveelheid aan nader onderzoek werd onderworpen.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte opzettelijk 125 pillen van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 103,2 gram van een materiaal bevattende amfetamine aanwezig heeft gehad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

De misdrijven onder 1 en 4 zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Het misdrijf onder 2 is strafbaar gesteld bij de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De overtreding onder 3 is strafbaar gesteld bij de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

Het misdrijf onder 5 is strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van de straffen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van de feiten 1, 3, 4, 5 en 6, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde heeft ze reclasseringstoezicht gevorderd met daaraan gekoppeld een meldplicht, de gedragsinterventie CoVa, een ambulante behandelverplichting met mogelijk klinische behandeling van zeven weken en de opname in een instelling voor begeleid wonen, zoals Exodus.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een geldboete van € 170,00, subsidiair drie dagen vervangende hechtenis, op te leggen.

Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat:

  • -

    de grote hoeveelheid bij verdachte aangetroffen verdovende middelen een groot risico voor de volksgezondheid oplevert;

  • -

    er gelet op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen, de aangetroffen gripzakjes en de verklaring van verdachte dat hij verdovende middelen aan vrienden heeft verstrekt, sprake is van dealerindicatie;

  • -

    bovendien diverse wapens zijn aangetroffen;

  • -

    verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw in de fout is gegaan;

  • -

    er sprake is van een hoog recidiverisico.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij het advies van de reclassering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de feiten 1 en 4 maximaal een gevangenisstraf van anderhalve maand tot drie maanden opgelegd dient te worden. Hierbij heeft ze verwezen naar de oriëntatiepunten van het LOVS voor de in- en uitvoer van harddrugs. Deze zouden gehalveerd moeten worden indien er sprake is van het aanwezig hebben van harddrugs.

Gelet hierop, alsmede gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen voor de overige feiten worden opgelegd, heeft de verdediging voorgesteld om een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 20 dagen voorwaardelijk op te leggen. De verdediging acht het opleggen van de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden wenselijk, doch vraagt zich af of de jurisprudentie van de Hoge Raad – zoals neergelegd in de arresten LJN BY5449 en LJN AZ0262 – toestaat dat de rechtbank het besluit tot klinische opname van verdachte overlaat aan de reclassering.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op twee momenten binnen anderhalve maand tijd een grote hoeveelheid harddrugs aanwezig gehad. Deze werden deels in verdachtes auto en deels in zijn woning aangetroffen. Verdovende middelen, zoals bij verdachte aangetroffen, leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers op. Het gaat dan ook om ernstige strafbare feiten.

De eerste keer (feit 1) ging het om 209 pillen MDMA en 74,6 gram amfetamine. Gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, die uitgaan van een gewicht van één gram per vijf pillen, gaat de rechtbank uit van in totaal 116,4 gram harddrugs.

De tweede keer (feit 4) ging het om 125 pillen MDMA en 103,2 gram amfetamine. Hierbij gaat de rechtbank uit van in totaal 128,2 gram harddrugs.

Het oriëntatiepunt voor de in- en uitvoer van 100 tot 150 gram harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven tot tien weken. Nu het in dit geval niet gaat om de in- of uitvoer, maar om het aanwezig hebben van de verdovende middelen, zal de rechtbank als uitgangspunt nemen een gevangenisstraf van ruim drie tot vijf weken per feit.

In de volgende omstandigheden ziet de rechtbank echter reden om voor deze feiten een hogere gevangenisstraf op te leggen:

  • -

    Beide keren werd een deel van de verdovende middelen door verdachte in zijn auto vervoerd. De eerste keer gebeurde dit midden in de nacht.

  • -

    Beide keren ging het om een hoeveelheid die voor verdere verspreiding geschikt is.

  • -

    Bij verdachte werden ook een weegschaal en gripzakjes aangetroffen.

  • -

    Beide keren werden in verdachtes auto ook wapens aangetroffen.

  • -

    Beide feiten werden kort na elkaar gepleegd, terwijl het feit van 26/27 februari 2013 werd gepleegd terwijl de voorlopige hechtenis van verdachte voor het feit van 14/15 januari 2013 onder voorwaarden was geschorst.

Gelet hierop acht de rechtbank voor de feiten 1 en 4 een gevangenisstraf van negen respectievelijk tien weken passend.

Bij verdachte werden voorts aangetroffen 72 gram hennep (feit 2), een honkbalknuppel (feit 3) en twee vlindermessen (feit 5). Voor de feiten 2 en 5 acht de rechtbank een gevangenisstraf van één week per feit passend. Voor feit 3, een overtreding, zal de rechtbank aan verdachte een hechtenis voor de duur van drie dagen opleggen.

Van de op te leggen gevangenisstraf van 147 dagen zal de rechtbank bepalen dat 30 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het bieden van hulp aan de verdachte en, in het verlengde daarvan, aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de reclassering, nu zij de noodzaak hiervan inziet. De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere voorwaarde, inhoudende de klinische behandeling van verdachte, niet in strijd is met de jurisprudentie van de Hoge Raad, nu het de rechtbank is die bepaalt:

  • -

    dat de klinische behandeling dient plaats te vinden en in welke gevallen, en

  • -

    wat de maximale duur van deze behandeling zal zijn.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Nietigheid dagvaarding

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 6 nietig;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte voor feit 3 tot een hechtenis voor de duur van 3 dagen;

  • -

    veroordeelt verdachte voor de feiten 1, 2, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 147 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar (een van) de algemene voorwaarden of (een van) de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich binnen vijf dagen na zijn invrijheidstelling telefonisch meldt bij GGZ Reclassering Mondriaan (telefoonnummer[telefoonnummer]), waarna hij zich blijft melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    deelneemt aan de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve Vaardigheden;

  • -

    zich laat behandelen voor zijn ADHD-problematiek bij (Forensische) Verslavingszorg, Centrum Forensische Psychiatrische Zorg, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    binnen het ambulante behandeltraject voor de duur van maximaal zeven weken klinisch wordt opgenomen vanwege crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, tenzij de reclassering dit niet noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

  • -

    op het moment dat de mogelijkheid hiertoe bestaat verblijft in Exodus Heerlen of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis – waaronder op de voet van het bepaalde bij artikel 72, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld – gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2013.

Buiten staat

Mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700026-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 19 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te[geboortedatum en plaats],

thans preventief gedetineerd[detentieadres]

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 5 juni 2013 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.