Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:4123

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-07-2013
Datum publicatie
05-07-2013
Zaaknummer
AWB 11 / 1568
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning voor onder meer het realiseren (verplaatsen) van een woonwagen (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Door partijen is niet betwist en de rechtbank stelt vast dat voor de exploitatie van het in de woonwagen gevestigde kledingbedrijf van eiseres geen vergunning nodig is. Voor de exploitatie van de onderneming als zodanig kan het Bibob-instrumentarium derhalve niet (zelfstandig) worden ingezet. Naar het oordeel van de rechtbank liggen de activiteiten verplaatsen van de woonwagen, waarop de bouwvergunning ziet, en het (niet vergunningplichtig) exploiteren van de kledingzaak niet in elkaars verlengde, waardoor niet aan het voor toepassing van het Bibob-instrumentarium geldende samenhangvereiste is voldaan. Door partijen is niet betwist dat de door het LBB geconstateerde feiten voornamelijk zijn gepleegd bij de exploitatie van een autohandel. Voorts is door partijen niet betwist dat hetgeen in de bouwvergunning is aangevraagd reeds geruime tijd is gerealiseerd en dat hierbij geen strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Tevens heeft de aangevraagde bouwvergunning slechts betrekking op het verplaatsen van een reeds bestaande kledingzaak en houden de gepleegde strafbare feiten daarmee geen verband. Gelet hierop bieden de in de adviezen van het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur opgenomen feiten en omstandigheden naar oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de bouwvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 1568

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2013 in de zaak tussen

[belanghebbende], eiseres

(gemachtigde: mr. I.P. Sigmond),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. N. Emre en mr. G. Marcus-Silletti).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor het verlenen van een bouwvergunning voor het realiseren van een standplaats, woonwagen, berging en hekwerken op de perceel [adres] te Maastricht geweigerd wegens strijd met het bepaalde in artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet.

Bij besluit van 8 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is gevoegd behandeld met het beroep van [belanghebbende 2] onder registratienummer AWB 11/1568 ter zitting van 6 december 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na de zitting zijn de zaken gesplitst, zodat in deze zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet zijn een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1:2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag van de bouwvergunning voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Wabo is ingediend, namelijk op 15 januari 2009. In deze uitspraak wordt dan ook de Woningwet aangehaald, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wabo.

3.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, overeenkomstig de adviezen van het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (LBB) van 12 juni 2009, 5 augustus 2009 en 8 april 2011, op het standpunt dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)). Het LBB baseert dit voornamelijk op het ernstige vermoeden dat [W.S.] (ex echtgenoot van eiseres) in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot eiseres. Voornoemde [W.S.] is verdachte in een internationaal onderzoek waarbij naast deelname aan een criminele organisatie sprake is van een grootschalige internationale fraude. Tevens is door de Belastingdienst een naheffingsaanslag van ruim € 1 miljoen opgelegd. De samenhang is hierin gelegen dat de vergunning de aanvrager in staat zou stellen de vermelde strafbare feiten te plegen. Voormelde adviezen zijn volgens verweerder op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen en inhoudelijk concludent. Het persoonlijk belang van eiseres bij het oprichten van de eenmanszaak “[naam] schoenen” kan – alle belangen tegen elkaar afwegende – niet prevaleren ten opzichte van de in het geding zijnde belangen van goede handhaving en openbare orde.

4.

Eiseres voert – kort weergegeven – onder verwijzing naar een uitspraak van

12 januari 2010 van een door partijen ingeschakelde arbiter in een andere procedure aan dat verweerder het toepassingsgebied van de Wet Bibob in strijd met de bedoeling van de wetgever uitbreidt door de bouwvergunning te weigeren, omdat een ernstige mate van gevaar bestaat dat bij de exploitatie van het kledingbedrijf van eiseres strafbare feiten gepleegd gaan worden. Verweerder gebruikt hiermee de Wet Bibob met het oog op activiteiten die onvoldoende samenhang vertonen met de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Het op basis van de Wet Bibob verlangde verband tussen de bouwvergunning en de strafbare feiten ontbreekt volledig. Verweerder heeft de aanvraag voor de bouwvergunning geweigerd, omdat in de toekomst ernstig gevaar zou bestaan dat bij die activiteit strafbare feiten worden gepleegd. De activiteit waarop de aangevraagde vergunning ziet heeft al plaats gevonden, nu de woonwagen, zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, reeds is verplaatst en er sindsdien geen enkel strafbaar feit is gepleegd.

Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat er geen actueel samenwerkingsverband is tussen eiseres en [W.S.]. Een derde kan niet profiteren van het verplaatsen en opbouwen van de woonwagen van eiseres. Tevens is op geen enkele wijze aannemelijk dat [W.S.] de genoemde strafbare feiten heeft gepleegd en is evenmin sprake van een redelijkerwijs doen vermoeden.

5.

In artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat in afwijking van artikel 44, eerste lid, en artikel 56a, tweede en derde lid, de reguliere bouwvergunning tevens kan worden geweigerd door het openbaar bestuur in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voorzover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen.

In artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob is bepaald dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

  1. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

  2. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

  3. de aard van de relatie en

  4. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob is bepaald dat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het derde lid staat, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

6.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder het toepassingsgebied van de Wet Bibob ten onrechte in strijd met de bedoeling van de wetgever uitbreidt door bij de weigering van de aanvraag voor de bouwvergunning feiten en omstandigheden mee te wegen die samenhangen met de exploitatie van de onderneming ten behoeve waarvan de bouwvergunningen (mede) zijn aangevraagd, overweegt de rechtbank als volgt.

7.

Allereerst is van belang dat een bestuursorgaan op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer uitspraak van 27 december 2012, LJN BY7372, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

8.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toestemming van eiseres kennis te hebben genomen van de adviezen van het LBB overweegt de rechtbank als volgt.

9.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Bibob wordt in de Wet Bibob en de daarop rustende bepalingen onder beschikking verstaan een beschikking ter zake van een subsidie, alsmede een beschikking ter zake van een vergunning, toekenning of ontheffing als bedoeld in een aantal limitatief opgesomde bepalingen, waaronder begrepen onderhavige bouwvergunningen. Het Bibob-instrumentarium kan derhalve enkel worden ingezet voor de in dit artikel genoemde vergunningen. De selectie van vergunningen waarop het BIBOB-instrumentarium kan worden toegepast, heeft onder andere plaatsgevonden naar aanleiding van het beeld van de risico’s van criminele invloeden van bepaalde sectoren en soorten inrichtingen dat is geschetst in het rapport van de Parlementaire Enquête Opsporingsmethoden (Kamerstuk 1999-2000, 26883, nr. 3, p. 21, Tweede Kamer). Door partijen is niet betwist en de rechtbank stelt vast dat voor de exploitatie van het in de woonwagen gevestigde kledingbedrijf van eiseres geen vergunning nodig is. Voor de exploitatie van de onderneming als zodanig kan het BIBOB-instrumentarium derhalve niet (zelfstandig) worden ingezet.

10.

Blijkens de Memorie van Toelichting houdt het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob vermelde in dat er een duidelijk verband dient te bestaan tussen enerzijds de te verlenen of reeds verleende subsidie dan wel vergunning en anderzijds de strafbare feiten. Van activiteiten die samenhangen met die waarvoor de beschikking is gevraagd, kan worden gesproken, indien het gaat om activiteiten die in elkaars verlengde liggen. Een voorbeeld hiervan is het geval dat iemand een vergunning inzake afvalverwerking aanvraagt. Uitgaande hiervan kan worden gezegd dat transport van afval in het verlengde ligt van de afvalverwerking. Indien de betrokkene zich in het verleden heeft beziggehouden met transport van afval en in dat kader strafbare feiten heeft gepleegd, is het de vraag of hem een vergunning moet worden verleend op het terrein van de afvalverwerking. In het omgekeerde geval dient deze vraag zich uiteraard ook aan ten aanzien van de transportvergunning (Kamerstuk 1999-2000, 26883, nr. 3, p. 62-63, Tweede Kamer). De Afdeling heeft bij uitspraak van 3 juni 2009, LJN BI6087, overwogen dat voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob bepalend is of de strafbare feiten waartoe de betrokkene in relatie staat, overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning wordt verleend.

11.

De rechtbank overweegt dat een bouwvergunning voor een activiteit met een ander karakter wordt verleend dan die waarvoor een exploitatievergunning wordt verleend. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in een uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2009, LJN BI6087. Daarin overweegt de Afdeling dat een bouwvergunning wordt verleend voor andere activiteiten dan die waarvoor een exploitatievergunning wordt verleend, en dat strafbare feiten die niet tot weigering van een bouwvergunning hebben geleid met toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet Bibob, wel tot intrekking of weigering van een exploitatievergunning leiden.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat eiseres in relatie staat tot strafbare feiten, omdat zij in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [W.S.], ten aanzien van wie vermoedens bestaan dat hij strafbare feiten heeft gepleegd die samenhangen met de activiteiten waarop de aangevraagde bouwvergunning ziet. In dit geval is de aanvraag van de bouwvergunning voor het verplaatsen van de woonwagen geweigerd, omdat een ernstig gevaar zou bestaan dat bij de exploitatie van de in de woonwagen gevestigde kledingzaak strafbare feiten worden gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank liggen de activiteiten verplaatsen van de woonwagen, waarop de bouwvergunning ziet, en het (niet vergunningplichtig) exploiteren van de kledingzaak niet in elkaars verlengde, waardoor niet aan het voor toepassing van het Bibob-instrumentarium geldende samenhangvereiste is voldaan. Als gevolg daarvan kunnen de feiten in de adviezen van het LBB de in die adviezen getrokken conclusie dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen niet dragen. Verweerder heeft deze adviezen ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en de aanvraag voor een bouwvergunning geweigerd.

12.

Bovendien is voor de toepassing van het Bibob-instrumentarium vereist dat er een verband bestaat tussen de aard van de strafbare feiten die in het onderzoek van het Bureau BIBOB zijn gebleken en het te nemen besluit. Niet alle strafbare feiten zijn relevant; het gegeven dat is gebleken van een winkeldiefstal is niet direct relevant in het kader van de vraag of aan de betrokkene een milieuvergunning kan worden verleend. Alleen strafbare feiten die relevant zijn voor de activiteiten die kunnen worden ontplooid bij het gebruiken van de vergunning zullen worden verwerkt en in de motivering van het BIBOB-advies worden vermeld (Kamerstuk 1999-2000, 26883, nr. 3, p. 21-22, Tweede Kamer).

13.

Door partijen is niet betwist dat de door het LBB geconstateerde feiten voornamelijk zijn gepleegd bij de exploitatie van een autohandel. Voorts is door partijen niet betwist dat hetgeen in de bouwvergunning is aangevraagd reeds geruime tijd is gerealiseerd en dat hierbij geen strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Tevens heeft de aangevraagde bouwvergunning slechts betrekking op het verplaatsen van een reeds bestaande kledingzaak en houden de gepleegde strafbare feiten daarmee geen verband.

Gelet hierop bieden de in de adviezen van het LBB opgenomen feiten en omstandigheden naar oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de bouwvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten onrechte deze adviezen ten grondslag gelegd.

14.

De door verweerder in de pleitnota genoemde uitspraken van de rechtbank Arnhem van 11 februari 2010, LJN BL5488, en de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 24 mei 2011, LJN BQ5960, zien op andere gevallen, namelijk op de situatie die de aanvrager zelf betreffen. Voorst was de in de uitspraak van de rechtbank Arnhem gevraagde bouwvergunning afgewezen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob, terwijl in het onderhavige geval artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob is tegengeworpen.

15.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de exploitatie van de kledingzaak niet samenhangt met de activiteiten waarop de aangevraagde bouwvergunning ziet. Verweerder heeft de adviezen van het LBB niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen en is ten onrechte, overeenkomstig de adviezen van het LBB, overgegaan tot weigering van de aanvraag voor de bouwvergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet Bibob. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat een ander oordeel ertoe zou leiden dat activiteiten waarvoor geen vergunning is vereist en waarop het BIBOB-instrumentarium niet rechtstreeks kan worden toegepast eveneens onder de werkingssfeer van de Wet Bibob zouden kunnen worden gebracht. Het bestreden besluit is, gelet op het voorgaande, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12 van de Awb genomen.

De desbetreffende beroepsgronden slagen derhalve.

16.

Reeds gelet hierop is het beroep gegrond. Derhalve behoeft hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer.

17.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

18.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

19.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.N.F. Sleddens, voorzitter, en mr. M.A. Teeuwissen en mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2013.

w.g. P. van den Brekel w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.