Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:3263

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
01-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_17660u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens de gedingstukken is in het geval van eiser ten tijde van het bestreden besluit (bijna) 10 jaar geen strafrechtelijke veroordelingen meer geweest. Verweerder heeft eiser onder toepassing van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 meegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten omdat eiser veroordeeld is voor een misdrijf en daarom een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft hierbij zijn beleid toegepast zoals neergelegd in paragraaf A4/3.3. Ingevolge dit beleid levert iedere verdenking en veroordeling ter zake van een misdrijf gevaar op voor de openbare orde. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat ingevolge de beleidsregel, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 14, élke verdenking of veroordeling leidt tot de conclusie dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde, ongeacht wanneer dat heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht dit beleid kennelijk onredelijk. Dit beleid leidt er immers toe dat een vreemdeling in het kader van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 onverkort elke verdenking en veroordeling, hoe lang geleden ook, wordt tegengeworpen. Bij de vraag of sprake is van een gevaar voor de openbare orde die noopt tot verkorting van de vertrektermijn tot 0 dagen, vindt dus geen nuancering naar aard van het misdrijf, tijdsverloop en recidive plaats. Het betoog van verweerders gemachtigde ter zitting dat die afweging plaatsvindt bij het opleggen van een inreisverbod, doet niet aan dit oordeel af. Voordat verweerder bevoegd is om op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod op te leggen, dient immers eerst voldaan te zijn aan de bevoegdheidsvoorwaarden van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 om de vertrektermijn op 0 dagen te stellen. De nuancering waarnaar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verwezen komt daarna pas aan de orde, te weten bij de vraag voor welke duur een inreisverbod wordt opgelegd.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder ter beantwoording van de vraag of eiser in het kader van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 een gevaar is voor de openbare orde, niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar eisers strafrechtelijke veroordelingen en verweerders beleid op dat gebied. Verweerder heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser – ondanks het tijdsverloop en het ontbreken van recidiverend gedrag na 2002 - een gevaar voor de openbare orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 17660

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2013 in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. W.A. Venema),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 mei 2012 (het bestreden besluit). Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter gevraagd uitzetting te verbieden, zolang niet op het beroep is beslist.

Het beroep is behandeld ter zitting op 9 januari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. S.F.E. Verdonck.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 12/117663) is eveneens op 9 januari 2012 ter zitting behandeld.

Overwegingen

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2.

Eiser, die geboren is op [geboortedag] en naar eigen zeggen afkomstig is uit Grozny (Tsjetsjenië), is asielrechtelijk uitgeprocedeerd. Bij besluit van 2 december 2003 is eiser ongewenst verklaard in de zin van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 14 oktober 2004 ongegrond verklaard.

3.

Op 9 april 2010 heeft eiser om opheffing van de ongewenstverklaring verzocht. Bij besluit van 9 december 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag gegrond verklaard en het bezwaar voor wat betreft de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 september 2011 (zaaknummer AWB 10/43659) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep tegen het besluit van 9 december 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De reden hiervoor is dat verweerder ten onrechte eiser niet heeft gehoord in bezwaar. Hierop heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring opnieuw gegrond verklaard en daarnaast de ongewenstverklaring opgeheven. In dit besluit heeft verweerder eiser voorts meegedeeld dat hij op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dit gegeven is voor verweerder vervolgens aanleiding geweest om eiser in het bestreden besluit ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 een inreisverbod op te leggen. De opheffing van de ongewenstverklaring en de uitvaardiging van een inreisverbod is blijkens het bestreden besluit het gevolg van de implementatie van de zogenoemde Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG van de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven) per 31 december 2011. Het inreisverbod is opgelegd voor de duur van 3 jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het inreisverbod in dit geval drie jaren bedraagt omdat eiser bij herhaling is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

4.

Eiser betoogt in beroep onder meer dat verweerder de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht had moeten opheffen of in ieder geval tot aan het moment waarop om opheffing van de ongewenstverklaring is gevraagd. De enkele motivering dat eiser is veroordeeld ter zake van een misdrijf is volgens eiser onvoldoende om geen terugwerkende kracht te verlenen aan de opheffing van de ongewenstverklaring. Voorts heeft eiser onder meer gewezen op de omstandigheid dat hij al jaren geleden ongewenst is verklaard en dat nadien geen sprake is geweest van recidive.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Allereerst ligt ter beoordeling voor of verweerder op goede gronden geen terugwerkende kracht heeft toegekend aan de opheffing van de ongewenstverklaring.

7.

In artikel 68, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat verweerder op aanvraag van de vreemdeling kan besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring. In het tweede lid is bepaald dat de ongewenstverklaring wordt opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 hebben voorgedaan.

8.

Niet ter discussie staat dat aan een opheffing van een ongewenstverklaring terugwerkende kracht kan worden toegekend, zelfs tot voor de datum van het verzoek daartoe. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 november 2011 (LJN BU5035). Namens verweerder is ter zitting betoogd dat in het geval van eiser geen reden bestaat om de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht op te heffen. De opheffing daarvan is namelijk gecombineerd met het gelijktijdig opleggen van een inreisverbod en is uitsluitend een juridisch-technisch gevolg van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn per 31 december 2011, aldus verweerder. Voorts is namens verweerder ter zitting erop gewezen dat inmiddels ook in rechte vast staat dat materieel gezien geen aanleiding bestaat om de ongewenstverklaring op te heffen. Hiertoe heeft verweerders gemachtigde gewezen naar de inhoud van het onder rechtsoverweging 2 vermelde besluit van 9 december 2010.

9.

Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is verweerder tot opheffing van de ongewenstverklaring van eiser overgegaan omdat eiser volgens verweerder niet is uitgesloten van het toepassingsbereik van afdeling 3 van de Vw 2000. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar artikel 67 van de Vw 2000 zoals die luidt na de implementatie van de Terugkeerrichtlijn en hierin aanleiding gezien om, gelijktijdig met de opheffing, een inreisverbod op te leggen. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de reden voor opheffing van de ongewenstverklaring enkel verband houdt met de gewijzigde regelgeving per 31 december 2011 en niet heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een toets aan de materiële criteria zoals die zijn opgenomen in artikel 68 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6.6 en artikel 6.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Onder die omstandigheden heeft verweerder terecht geen reden gezien om tot opheffing van de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht over te gaan. Het betoog dat verweerder ten onrechte naar het besluit van 9 december 2010 heeft verwezen op de grond dat dit besluit bij uitspraak van 22 september 2011 is vernietigd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft toegelicht, is immers bedoeld te verwijzen naar de inhoudelijke overwegingen die in dat besluit aan de weigering tot opheffing van de ongewenstverklaring ten grondslag zijn gelegd. Die overwegingen worden geacht deel uit maken van het bestreden besluit.

10.

In beroep heeft eiser verder aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met het in het bestreden besluit ingenomen standpunt van verweerder dat eiser is veroordeeld ter zake van een misdrijf en dat dit gegeven aanleiding vormt om tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat die grond mede betrekking heeft op de beslissing om eiser geen vertrektermijn te gunnen omdat hij is veroordeeld ter zake van een misdrijf en daarom volgens verweerder een gevaar vormt voor de openbare orde.

11.

De rechtbank zal eerst beoordelen of voldaan is aan de in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid om tot verkorting van de zogeheten vertrektermijn over te gaan. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

12.

Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan verweerder bepalen dat een vreemdeling onmiddellijk Nederland moet verlaten, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

13.

In paragraaf A4/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals deze paragraaf luidde ten tijde van het bestreden besluit, is de beleidsregel neergelegd dat iedere verdenking en veroordeling ter zake van een misdrijf gevaar voor de openbare orde oplevert.

14.

Blijkens de gedingstukken heeft eiser in 2000, 2001 en 2002 meerdere misdrijven in de vorm van winkeldiefstal gepleegd waarvoor hij destijds strafrechtelijk is veroordeeld. De laatste strafrechtelijke veroordeling zoals geregistreerd in het Uittreksel Justitiële Documentatie, dateert van 24 september 2003 en betrof misdrijven die op 16 en 24 juli 2002 zijn gepleegd. Weliswaar is eiser in 2010 nog verdachte geweest wegens huiselijk geweld, maar op 30 september 2010 is tot sepot overgegaan in verband met het ontbreken van wettig bewijs. Geconcludeerd moet dan ook worden dat ten tijde van het bestreden besluit (bijna) 10 jaar geen strafrechtelijke veroordelingen meer zijn geweest en dat eiser ten tijde van het bestreden besluit ook geen verdachte ter zake van een misdrijf was.

15.

Verweerders gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat ingevolge de beleidsregel, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 13, élke verdenking of veroordeling leidt tot de conclusie dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde, ongeacht wanneer die verdenking of veroordeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht dit beleid kennelijk onredelijk. Dit beleid leidt er immers toe dat een vreemdeling in het kader van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 onverkort elke verdenking en veroordeling, hoe lang geleden ook, wordt tegengeworpen. Bij de vraag of sprake is van een gevaar voor de openbare orde die noopt tot verkorting van de vertrektermijn tot 0 dagen, vindt ingevolge het beleid dus geen nuancering naar bijvoorbeeld de aard van het misdrijf, het tijdsverloop en recidive plaats. Het betoog van verweerders gemachtigde ter zitting dat die afweging plaatsvindt bij het opleggen van een inreisverbod, doet niet aan dit oordeel af. Voordat verweerder bevoegd is om op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod op te leggen, dient immers eerst voldaan te zijn aan de bevoegdheidsvoorwaarden van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 om de vertrektermijn op 0 dagen te stellen. De nuancering waarnaar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verwezen komt daarna pas aan de orde, te weten bij de vraag voor welke duur een inreisverbod wordt opgelegd.

16.

Op grond van het onder 14 en 15 overwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder ter beantwoording van de vraag of eiser in het kader van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 een gevaar is voor de openbare orde, niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar eisers strafrechtelijke veroordelingen en naar verweerders beleid zoals vermeld onder overweging 13. Verweerder heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser – ondanks het tijdsverloop en het ontbreken van recidiverend gedrag na 2002 - een gevaar voor de openbare orde is. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarin aan eiser een vertrektermijn van 0 dagen is verleend, gegrond is en dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

17.

De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de rechtbank voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

18.

In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit nu een nadere motivering aangaande de beslissing om eiser een vertrektermijn van 0 dagen op te leggen ontbreekt. Om die reden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het gebrek leent zich dan ook niet voor een andere wijze van herstel dan door verweerder. De rechtbank ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb verweerder op te dragen het onder overweging 16 aangeduide gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Verweerder kan dit doen door nader te motiveren waarom eiser, gelet de op onder 14 en 15 gegeven overwegingen, een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is. Indien verweerder concludeert dat dit bij eiser niet (meer) het geval is, dient verweerder tevens aan te geven welke consequenties dit heeft voor het in het bestreden besluit opgelegde inreisverbod, gelet op het feit dat dit inreisverbod is gegrond op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

19.

De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen na verzending van deze tussenuitspraak, kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De termijn waarbinnen verweerder dit gebrek kan herstellen, wordt door de rechtbank met toepassing van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb bepaald op zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak. Indien en zodra verweerder gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, zal eiser in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk haar visie te geven op de wijze waarop dat gebrek is hersteld. In de einduitspraak zal de rechtbank, mede op basis van de reactie van eiseres, een oordeel geven over de wijze van herstel van het geconstateerde gebrek en over proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek;

stelt verweerder in de gelegenheid zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen veertien dagen na verzending van deze tussenuitspraak, kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het onder overweging 16 geconstateerde gebrek te herstellen;

  • -

    bepaalt dat verweerder, indien hij gebruik maakt van deze mogelijkheid, in de gelegenheid wordt gesteld binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak dit gebrek te herstellen, met inachtneming van wat de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2013.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 mei 2013

Rechtsmiddel

Hoger beroep tegen de tussenuitspraak is alleen mogelijk gelijktijdig met hoger beroep tegen de einduitspraak.