Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:2684

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
C-04-122011-KGRK-13-98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bevelschrift als bedoeld in artikel 57 Onteigeningswet: moet er gehoord worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Burgerlijk recht

zaaknummer: C/04/122011 / KGRK 13-98

Beschikking van 5 april 2013

van de voorzieningenrechter in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE PEEL EN MAAS,

gevestigd te Panningen,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. B.S. ten Kate,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats verweerder], [adres verweerder],

hierna te noemen [verweerder],

advocaat mr. C.F. van Helvoirt.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De gemeente heeft op 29 maart 2013 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend. Het verzoek strekt tot het geven van een bevelschrift als bedoeld in artikel 57 van de Onteigeningswet (Ow).

Bij het verzoekschrift zijn onder meer overgelegd:

  • -

    een afschrift van het tussen partijen op 22 februari 2012 gewezen onteigeningsvonnis,

  • -

    een verklaring van de griffier van 20 februari 2013 dat voormeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan,

  • -

    een afschrift van het proces-verbaal van de opneming door de deskundigen van
    23 september 2011,

  • -

    kadastrale uittreksels, waaruit blijkt dat de gemeente op 26 maart 2013 de onderhavige percelen in eigendom heeft,

  • -

    het bewijs dat het voorschot op de schadeloosstelling is betaald.

1.2.

Bij brief van zijn advocaat 28 maart 2013 heeft [verweerder] verzocht omtrent het verzoek van de gemeente te worden gehoord. [verweerder] heeft daarbij gesteld dat het afgeven van een bevelschrift ex artikel 57 Ow zonder dat hij wordt gehoord mogelijk in strijd is met de verdragsrechtelijke verplichtingen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en artikel 6 van het EVRM.

1.3.

Zowel de gemeente als [verweerder] hebben vervolgens per e-mail van 3 april 2013 van hun advocaten hun standpunt met betrekking tot het door [verweerder] verzochte verhoor nader toegelicht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Bij vonnis van 22 februari 2012 (zaaknummer [zaaknummer]) heeft de rechtbank Roermond de vervroegde onteigening uitgesproken van:

  1. het perceel kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [X], nummer [nr. 1], groot 1.58.40 ha, grondplannummer 2,

  2. het perceel kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [X], nummer [nr. 2], groot 9.04.05 ha, grondplannummer 3,

  3. het perceel kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [X], nummer [nr. 3], groot 13.48.20 ha,grondplannummer 4,

  4. het perceel kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [X], nummer [nr. 4], groot 0.13.96 ha, grondplannummer 5,

  5. het perceel kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [X], nummer [nr. 5], groot 6.81.71 ha, grondplannummer 6.

hierna te noemen de percelen.

2.2.

Voormeld vonnis is op 25 maart 2013 ingeschreven in de openbare registers, waardoor de gemeente eigenaar is geworden van die percelen.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1.

De gemeente heeft gesteld recht en belang te hebben om ter uitvoering van het werk waarvoor onteigend is de vrije beschikking te verkrijgen over het onteigende. Om die reden dient zij uiterlijk 8 april 2013 vrijelijk over het onteigende te kunnen beschikken.

3.2.

[verweerder] heeft de rechtbank verzocht te worden gehoord op het verzoek van de gemeente om een bevelschrift als bedoeld in artikel 57 onteigeningswet. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke gelegenheid niet hoeft te worden gegeven. De onteigeningswet geeft een met voldoende waarborgen omklede procedure waarin uiteindelijk door de rechter wordt beslist omtrent een vordering tot onteigening. Deze procedure voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Indien - zoals ook in het onderhavige geval - uiteindelijk onherroepelijk door de rechter op de vordering tot onteigening is beslist, kan de aldus verkregen onteigeningstitel terstond ten uitvoer worden gelegd. Onmiddellijke inbezitneming door de onteigenaar is uitgangspunt. Voor het geval de onteigende weigerachtig blijkt daaraan mee te werken, voorziet de onteigeningswet in artikel 57 in een regeling. Deze houdt in dat de voorzitter van de rechtbank een bevelschrift kan uitvaardigen gericht op de inbezitstelling van het onteigende. De betrokken wettelijke bepaling schrijft dwingend voor dat een dergelijk bevelschrift wordt gegeven en kent geen ruimte voor een nadere belangenafweging. In het systeem van de onteigeningswet heeft die belangenafweging immers al plaatsgevonden: door de onteigening is gegeven dat al hetgeen is op het onteigende dient te wijken voor het aldaar te realiseren werk, waarbij - zoals hiervoor al is gezegd - de onteigening terstond ten uitvoer kan worden gelegd.

Gegeven deze uitgangspunten van de onteigeningswet zou het bieden van een gelegenheid te worden gehoord zonder betekenis zijn. Met hetgeen dan naar voren gebracht zou worden, zou immers geen rekening kunnen worden gehouden. Dit zou in een uitzonderlijk geval anders kunnen zijn bijvoorbeeld als sprake zou zijn van een als gevolg van gewijzigde omstandigheden afzien van de uitvoering van het werk waarvoor is onteigend. Een dergelijke situatie is hier echter niet gesteld of gebleken. [verweerder] heeft in de correspondentie betreffende zijn verzoek te worden gehoord een dergelijke situatie niet aangevoerd en uit de inhoud van het verzoekschrift blijkt dat de gemeente voornemens is op korte termijn met de realisering van het werk te beginnen.

3.3.

De slotsom is dat geen gelegenheid zal worden geboden om te worden gehoord en de rechtbank zal direct overgaan tot afgifte van de beschikking, nu de gemeente bij haar verzoek heeft voldaan aan de vereisten van artikel 57 Ow.

3.4.

Aan [verweerder] zal een termijn worden gegund van vier weken na betekening van deze beschikking, teneinde het onteigende alsnog vrijwillig te ontruimen.

4 Beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

beveelt dat de gemeente binnen uiterlijk vier weken na betekening van deze beschikking in het bezit van de hiervoor onder 2.1 genoemde percelen wordt gesteld;

4.2.

veroordeelt [verweerder] om die percelen binnen voormelde termijn met al de zijnen en het zijne te ontruimen en ter vrije beschikking van de gemeente te stellen;

4.3.

machtigt de gemeente het in deze beschikking bepaalde na voormelde termijn zelf ten uitvoer te doen leggen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

4.4.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de kosten van dit bevelschrift, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 589,-- aan griffierechten en op € 384,-- aan salaris ten behoeve van de advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op

5 april 2013.

TC