Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:12769

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
04/126299/ HA RK 13-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking rechter-commissaris.

Niet informeren raadsman.

Rc heeft gehandeld conform overeenkomstig eerdere beslissing die niet de aanleiding was voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum uitspraak: 7 november 2013

Zaaknummer: 04/126299/ HA RK 13-172 Roermond

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker] , (hierna: verzoeker), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

gemachtigde: mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo,

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. A.J.M. Huisman-Kreijn, rechter-commissaris (hierna ook: de rechter).

Procesverloop

1.

Voorafgaand aan het verhoor van een uit Letland overgekomen getuige S. in de zaak met parketnummer [parketnummer] heeft mr. Heuvelmans betoogd dat de rechter zich dient te verschonen op de grond dat zij zich in de visie van de advocaat niet goed van haar taak als rechter-commissaris heeft gekweten. De rechter heeft meegedeeld geen reden te zien zich te verschonen en heeft zich genoodzaakt gezien haar taak neer te leggen in afwachting van een oordeel van de wrakingskamer.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen, waarvan deel uitmakend een schriftelijke standpuntbepaling van mr. Heuvelmans over het voorgenomen getuigenverhoor op 7 november 2013, alsmede de beschikking van de rechter-commissaris van 3 oktober 2013, is aan mr. Heuvelmans en aan de officier van justitie, mr. S.A.L. Kuipers, gestuurd.

3.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 7 november 2013 ter zitting behandeld. Bij deze behandeling zijn de advocaat, de rechter en de officier van justitie verschenen. Mr. Zukketto is als raadsman van een medeverdachte met instemming van mr. Heuvelmans, de rechter en de officier van justitie bijzondere toegang verleend. Na een schorsing van de behandeling is diezelfde middag onder mededeling van de gronden waarop deze berust mondeling uitspraak gedaan; dit onder de mededeling dat de uitspraak zo spoedig mogelijk op schrift wordt gesteld en aan partijen wordt toegezonden.

De gronden van het wrakingsverzoek

4.

Ter terechtzitting van de rechtbank op vrijdag 1 november 2013 is de zaak van verzoeker terugverwezen naar de rechter-commissaris voor verhoor van getuige S. op 7 november 2013. Deze getuige is daaraan voorafgaand door rechercheurs van de politie gehoord op 5 en 6 november. De advocaat is van mening dat de verdediging tijdig op de hoogte had moeten zijn gebracht van het feit dat S. op 5 en 6 november zou worden verhoord. Voorts had volgens de advocaat de rechter-commissaris behoren te beletten dat de getuige S. buiten aanwezigheid van de verdediging zou worden verhoord. Nu de rechter-commissaris zich niet van deze taken heeft gekweten, is zij nu en in de toekomst niet meer onbevangen in haar beoordeling.

Het standpunt van de rechter

5.

De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat zij er niet is om de officier van justitie te leiden, dat zij niet wist dat de officier de verdediging niet had geïnformeerd en dat zij geen reden heeft gezien dat te doen. De rechter heeft er op gewezen dat haar standpunt over het horen van getuigen buiten de aanwezigheid van de verdediging uit de beschikking van 3 oktober 2013 duidelijk was.

Het standpunt van de officier van justitie

6.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een actie die tot wraking zou kunnen leiden, nu de verdediging op de hoogte was van de opstelling van zowel het Openbaar Ministerie als van de rechter-commissaris. Het rechtshulpverzoek om getuige S. naar Nederland te halen voor een verhoor door de politie liep al en is aangepast om dan ook het verhoor door de rechter-commissaris aansluitend te doen plaatsvinden.

De beoordeling van het verzoek

7.

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de – ook objectief gerechtvaardigde – conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

8.

De wrakingskamer gaat voorbij aan de vraag op welke wijze en wanneer het verzoek tot wraking precies is gedaan nu ter zitting is komen vast staan dat, nu de rechter zich niet wenst te verschonen, de advocaat haar wraakt.

9.

De eerste grond die ten grondslag is gelegd aan het verzoek tot wraking, het niet informeren van de raadsman over de verhoren die in het kader van het opsporingsonderzoek zouden plaatsvinden voorafgaand aan het verhoor bij de rechter-commissaris, kan niet tot een gegrondverklaring van het wrakingsverzoek leiden. Hoewel het de rechter-commissaris of wellicht nog meer de officier van justitie zou hebben gepast van het plaatsvinden van deze verhoren melding te maken aan de verdediging, is de verdediging door het achterwege blijven van die melding niet in een belang geschaad. Immers het recht op een kritische ondervraging van de getuige bij de rechter-commissaris is in stand gebleven. Dat er door het voorafgaand uitgebreid, en wellicht sturend, horen van de getuige anders aangekeken kan worden tegen de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaringen, staat uiteindelijk ter beoordeling van de zittingsrechter en doet aan het vorenstaande niet af.

10.

De wrakingskamer is verder van oordeel dat de advocaat zich op de aangevoerde wrakingsgrond inhoudende dat de rechter-commissaris had behoren te beletten dat de politie de getuige S. buiten aanwezigheid van de verdediging zou horen in de dagen voorafgaand aan het verhoor bij de rechter-commissaris, thans niet met succes kan beroepen. Immers de rechter-commissaris heeft reeds in de beschikking van 3 oktober 2013 een oordeel gegeven over het door de raadsman ter zake ingenomen standpunt. Indien de raadsman van mening is dat hierin een omstandigheid is gelegen die zou leiden tot het oordeel dat de rechter-commissaris vooringenomen was, had de raadsman op dat moment een verzoek tot wraking kunnen en moeten indienen, gelet op het bepaalde in artikel 37, eerste lid, Rv. Het feit dat nu feitelijk door de rechter-commissaris is gehandeld overeenkomstig het door de rechter-commissaris op 3 oktober 2013 ingenomen oordeel, maakt dit niet anders. Niet is immers gebleken dat de verdediging daar iets tegen heeft ondernomen, noch bij de rechter-commissaris, noch bij de rechtbank op 1 november 2013, terwijl dat wel op haar weg zou hebben gelegen in geval van een fundamenteel meningsverschil.

De rechter-commissaris heeft in die beschikking duidelijk verwoord hoe zij tegenover het horen van getuigen buiten de aanwezigheid van de verdediging staat en wel dat zij daarin geen probleem ziet. Dat de rechter-commissaris vervolgens handelt overeenkomstig haar ingenomen en geuite standpunt, behoeft dan ook geen verbazing te wekken en kan thans niet meer tot een gegrondverklaring van het verzoek leiden.

11.

Op grond van vorenstaande overwegingen slaagt het verzoek tot wraking van de rechter dan ook niet.

Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank verklaart het verzoek tot wraking van mr. A.J.M. Huisman-Kreijn ongegrond en wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. F. Oelmeijer (voorzitter), mr. J.W. Rijksen en mr. M.J.A.G. van Baal, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2013.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.