Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:12757

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
C/04/125428 / HA RK 13-120
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het feit dat voor de zaken van betrokkene 30 minuten zijn uitgetrokken en het feit dat andere zaken buiten zitting zijn afgedaan kan niet leiden tot de aanname van objectiveerbare partijdigheid of schijn van partijdigheid bij de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum beslissing: 18 december 2013

zaaknummer: C/04/125428 / HA RK 13-120

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. P.J.M. Bruijnzeels, rechter in deze rechtbank (hierna ook: de rechter).

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het navolgende:

- Het door verzoeker ingediende wrakingsverzoek d.d. 19 september 2013.

- Het door verzoeker ingediende wrakingsverzoek d.d. 27 september 2013 waarbij verzoeker de in verband met het eerste wrakingsverzoek samengestelde wrakingskamer wraakt.

- De beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank Limburg d.d. 29 oktober 2013, waarbij het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

- Het wrakingsverzoek van 21 november 2013 strekkende tot wraking van de wrakingskamer die op 29 oktober 2013 op het wrakingsverzoek van 27 september 2013 heeft beslist.

- Het ter zitting van 22 november 2013 door verzoeker gedane wrakingsverzoek strekkende tot wraking van mr. M.P.F. van Dooren, voorzitter van de wrakingskamer.

- Het proces-verbaal van de wrakingskamer d.d. 22 november 2013.

- De brief van de secretaris van de wrakingskamer d.d. 27 november 2013, waarin aan verzoeker is medegedeeld dat zijn wrakingsverzoeken van 21 november 2013 en 22 november 2013 niet in behandeling zullen worden genomen.

- De zitting van de wrakingskamer d.d. 11 december 2013. Er is geen proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechter heeft de wrakingskamer laten weten dat hij niet in het wrakingsverzoek berust

1.3.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 11 december 2013 ter zitting behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen en heeft zijn verzoek nader toegelicht. De rechter is

- met bericht van verhindering - niet ter zitting verschenen.

2 De grond van het wrakingsverzoek

2.1.

Als grond voor het wrakingsverzoek is onder meer het volgende aangevoerd. Verzoeker stelt dat de rechter niet onpartijdig is, nu hij voor drie grote rechtszaken van verzoeker slechts 30 minuten heeft uitgetrokken. Daarnaast heeft de rechter in de kwestie van verzoeker tegen de Gemeente Roermond en van verzoeker tegen de Belastingdienst Limburg uitspraak gedaan zonder verzoeker ter zitting te hebben gehoord.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter stelt in een schriftelijke reactie d.d. 24 september 2013 zich niet te kunnen herkennen in de door verzoeker aangedragen argumenten. Gelet op de onderlinge samenhang zijn de drie zaken van verzoeker gezamenlijk op een zitting gepland. De aangegeven behandelduur is een richttijd; mocht er meer tijd nodig zijn dan wordt die extra tijd voor de zaken uitgetrokken.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.2.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

4.3.

Door verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest zou kunnen zijn van een objectieve partijdigheid.

4.4.

Ten aanzien van het objectieve criterium wordt het navolgende overwogen. Bij de behandeling van de zaken van verzoeker bij de sector Bestuursrecht van deze rechtbank zijn standaard tijdblokken in acht genomen. Deze tijdblokken gelden niet alleen voor verzoeker maar ook voor andere rechtzoekenden. Er is bij de agendering van de zaken geen afwijkende planning ten aanzien van verzoeker gehanteerd.

4.5.

De wrakingskamer is van oordeel dat de enkele feitelijke omstandigheid dat voor de zaken van verzoeker 30 minuten zijn uitgetrokken niet kan leiden tot de aanname van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de rechter.

Daarbij geldt dat onweersproken vast staat dat indien de zaken een langere behandeltijd nodig blijken te hebben, deze extra tijd beschikbaar is.

4.6.

Ook uit het gegeven dat enkele bestuursrechtelijke zaken waarbij verzoeker betrokken is geweest, zijn afgedaan met een uitspraak buiten zitting, kan evenmin leiden tot de aanname van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de rechter. De rechter heeft in die gevallen enkel gebruik gemaakt van processuele mogelijkheden die de Algemene wet bestuursrecht hem biedt.

4.7.

Voor het overige heeft verzoeker geen relevante feiten of omstandigheden aangevoerd die tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.

Voor zover verzoeker heeft willen aanvoeren dat hij van mening is dat hem bijstand door een tolk dient te worden verleend, overweegt de wrakingskamer dat voor zover verzoeker bijstand van een tolk wenselijk acht, dit tot zijn eigen verantwoordelijkheden hoort.

4.8.

Het vorenstaande leidt tot afwijzing van het verzoek. De wrakingskamer oordeelt daarnaast dat verzoeker, door het indienen van elkaar opvolgende wrakingsverzoeken, die gebaseerd zijn op gronden die in strijd komen met de bedoeling van de wrakingsprocedure en die voorts in voorkomende gevallen gedaan worden zonder de behandeling van en de beslissing op eerdere verzoeken af te wachten, misbruik maakt van de bevoegdheid tot wraking. De wrakingskamer zal daarom bepalen, dat een volgend verzoek tot wraking op de hier bedoelde gronden niet in behandeling wordt genomen.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van mr. P.J.M. Bruijnzeels af;

- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking, gedaan op dezelfde of vergelijkbare gronden als in het onderhavige verzoek, niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.P.F. van Dooren, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en uitgesproken op

18 december 2013.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.