Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:12680

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
C/03/176038/ HA ZA 12-432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(1) Rechtbank ziet geen grond - feitelijk noch juridisch - voor toewijzing van de vordering, inhoudende het treffen van een voorziening ter waarborging van de tijdige betaling van de kinderalimentatie door de man, deze voorziening bestaande uit handhaving van een depot onder de (bij de verkoop van de gemeenschappelijke woning betrokken) notaris, met machtiging van de notaris om - in voorkomend geval - uit het depot achterstallige alimentatie te betalen.

(2) Afspraak om een ‘aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering’ af te kopen en om de afkoopwaarde te verdelen wordt, met toepassing van de Haviltex-leer, zodanig uitgelegd dat de verplichting tot afkoop en verdeling ook geldt als blijkt dat de desbetreffende verzekering los staat van de hypotheekschuld.

(3) Vergoeding van kosten die de derde maakt in verband met een derdenbeslag. Kosten van de ‘afschriften’ als bedoeld in artikel 476b lid 2 Rv komen voor rekening van de beslaglegger, want mogen op grond van artikel 477 lid 2 Rv van het door de derde uit te betalen bedrag worden afgetrokken. Wil de derde andere kosten vergoed zien, dan dienen deze - ervan uitgaande dat komt vast te staan dat het beslag op goede gronden is gelegd - te worden vergoed door de persoon die aanleiding heeft gegeven tot de beslaglegging, te weten de ‘onwillige’ schuldenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/176038 / HA ZA 12-432

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.J.G. Bisscheroux te [woonplaats 1],

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de akte vermeerdering van eis en indiening producties van [eiseres],

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de brieven houdende de mededeling dat een comparitie na antwoord is gelast van 16 januari 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 maart 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald en wel nader op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende - tussen partijen vaststaande - feiten.

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben van 1987 tot medio 2006 een affectieve relatie gehad, waaruit twee kinderen zijn geboren die thans nog minderjarig zijn.

2.2.

Partijen hebben op 21 juni 2012 ten overstaan van het Gerechtshof te Den Bosch een regeling getroffen inzake de bijdrage van [gedaagde] in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, die erop neerkomt dat [gedaagde] met ingang 1 juli 2012 een bedrag van € 150,- per kind per maand zal betalen, deze bijdrage voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen te voldoen bij vooruitbetaling. Deze regeling is neergelegd in de beschikking van het Gerechtshof van 24 juli 2012.

2.3.

Inzake de gemeenschappelijke woning zijn partijen op 21 juni 2012 ten overstaan van het Gerechtshof overeengekomen dat deze zal worden verkocht en dat de overwaarde die resteert na aflossing van de hypotheekschuld en de verkoopkosten bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld. Tevens zijn partijen als volgt overeengekomen:

‘De aan de hypotheek gekoppelde polis van levensverzekering wordt afgekocht en ieder van partijen heeft recht op de helft van de afkoopwaarde.’

Ook deze regeling is neergelegd in de beschikking van het Gerechtshof van 24 juli 2012.

2.4.

[eiseres] heeft op 31 augustus 2012 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gekregen om onder de maatschap[naam], notarissen te [woonplaats 1], beslag te leggen op het onder de notaris berustende, aan de man toekomende deel van de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning, met begroting van de vordering (in verband met de onderhoudsbijdrage en de afkoopsom van de levensverzekering) op € 30.000,-.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis en samengevat, dat de rechtbank:

primair

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van kinderalimentatie over de maanden juli en augustus 2012,

  2. voor recht verklaart dat [gedaagde] in verzuim is met de liquidatie van de op zijn naam afgesloten polis levensverzekering bij ASR met nummer 20161383 en/of met de uitkering van de afkoopwaarde van deze polis aan [eiseres],

  3. [gedaagde] veroordeelt om mee te werken (op nader door [eiseres] aangegeven wijze) aan de vorming van een depot dat dient om zeker te stellen dat hij de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen nakomt,

  4. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] af te geven een verklaring van ASR omtrent de afkoopwaarde van de polis levensverzekering met nummer 20161383, en

de door [eiseres] genoemde notaris opdracht geeft een uitkering te doen uit de onder het door [eiseres] gelegde beslag vallende gelden ten bedrage van de helft van de afkoopwaarde van de polis,

5. voorwaardelijk, voor het geval de aan beslag en betekening verbonden kosten conform de factuur van de deurwaarder van 6 november 2012 (tot het bedrag van € 355,42) niet wordt gedekt door de toevoeging, [gedaagde] veroordeelt om het genoemde bedrag van [eiseres] te betalen,

subsidiair

ex aequo et bono een in de gegeven omstandigheden passende voorziening treft.

3.2.

[eiseres] stelt hiertoe, samengevat en voor zover van belang, als volgt.

3.2.1.

[gedaagde] is in verzuim geraakt ten aanzien van de tijdige betaling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen van partijen. In de maanden juli en augustus 2012 is de bijdrage steeds meer dan 1 week te laat betaald. [eiseres] c.q. de kinderen van partijen hebben er belang bij dat een depot wordt gevormd waaruit, in voorkomend geval, de onderhoudsbijdrage kan worden betaald.

3.2.2.

In strijd met de gemaakte afspraak weigert [gedaagde] de desbetreffende polis te liquideren en de helft van de waarde (ongeveer € 3.750,-) uit te keren aan [eiseres]. [gedaagde] dient opgave te doen van de afkoopwaarde van de polis en dient de helft daarvan aan [eiseres] te betalen.

3.2.3.

De vordering inzake de beslagkosten wordt voorwaardeijk ingesteld, namelijk voor het geval de verstrekte toevoeging de gemaakte beslagkosten (en met name de exploitkosten) niet dekt.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert, samengevat en na vermindering van eis, dat de rechtbank:

  1. het op 3 december 2012 door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire derdenbeslag onder de maatschap[naam], notarissen te [woonplaats 1], opheft, althans [eiseres] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om dit beslag op te heffen;

  2. [eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag ad € 148,75 met rente;

  3. [eiseres] veroordeelt om op straffe van verbeurte van een dwangsom drie in het lichaam van de conclusie van eis in reconventie genoemde executoriale beslagen op te heffen;

  4. [eiseres] veroordeelt om op straffe van verbeurte van een dwangsom alle andere conservatoire en executoriale beslagen op vermogensbestanddelen van [gedaagde] op te heffen,

met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.6.

[gedaagde] stelt hiertoe, samengevat en voor zover van belang, als volgt.

3.6.1.

Het door [eiseres] onder de notaris gelegde derdenbelag op het hem toekomende depot is ten onrechte gelegd. [eiseres] heeft niets van [gedaagde] te vorderen. Het beslag dient daarom te worden opgeheven.

3.6.2.

De werkzaamheden van de notaris naar aanleiding van het door [eiseres] gelegde beslag heeft deze (voor een bedrag van € 297,50) aan partijen in rekening gebracht. [gedaagde] heeft de helft van dit bedrag betaald. Dat is ten onrechte, omdat [eiseres] geen grond had om het beslag te leggen, zodat [gedaagde] van [eiseres] het bedrag van € 148,75 te vorderen heeft.

3.6.3.

Ten laste van [gedaagde] zijn in het verleden door [eiseres] enkele executoriale beslagen gelegd, die tot op heden niet zijn opgeheven. Dit dient alsnog te gebeuren. [gedaagde] kan niet uitsluiten dat ten laste van hem ook nog andere conservatoire dan wel executoriale beslagen zijn gelegd. Ook deze dienen te worden opgeheven.

3.7.

[eiseres] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Inzake de onderhoudsbijdrage voor de kinderen voert [gedaagde] als volgt aan. De bijdrage over juli 2012 heeft hij betaald op 26 juli 2012. Dat is tijdig, omdat de verplichting om de onderhoudsbijdrage vooraf te betalen uitsluitend geldt voor niet-verschenen termijnen. De verplichting om vooraf te betalen is opgenomen in de beschikking van het Gerechtshof van 24 juli 2012. De verplichting om vooraf te betalen geldt daarom niet voor de betaling over juli 2012. De betaling over augustus 2012 is gedaan op 6 augustus 2012. Sneller betalen was niet mogelijk, omdat de beschikking van het Gerechtshof van 24 juli 2012 [gedaagde] pas begin augustus bereikte.

4.2.

De rechtbank heeft zich afgevraagd of de vermogensrechtelijke aanspraak op (tijdige) betaling van de onderhoudsbijdrage toekomt aan [eiseres] dan wel aan de kinderen van partijen. In het laatste geval zou het als bezwaarlijk kunnen worden gezien dat [eiseres] op eigen naam procedeert en daarmee - op het eerste oog - te kennen geeft een eigen aanspraak geldend te willen maken. De rechtbank zal deze kwestie in het midden laten, nu de (deel)vorderingen die betrekking hebben op de onderhoudsbijdrage voor de kinderen van partijen hoe dan ook zullen worden afgewezen.

4.3.

De rechtbank overweegt daartoe dat voor haar vaststaat dat [gedaagde] de onderhoudsbijdragen over juli én augustus 2012 te laat heeft betaald. Doorslaggevend acht de rechtbank het moment waarop de afspraak is gemaakt, te weten: op 21 juni 2012. Vanaf dat moment wist [gedaagde] welke verplichtingen op hem rustten. Dat [gedaagde] pas in de loop van augustus 2012 de beschikking van het Gerechtshof van 24 juli 2012 in handen heeft gekregen, is (gesteld dat dit juist is) zonder belang. Voordien had [gedaagde], zonder de beschikking in handen te hebben, immers ook al de bijdrage over juli 2012 weten te betalen. De rechtbank zal de vordering sub 1 niettemin afwijzen, omdat [eiseres] bij de gevorderde verklaring voor recht geen belang heeft nu de rechtbank, zoals hierna zal blijken, de op de vordering sub 1 voortbouwende vordering sub 3 zal afwijzen.

4.4.

Als door [gedaagde] gesteld en door [eiseres] niet (afdoende) betwist, staat vast dat [gedaagde] sinds september 2012 de onderhoudsbijdragen steeds tijdig betaalt. Daarvan uitgaande kan niet worden vastgesteld dat speciale constructies ter waarborging van de tijdige betaling van de onderhoudsbijdrage door [gedaagde] nodig zijn; het bepaalde in artikel 1:408 BW biedt voldoende waarborgen ter zake. De rechtbank voegt daaraan toe dat voor haar onduidelijk is gebleven wat, gegeven de omstandigheid dat [gedaagde] niet vrijwillig meewerkt, de wettelijke basis is om [gedaagde] te dwingen om akkoord te gaan met de in concreto door [eiseres] gevorderde voorziening (een depot onder de notaris, gevormd uit de gelden waarop beslag is gelegd, dat in stand blijft tot de onderhoudsverplichting eindigt en waaruit, indien [gedaagde] niet tijdig betaalt, de desbetreffende onderhoudsbijdrage alsnog door de notaris wordt betaald). Hoe dit ook zij, de vordering sub 3 zal worden afgewezen, omdat de noodzaak om een speciale voorziening te treffen niet is gebleken.

4.5.

Inzake de polis bij ASR stelt [gedaagde] dat de afspraak tussen partijen inhield dat de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering zou worden afgekocht en dat ieder van partijen recht zou hebben op de helft van de afkoopwaarde. De afspraak werd gemaakt onder de ontbindende voorwaarde dat zou blijken dat de ASR-verzekering inderdaad aan de hypotheekschuld was gekoppeld. Nadien is [gedaagde] gebleken dat deze koppeling niet bestond, zodat ook geen sprake is van een afkoopwaarde die in het kader van de afwikkeling van de verkoop van de gezamenlijke woning kan worden verdeeld. Daardoor is de ontbindende voorwaarde ingetreden. Partijen zijn nooit gehuwd geweest. Er is geen reden waarom [gedaagde] de waarde van een aan hem toebehorende polis, die met de gezamenlijke woning geen verband houdt, met [eiseres] zou moeten delen. Naast de verzekering bij ASR heeft [gedaagde] verscheidene andere levensverzekeringen en lijfrentepolissen. (Ook) deze gaan [eiseres] niet aan. Al jarenlang vindt in verband met de ASR-verzekering geen premie-inleg plaats. Daaraan kan dus geen argument worden ontleend om [eiseres] aanspraak te geven op de helft van de opgebouwde waarde.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [gedaagde] geen doel treft. Op basis van de stellingen van partijen staat vast dat zowel [eiseres] als [gedaagde] in juni 2012 hebben verondersteld dat de ASR-verzekering onlosmakelijk was verbonden aan de hypotheekschuld van partijen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat partijen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat de koppeling niet bestond. Daarvan uitgaande ligt het niet voor de hand dat de afspraak voorwaardelijk is gemaakt in de door [gedaagde] gestelde zin. De tekst van de afspraak, zoals uiteindelijk opgenomen in de beschikking van het Gerechtshof van 24 juli 2012 (zie. r.o. 2.3.), biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten.

4.7.

Dit betekent dat [eiseres] en [gedaagde] op 21 juni 2012 een afspraak hebben gemaakt die beide partijen op dit moment bindt. Bij de uitleg van de afspraak dient de rechtbank te letten op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981/625, Haviltex). Bezien tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat aan de woorden ‘aan de hypotheek gekoppelde’ geen doorslaggevend belang kan worden gehecht, zeker niet vanuit de optiek van [eiseres]. In het kader van de (verschillende financiële kwesties omvattende) regeling heeft zij er op 21 juni 2012 op vertrouwd - en mocht zij erop vertrouwen - dat de gemaakte deelafspraak inzake de ASR-verzekering haar op korte termijn en zonder meer de helft van de afkoopwaarde (neerkomend op een bedrag van ongeveer € 3.500,-) zou opleveren.

4.8.

Op basis van deze uitleg kan [eiseres] op dit moment jegens [gedaagde] aanspraak maken op een vergoeding ter hoogte van de helft van de waarde van de ASR-verzekering (de tevens overeengekomen ‘afkoop’ van de verzekering laat de rechtbank verder buiten beschouwing, nu deze verband houdt met de - niet bestaande - koppeling aan de hypotheekschuld). De meest voor de hand liggende peildatum voor de waardebepaling is 21 juni 2012. Gegevens over de waarde van de levensverzekering op die datum zijn niet beschikbaar. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de inhoud van de brief van ASR van juli 2012 (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie). Daaruit blijkt dat de waarde van de verzekering op 1 januari 2011

€ 7.468,13 bedroeg en op 31 december 2011 € 7.124,09. Verder blijkt uit de brief dat de waardedaling naar verwachting zal doorzetten. ASR becijfert de uiteindelijke waarde zelfs op € 0,-. Lettend op een en ander zal de rechtbank ervan uitgaan dat de waarde van de levensverzekering op 21 juni 2012 kan worden gesteld op € 6.950,-. Dit betekent dat [eiseres] jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op betaling van € 3.475,-. De rechtbank zal [gedaagde] daartoe dan ook veroordelen (en tevens, en in zoverre, de vordering tot verklaring voor recht sub 2 toewijzen).

4.9.

[eiseres] heeft gevorderd dat de rechtbank de door [eiseres] genoemde notaris opdracht geeft een uitkering te doen uit de onder het door [eiseres] gelegde beslag vallende gelden ten bedrage van de helft van de afkoopwaarde van de polis. Zoals hierna zal blijken, zal de rechtbank het beslag gedeeltelijk opheffen, namelijk voor zover het is gelegd in verband met de vordering tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen van partijen. De rechtbank zal verder verstaan dat het beslag gehandhaafd blijft voor zover het is gelegd in verband met de - hier aan de orde zijnde - vordering tot betaling van de helft van de waarde van de ASR-verzekering. Uitgaande van de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.475,- aan [eiseres], is het aan [eiseres] om te beslissen of en zo ja, hoe zij de betaling door [gedaagde] (zo nodig) wil afdwingen. Een opdracht aan de notaris, zoals gevorderd, om het desbetreffende bedrag aan [eiseres] uit te keren uit de door het beslag getroffen gelden, voegt niets toe aan de executiebevoegdheid die [eiseres] aan dit vonnis kan ontlenen. Het desbetreffende onderdeel van de vordering sub 4 zal de rechtbank daarom afwijzen.

4.10.

De vordering sub 5 is voorwaardelijk ingesteld. [eiseres] heeft de rechtbank niet bericht dat de voorwaarde (verband houdend met de aan [eiseres] verstrekte toevoeging) is vervuld, zodat de rechtbank niet toekomt aan het geven van haar oordeel ter zake.

4.11.

Inzake de proceskosten heeft [eiseres] geen vordering ingesteld. De rechtbank zal ambtshalve beslissen. Gelet op de relatie tussen partijen (en mede gelet op de uitkomst van de procedure in conventie) zal de rechtbank beslissen dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.12.

[gedaagde] vordert onder 1 de opheffing van het onder de notaris gelegde derdenbeslag, stellende dat [eiseres] niets van hem, [gedaagde], te vorderen heeft. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist in r.o. 4.8. is in de onderhavige procedure komen vast dat [eiseres] wel degelijk iets te vorderen heeft van [gedaagde]. In verband met de onderhoudsbijdrage voor de kinderen is daarentegen niet komen vast te staan dat [gedaagde] zijn verplichtingen in de toekomst niet zal willen voldoen. In zoverre kan inmiddels worden geoordeeld dat geen grond bestaat om het beslag te handhaven. De rechtbank zal daarom bepalen dat het door [eiseres] onder de maatschap[naam], notarissen te [woonplaats 1], gelegde beslag wordt opgeheven voor zover het is gelegd ter verzekering van de nakoming van [gedaagde]’ verplichting tot betaling van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen van partijen. Voor de duidelijkheid zal de rechtbank verstaan dat het beslag gehandhaafd blijft voor zover het is gelegd ter verzekering van de nakoming van [gedaagde]’ verplichting tot betaling aan [eiseres] van de helft van waarde van de ASR-verzekering, deze vorering te begroten op (€ 3.475,- + 30% =) € 4.520,-.

4.13.

De vordering sub 2, strekkende tot veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag ad € 148,75 met rente zal worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het genoemde bedrag reeds daadwerkelijk (aan de notaris) heeft betaald. Voor de duidelijkheid wijst de rechtbank er op dat de kosten die de derde maakt in verband met een beslag in één geval voor rekening van de beslaglegger komen. Dit is het geval waar het betreft de kosten van de ‘afschriften’ als bedoeld in artikel 476b lid 2 Rv. Deze mogen op grond van het bepaalde in artikel 477 lid 2 Rv van het door de derde uit te betalen bedrag worden afgetrokken. Indien en voor zover de derde andere in verband met het beslag gemaakte kosten vergoed wil zien, ligt het voor de hand dat zij - ervan uitgaande dat komt vast te staan dat het beslag op goede gronden is gelegd - uiteindelijk worden gedragen door de persoon die aanleiding heeft gegeven tot de beslaglegging, te weten de ‘onwillige’ schuldenaar. In de onderhavige situatie betekent dit dat eventuele kosten van afschriften als bedoeld in artikel 476b lid 2 Rv voor rekening van [eiseres] komen. De overige door de notaris in verband met het derdenbeslag gemaakte kosten dienen, indien en voor zover de notaris deze in rekening wil brengen, door [gedaagde] te worden gedragen. Zijn opstelling inzake de ASR-verzekering heeft immers (mede) geleid tot de beslaglegging. De rechtbank geeft partijen in overweging om op deze basis de verkoop van de gezamenlijke woning - onderling en met de notaris - financieel af te wikkelen.

4.14.

[gedaagde] vordert in de conclusie van eis in reconventie [eiseres] te veroordelen om op straffe van verbeurte van een dwangsom vier executoriale beslagen (onder Nationale-Nederlanden, Avero Achmea, Goudse Levensverzekeringen N.V. en op [gedaagde]’ inboedel) op te heffen. De rechtbank begrijpt dat deze beslagen zijn gelegd om betaling van volgens [eiseres] door [gedaagde] verschuldigde onderhoudsbijdragen voor de kinderen van partijen af te dwingen. De rechtbank begrijpt verder, gelet op de door [gedaagde] overgelegde producties, dat deze beslagen dateren uit 2009 en dat zij zijn gelegd in verband met aanspraken waarvan, in elk geval sedert de op 21 juni 2012 getroffen regeling, vaststaat dat zij niet (langer) bestaan.

4.15.

[eiseres] erkent dat de beslagen ten gevolge van de op 21 juni 2012 getroffen regeling konden vervallen, maar dat zij door de beide advocaten over het hoofd zijn gezien. Nadat [gedaagde] de getroffen regeling niet tijdig en volledig nakwam, heeft [eiseres] enige tijd geweigerd om de beslagen op te heffen. Inmiddels, zo stelt [eiseres] in de conclusie van antwoord in reconventie, heeft zij de beslagen opgeheven, zodat [gedaagde] geen belang heeft bij toewijzing van de vordering.

4.16.

Tijdens de comparitie na antwoord is komen vast te staan dat het beslag onder Nationale-Nederlanden daadwerkelijk is opgeheven. [gedaagde] heeft in zoverre zijn vordering verminderd. Ten aanzien van de andere drie beslagen heeft [gedaagde] zijn vordering gehandhaafd. Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat (ook) zij van mening is dat de drie beslagen dienen te worden opgeheven. [eiseres] heeft tijdens de comparitie na antwoord niet kunnen aantonen dat de beslagen daadwerkelijk zijn opgeheven. De rechtbank zal daarom de (verminderde) vordering sub 3 toewijzen op de wijze als neer te leggen in het dictum van dit vonnis.

4.17.

De vordering sub 4 betreft de opheffing van ‘alle andere conservatoire en executoriale beslagen op vermogensbestanddelen van [gedaagde]’. Deze vordering zal wegens haar onbepaaldheid worden afgewezen.

4.18.

De rechtbank ziet geen reden om, zoals gevorderd door [gedaagde], [eiseres] te veroordelen in de proceskosten. Gelet op de relatie tussen partijen (en mede gelet op de uitkomst van de procedure in reconventie) zal de rechtbank beslissen dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiseres] in verzuim was met de uitkering van de helft van de afkoopwaarde van de op zijn naam afgesloten polis levensverzekering bij ASR met nummer 20161383 aan [eiseres];

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag ad € 3.475,-;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart de veroordeling sub 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.6.

heft op het door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire derdenbeslag van 3 september 2012 onder de maatschap[naam], notarissen te [woonplaats 1], voor zover het is gelegd ter verzekering van de nakoming van [gedaagde]’ verplichting tot betaling van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen van partijen;

5.7.

verstaat dat het sub 5.6. bedoelde beslag gehandhaafd blijft voor zover het is gelegd ter verzekering van de nakoming van [gedaagde]’ verplichting tot betaling aan [eiseres] van de helft van waarde van de ASR-verzekering, deze vordering te begroten op

€ 4.520,-;

5.8.

veroordeelt [eiseres] om, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, over te gaan tot opheffing van de executoriale beslagen onder Avero Achmea, onder Goudse Levensverzekeringen N.V. en op [gedaagde]’ inboedel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag (met een maximum van € 5.000,-) voor iedere dag dat [eiseres] aan deze veroordeling niet of niet volledig voldoet;

5.9.

verklaart de veroordelingen sub 5.6. en 5.8. uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.11.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 type: WBcoll: