Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:12664

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
C/03/181389/HA ZA 13/235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Draagplicht schulden. Vanaf welk moment heeft de ene schuldenaar een aanspraak op de andere in verband met betaalde aflossing en rente? Wat is de invloed van het feit dat de betaling van aflossing en/of rente is betrokken bij de vaststelling van de alimentatie die de ene schuldenaar aan de andere schuldenaar moet betalen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/181389 / HA ZA 13-235

Vonnis van 13 november 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.J.M. Stassen te Maastricht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.M. Holmes te Maastricht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de verwijzingsbeschikking van 5 juni 2013, gewezen onder zaaknummer

C/03/156635 / S RK 10-1151,

  • -

    de akte van [eiseres] van 10 juli 2013,

  • -

    de akte van [gedaagde] van 10 juli 2013,

  • -

    de antwoordakte van [eiseres] van 4 september 2013,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] van 4 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in conventie en reconventie

2.1.

De rechtbank verwijst allereerst naar de beschikkingen van 9 april 2013 en 5 juni 2013, gewezen onder zaaknummer C/03/156635 / S RK 10-1151. In het navolgende zullen de ook in die beschikkingen aangehaalde onderwerpen aan de orde komen.

Krediet FDH

2.2.

Allereerst dient beoordeeld te worden wat de omvang is van de draagplicht van ieder van partijen ten aanzien van deze gezamenlijk aangegane schuld.

2.2.1.

De schuld vloeit voort uit de schriftelijke overeenkomst van 4 februari 2004 (bijlage 2 van [eiseres]), waarbij aan partijen door FDH een maximaal krediet van € 43.430,00 is verleend. Tussen partijen staat vast dat het krediet voor een bedrag van € 22.689,00 is aangewend voor de algehele aflossing van een schuld van [eiseres] aan Defam. Niet is gesteld dat het krediet tot het maximum van € 43.430,00 is opgenomen en uit de overgelegde rekeningafschriften kan dat ook niet worden afgeleid. Daaruit blijkt van een saldo tussen ongeveer € 36.800,00 in april 2009 en ongeveer € 33.600,00 in 2013.

2.2.2.

[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat de schuld van [eiseres] aan Defam door haar is aangegaan ter aflossing van voorhuwelijkse schulden. Aangezien gesteld noch gebleken is dat deze voorhuwelijkse schulden [gedaagde] op enigerlei wijze aangingen, leidt dit er toe dat [eiseres] draagplichtig is voor de schuld aan FDH voor zover deze ziet op de schuld aan Defam.

2.2.3.

Het resterende deel van het krediet van FDH is deels besteed ten behoeve van de aanschaf van een auto voor [eiseres]. In het kader van de kwestie van de draagplicht voor het krediet discussiëren partijen over de vraag of deze auto aan [eiseres] is geschonken (standpunt [eiseres]) of niet (standpunt [gedaagde]).

De rechtbank stelt voorop dat partijen kennelijk gezamenlijk hebben besloten om voor de aanschaf van de auto gelden uit het krediet aan te wenden terwijl zij bij die gelegenheid verder geen afspraken over draagplicht hebben gemaakt. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om één van partijen alleen draagplichtig te achten voor het deel van het krediet dat is aangewend voor de auto. Anders gezegd, partijen mochten er over en weer op vertrouwen dat de gezamenlijk gekozen aanwending van gelden ten behoeve van de aanschaf van een zaak, niet slechts ten laste van een van hen zou komen. Voor zover het krediet is aangewend voor de aanschaf van de auto, zullen partijen het daarom gezamenlijk moeten dragen.

2.2.4.

[eiseres] heeft nog gesteld dat gelden uit het krediet zijn aangewend voor het aanbrengen van verbeteringen aan de tuin en de woning van de [gedaagde], hetgeen [gedaagde] heeft betwist.

Ervan uitgaande dat ook een eventuele aanwending van gelden ten behoeve van de woning en tuin is gebaseerd op een beslissing daartoe van partijen, bestaat er geen aanleiding om te oordelen dat [gedaagde] het daarmee corresponderende deel van de gezamenlijke schuld alleen zou moeten dragen (zie ook 2.2.3).

Daarnaast constateert de rechtbank dat [eiseres] ter onderbouwing van haar stelling volstaat met te stellen dat er verbeteringen zouden zijn aangebracht, zonder dat verder te concretiseren, wat betekent dat zij haar standpunt in zoverre onvoldoende heeft onderbouwd.

Ten aanzien van hetgeen mogelijk overigens vanuit het krediet is betaald, heeft geen van partijen voldoende gemotiveerd gesteld dat het een aanwending betreft die de ene partij meer aangaat dan de andere.

2.2.6.

De slotsom is dat [eiseres] op basis van het vorenstaande de schuld in hoofdsom aan FDH in beginsel voor € 22.689,00 alleen behoort te dragen en het resterende bedrag gezamenlijk met [gedaagde]. Aangezien niet is gebleken dat de opnames vanuit het krediet het totaal van

€ 36.800,00 hebben overschreden, houdt de rechtbank dit bedrag aan als het bedrag van de totaal te dragen schuld in hoofdsom. Dit betekent dat de totale schuld in hoofdsom door [eiseres] voor [€ 22.689,00 + (€ 36.800,00 -/- € 22.689 : 2 =)] € 29.744,50 moet worden gedragen en het resterende deel van € 7.055,50 door [gedaagde].

2.3.

[gedaagde] maakt aanspraak op een vergoeding jegens [eiseres] in verband met de door hem vanaf 27 mei 2009 gedane betalingen op het krediet.

2.3.1.

Hierbij geldt dat een regresvordering uit hoofde van - bezien vanuit de interne verhouding - te veel betaalde aflossing, pas ontstaat indien degene die de aanspraak claimt, de vordering voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat heeft voldaan (o.a. HR LJN: BU3784). Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd is onvoldoende om vast te stellen dat in het onderhavige geval aan dit vereiste is voldaan en geeft ook geen aanleiding om een onderzoek daarnaar te doen. Over de kwestie in hoeverre zijn betalingen betrekking hadden op aflossing heeft [gedaagde] zich immers in het geheel niet uitgelaten. Bovendien moet uit de door partijen overgelegde rekeningafschriften worden afgeleid dat vanaf het moment dat [gedaagde] de betalingen op het krediet is gaan verrichten (27 mei 2009) de schuld is gedaald met een bedrag dat lager is dan zijn aandeel.

2.3.2.

Hetgeen [gedaagde] vanaf mei 2009 aan betalingen op het krediet heeft verricht, zal geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de maandelijks aan FDH verschuldigde rentevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de rentelast in de interne verhouding tussen partijen worden beschouwd als aparte schuld die iedere termijn opkomt. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel voor iedere betaalde termijn een aanspraak heeft op vergoeding door [eiseres] van het door hem te veel betaalde. Een andere opvatting zou de onaanvaardbare consequentie hebben dat wanneer [gedaagde] alleen rente betaalt / kan betalen, hem op geen moment een regresvordering zou toekomen. De rentelasten zullen in beginsel moeten worden gedragen in de verhouding die gelijk is aan de verhouding waarin de schuld in hoofdsom partijen aangaat. In het onderhavige geval betekent dit dat [eiseres] in beginsel 81% van de rentelast zal moeten dragen en [gedaagde] 19%.

[eiseres] heeft echter aangevoerd dat de door [gedaagde] betaalde last door hem is opgevoerd in het kader van de vaststelling van de door hem te betalen partneralimentatie, op grond waarvan zij zich verzet tegen de aanspraak van [gedaagde]. De rechtbank volgt [eiseres] in deze stelling. Nu vast staat dat [gedaagde] méér alimentatie aan [eiseres] zou hebben moeten betalen wanneer de betaling op het krediet niet in de alimentatieberekening zou zijn betrokken en [gedaagde] er voor gekozen heeft die last in het kader van de alimentatieberekening op te voeren, staan de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:8 BW) er aan in de weg dat [gedaagde] over die periode niet alleen ‘profiteert’ van het draagkrachtdrukkend effect van die betaling maar ook een aanspraak op betaling uit hoofde van regres geldend kan maken. In deze procedure is aan de orde gesteld dat [gedaagde] er voor kan kiezen om de betaling niet langer ten laste van zijn draagkracht te laten komen, in welk geval er niets aan in de weg staat dat hij vanaf dat moment aanspraak maakt op betaling van [eiseres] uit hoofde van regres. [gedaagde] heeft echter nog niet ondubbelzinnig laten weten die keuze te hebben gemaakt.

De in de vorige alinea uiteengezette redenering gaat niet op voor de periode voorafgaand aan het moment dat [gedaagde] aan [eiseres] partneralimentatie verschuldigd was, derhalve tot 20 mei 2010. Daarom maakt [gedaagde] terecht aanspraak op vergoeding van een deel van de door hem over die periode betaalde lasten. Het standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] ook over die periode geen aanspraak zou toekomen omdat partijen toen nog een gezamenlijke huishouding voerden, wordt niet gevolgd. [eiseres] heeft immers niet nader onderbouwd op grond waarvan de rentelast op haar aandeel in het krediet als kosten van de huishouding zou hebben te gelden. De, hierna ook nog te bespreken, bepaling in de huwelijksvoorwaarden, waarin een nadere beschrijving van het begrip kosten van de huishouding is gegeven, biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten.

Aangezien niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] in de hier besproken periode alleen rente heeft betaald - en, gezien het overwogene onder 2.3.1., betaling aan aflossing nog niet tot een vorderingsrecht leidt - kan thans geen concreet geldbedrag worden toegekend.

Spaarrekeningen

2.4.

[eiseres] stelt gelden te hebben gestort op bankrekeningen van [gedaagde] bij Alex en NIBC en maakt aanspraak op een nominale vergoeding ter zake. Middels de als bijlagen 12 en 13 overgelegde stukken heeft [eiseres] aangetoond € 6.182,56 op de rekeningen bij Alex en NIBC te hebben gestort. Waar vast staat dat [gedaagde] rechthebbende is op het saldo op die rekeningen, althans daarover het beheer heeft, komt [eiseres] het recht op vergoeding/betaling ter hoogte van € 6.182,56 toe.

2.5.

Mede onder verwijzing naar door hem overgelegde administratieve gegevens met betrekking tot een van zijn bankrekeningen (bijlage 29 van [gedaagde]) stelt [gedaagde] dat hij op zijn beurt ten minste € 2.000,00, € 100,00 en € 300,00 heeft gestort op een rekening van [eiseres] en beroept zich - voor het geval aan [eiseres] een vergoeding wordt toegekend - op verrekening. Daarop heeft [eiseres] gesteld dat tegenover de stortingen van € 2.000,00 en

€ 100,00 op haar rekening, gelijke stortingen vanaf haar rekening naar [gedaagde]’ rekening stonden. Zij heeft dat standpunt echter niet onderbouwd met stukken uit haar administratie of gesteld dat, en zo ja waarom, zij die informatie niet voorhanden heeft. [eiseres] heeft zich verzet tegen, zoals zij het noemt, de eiswijziging van [gedaagde] ter zake van de € 300,00. Zij heeft dit verzet echter niet verder onderbouwd, zodat het wordt verworpen. Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op verrekening wordt gehonoreerd.

2.6.

[gedaagde] stelt dat er mogelijk nog meer stortingen van zijn rekening op die van [eiseres] hebben plaatsgevonden, maar dat dit niet te controleren is aan de hand van de door [eiseres] (als bijlage 9) overgelegde bankafschriften, nu daarop gegevens zwart zijn gemaakt. Bij gebreke van een verdere toelichting valt echter niet in te zien waarom [gedaagde] op dit punt afhankelijk is van de informatie die [eiseres] kan verstrekken. Het gaat hier immers om beweerdelijke overschrijvingen vanaf een rekening van [gedaagde] zelf. Aan de opmerkingen van [gedaagde] wordt daarom voorbij gegaan.

De slotsom is dat [eiseres] ter zake van boekingen tussen de bankrekening van partijen per saldo (€ 6.182,56 -/- € 2.000,00 -/- € 100,00 -/- € 300,00 =) € 3.782,56 toekomt. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf twee weken na de dag waarop dit vonnis is gewezen, aangezien niet is gebleken van een eerder moment waarop het verzuim is ingetreden.

Inboedel

2.8.

[eiseres] maakt aanspraak op afgifte van een aantal inboedelzaken (opgesomd in bijlage 7 van [eiseres]), deel uitmakend van een totale inboedel (opgesomd in bijlage 6 van [eiseres]) die volgens [eiseres] gemeenschappelijk is en moet worden verdeeld.

2.9.

[gedaagde] verweert zich met de stelling dat hij de inboedelzaken heeft aangeschaft en deze niet gemeenschappelijk eigendom zijn. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij een lijst van door hem gekochte en betaalde inboedelzaken overgelegd (bijlage 21 van [gedaagde]). Ter mondelinge behandeling heeft [gedaagde] bevestigd dat daarop alle door hem gekochte inboedelzaken staan.

2.10.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] gesteld dat van de door [gedaagde] in zijn lijst opgenomen zaken, er tien voorkomen op haar lijst van totale inboedel (bijlage 6 van [eiseres]). [gedaagde] heeft daarop gemeld dat dit er elf zijn.

2.11.

Gelet op het vorenstaande heeft als vaststaand te gelden dat van de op de lijst van [eiseres] vermelde inboedelzaken er tien of elf door alleen [gedaagde] zijn gekocht en (kennelijk) zijn eigendom zijn. Mede gelet op het bepaalde in artikel 1:131 BW, waarop [eiseres] zich beroept, moet het er voor worden gehouden dat de overige zaken gemeenschappelijk zijn. De (impliciete) stelling van [eiseres] dat de zaken die zij toegedeeld wenst te krijgen (niet meer dan) de helft van de waarde van de gemeenschappelijke (en derhalve te verdelen) zaken vertegenwoordigen, is niet weersproken. De suggestie van [eiseres] dat haar uit hoofde van verdeling meer zaken zouden moeten worden toegedeeld dan de zaken die zijn genoemd in bijlage 7, is niet verder uitgewerkt zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

2.12.

Het bovenstaande leidt er toe dat de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelzaken zal worden uitgesproken en de vordering van [eiseres] tot afgifte van zaken zal worden toegewezen voor zover betrekking hebbend op de in bijlage 7 genoemde zaken, met uitzondering van de Dolby surround set, waarvan is vastgesteld dat deze eigendom is van [gedaagde].

Kosten huishouding

2.13.

In de beschikking van 9 april 2013 is reeds vastgesteld dat elk van partijen van mening is dat zij/hij te veel heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding, die op grond van artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden moesten worden voldaan naar evenredigheid van de wederzijdse inkomens. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat partijen het eens zijn over de relevante periode (7 juli 2003 tot en met 7 augustus 2009) en de verdeelsleutel ([eiseres]: 36%, [gedaagde] 64 %). De rechtbank stelt vast dat geen van partijen een beroep heeft gedaan op het in artikel 9 van de huwelijksvoorwaarden opgenomen vervalbeding, zodat inhoudelijke behandeling van de vorderingen van partijen aan de orde is. In dat kader is relevant dat de rechtbank partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling en in de beschikking van 5 juni 2013 heeft meegedeeld dat zij ieder een nadere toelichting dienen te verstrekken en dat deze in ieder geval zal moeten bestaan uit:

- een nadere toelichting over de omvang van de gezamenlijk te dragen kosten van de huishouding over de periode 7 juli 2003 tot en met 7 augustus 2009, in ieder geval bestaande uit een uitsplitsing in de verschillende posten waaruit deze kosten bestaan en met vermelding van de op die verschillende posten betrekking hebbende bedragen, onder verwijzing naar de stukken waaruit dat blijkt,

- [ een] nadere toelichting over de door ieder van partijen gefourneerde bijdrage, waarbij [eiseres] in het bijzonder aandacht moet schenken aan haar bijdrage anders dan door overboeking van bedragen naar de bankrekening van [gedaagde], alles onder verwijzing naar de relevante bewijsstukken.

2.14.

De rechtbank oordeelt dat [eiseres] er niet in is geslaagd haar standpunt alsnog afdoende te onderbouwen.

Daarbij speelt een rol dat zij, blijkens de aan haar standpunt ten grondslag gelegde berekening (bijlage 8), tot haar bijdrage rekent:

a. a) haar betalingen op de spaarrekening(en) van [gedaagde], terwijl tussen partijen vast staat dat dit onjuist is en deze betalingen [eiseres] een aanspraak geven op terugbetaling door [gedaagde] (zie 2.4. tot en met 2.7.),

b) haar betalingen op haar eigen spaarrekening, terwijl niet, althans onvoldoende, is onderbouwd waarom die betalingen als bijdrage in de huishoudelijke kosten zouden moeten gelden,

c) haar betalingen aan Wehkamp en Visa, terwijl zonder onderbouwing - die ontbreekt - niet kan worden aangenomen dat het daarbij gaat om kosten van de huishouding,

d) haar betalingen op de schuld aan FDH, die grotendeels geen betrekking hebben op kosten van de huishouding.

Ten aanzien van de bijdrage die zou hebben bestaan uit rechtstreekse betaling van kosten geldt dat [eiseres] heeft volstaan met het overleggen van twee bankafschriften met daarop in totaal twee relevante boekingen - door haar betiteld als ‘slechts een selectie’- en een algemene verwijzing naar de eerder toegezonden bankafschriften. De laatste verwijzing heeft kennelijk betrekking op de als bijlage 9 overgelegde bankafschriften over de periode 2004 - 2009. Van [eiseres] mocht echter worden verwacht dat zij haar - door [gedaagde] betwiste - standpunt zou onderbouwen met een concrete verwijzing naar alle relevante bewijsstukken, zeker gezien de instructie van de rechtbank in de beschikking van 5 juni 2013. De algemene verwijzing naar bijlage 9 volstaat dan ook niet. Het is niet aan de rechtbank om in die stukken op onderzoek uit te gaan naar de relevante onderdelen daaruit. Hier speelt ook het belang van [gedaagde]. Als [eiseres] haar standpunt niet voldoende duidelijk naar voren brengt, hindert dat [gedaagde] in zijn verweer.

Tot slot is relevant dat [gedaagde] aan de hand van de bekende stukken heeft voorgerekend dat de door [eiseres] gestelde totale bijdrage overeenkomt met een gemiddelde bijdrage per maand die enkele honderden euro’s hoger ligt dan het netto maandelijks inkomen van [eiseres] in deze periode. Hiervoor heeft [eiseres] geen ter zake dienende verklaring gegeven.

2.15.

Ook [gedaagde] heeft echter niet voldaan aan zijn stelplicht.

Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [gedaagde] naar een rapport van een administratiekantoor (bijlage 22), waarin staat dat het is opgesteld aan de hand van door [gedaagde] ter beschikking gestelde bankbescheiden, facturen en digitale bestanden. Terecht heeft [eiseres] aangevoerd dat die onderliggende stukken, in het bijzonder de bankafschriften, in deze procedure niet door [gedaagde] zijn overgelegd, ook niet nadat in de beschikking van 5 juni 2013 expliciet om het overleggen van bewijsstukken was gevraagd. Dit betekent dat [eiseres] niet in afdoende mate in de gelegenheid is gesteld de juistheid van de aan het rapport ten grondslag gelegde aannames te toetsen.

Verder heeft [eiseres] terecht aangevoerd dat [gedaagde] de door hem opgevoerde posten ‘belastingen’ en ‘overige mutaties huishouden’ niet nader heeft geduid, wat - zeker gecombineerd met het ontbreken van de onderliggende stukken - een lacune in de onderbouwing oplevert.

2.16.

De slotsom is dat zowel de vordering van [eiseres] als die van [gedaagde] wordt afgewezen.

Woning [gedaagde]

2.17.

[eiseres] maakt aanspraak op de waardevermeerdering van de woning van [gedaagde] als gevolg van investering met overgespaard inkomen en privégeld. In de tussenbeschikking van 9 april 2013 is reeds aangehaald dat, bij gebreke van een verrekenbeding, er in beginsel slechts sprake kan zijn van een nominaal vergoedingsrecht, zulks in het geval dat gelden van [eiseres] zijn geïnvesteerd in de woning van [gedaagde]. Verder is in die beschikking al geconstateerd dat [eiseres] niet het bedrag heeft genoemd dat door haar zou zijn geïnvesteerd.

2.18.

[gedaagde] heeft betwist dat gelden van [eiseres] in zijn woning zijn geïnvesteerd, dit onder andere aan de hand van bewijstukken van door hem betaalde verbeteringen.

2.19.

Gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat [eiseres] haar standpunt, in het licht van het verweer van [gedaagde], onvoldoende heeft onderbouwd, zodat haar daarmee corresponderende vordering wordt afgewezen.

Overig

2.20.

De vorderingen van [gedaagde] houdende de betaling door [eiseres] van (beweerdelijk) door [gedaagde] betaalde kosten aan autoverzekering voor de Fiat van [eiseres] en telefoonabonnement(en) van [eiseres], worden afgewezen. Het betreft kosten die staande huwelijk zijn opgekomen en waarvan [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat deze vallen onder de kosten van huishouding. Dit betekent dat deze kosten niet apart voor verrekening in aanmerking komen, zodat er ook geen ruimte is voor een veroordeling tot betaling van deze kosten buiten het bestek van de draagplicht voor huishoudelijke kosten. Dat de vordering tot betaling op grond van deze draagplicht ook wordt afgewezen doet daar niet aan af.

Slot

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

bepaalt dat de schuld in hoofdsom aan FDH alsook de over de hoofdsom van verschuldigde maandelijkse rente door [eiseres] voor 81% moet worden gedragen en door [gedaagde] voor 19%,

3.2.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen hetgeen [gedaagde] in de periode van 27 mei 2009 tot 20 mei 2010 aan rente op de schuld aan FDH heeft betaald, voor zover het zijn draagplicht te boven ging,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om ter zake van de vergoeding voor de per saldo door [eiseres] op de spaarrekening(en) van [gedaagde] gestorte gelden aan [eiseres] te betalen € 3.782,56, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf twee weken na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

verdeelt de gemeenschappelijke inboedelzaken aldus dat aan [eiseres] worden toegedeeld de zaken die zijn vermeld in de bij wijziging van het verzoek voor wat betreft verdeling en verrekening van [eiseres] gevoegde bijlage 7, zulks met uitzondering van de Dolby surround set, met bepaling dat de overige gemeenschappelijke inboedelzaken aan [gedaagde] worden toegedeeld,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] af te geven de zaken die zijn vermeld in de bij wijziging van het verzoek voor wat betreft verdeling en verrekening van [eiseres] gevoegde bijlage 7, zulks met uitzondering van de Dolby surround set,

3.6.

verklaart de onderdelen 3.2., 3.3. en 3.5. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.1

1 type: BdB coll: