Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:12305

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
2503776 CV EXPL 13-4468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektekostenverzekeraar laat (niet voor het eerst) na om exploot van dagvaarding zo in te richten dat zowel de vordering op alle onderdelen als de stap om tegen verzekerde te gaan procederen, afdoende gerechtvaardigd wordt. Kantonrechter ziet daarin aanleiding om in ieder geval de nevenvorderingen af te wijzen, om een aanzienlijke korting op de wel zeer gedateerde hoofdvordering (premies uit het jaar 2008) toe te passen en om de proceskosten te compenseren. Volstaan wordt in verband met aard en inhoud van het geschil met één procesronde van antwoord en verweer. Mede omdat de verzekeraar zelf gemeld had geen prijs te stellen op een comparitie van partijen, zijn partijen ook niet uitgenodigd ter zitting uitleg te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 2503776 CV EXPL 13-4468

Vonnis van 11 december 2013

in de zaak

ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ

CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd en kantoorhoudend te Tilburg,

verder ook te noemen: “CZ”,

eisende partij,

gemachtigde: J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg (“GGN”)

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: “[gedaagde]”,

gedaagde partij,

in persoon procederend

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

CZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 29 oktober 2013 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding zonder productie of nader onderbouwend document (doch wel voorzien van een in algemene termen gestelde schriftelijke toelichting van de gemachtigde van CZ op procedurele aspecten van de zaak waarvoor gedagvaard is).

[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum (13 november 2013) mondeling geantwoord, beperkt verweer gevoerd en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. In verband met aard en inhoud van eis en verweer en mede met het oog op overwegingen van proceseconomische aard heeft de rolrechter aanstonds vonnis bepaald, zodat heden uitspraak gedaan kan worden. CZ heeft overigens verklaard geen prijs te stellen op een comparitie.

MOTIVERING

a. de vordering van CZ

CZ vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 536,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag aan hoofdsom van € 369,10 vanaf 29 oktober 2013 (de datum van dagvaarding) tot de volledige voldoening, alsmede tot betaling van de proceskosten.

CZ baseert haar hoofdvordering op ‘één of meerdere’ overeenkomst(en) van verzekering tegen ziektekosten (‘zorgverzekering’), in ieder geval op een overeenkomst voor een basispakket als voorzien in de Zorgverzekeringswet en mogelijk (zij laat dit bij de inleidende bespreking in het exploot geheel in het midden) ook een voor een aanvullende verzekering. Uit de opsomming in het exploot van hetgeen uit die overeenkomst(en) onbetaald gebleven is (in totaal € 369,10), valt echter op te maken dat het in deze zaak naast premie voor een basisverzekering ook om een door [gedaagde] voor in ieder geval één maand verschuldigde premie aanvullende verzekering gaat. De opsomming bevat daarnaast vier posten van steeds € 90,75 aan basispremie, net als de post van € 6,10 aan aanvullende premie betrekking hebbend op een maand in het jaar 2008. De periode die dat overzicht beslaat, loopt van 1 mei 2008 tot 1 september 2008. CZ stelt aldus een bedrag van € 369,10 ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen’ te hebben. Ondanks (herhaalde) aanmaning, zo poneert CZ verder, heeft zij ‘geen betaling van voormeld verschuldigd (totaal)bedrag kunnen verkrijgen’, zodat zij meent te kunnen constateren dat (op een ongenoemd gebleven moment en op een niet geëxpliciteerde grond) sprake is/was van ‘betalingsverzuim’. Verder heeft zij ‘zich genoodzaakt gezien’ om ‘haar vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’. ‘Door de wanbetaling van gedaagde en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering’ zegt CZ vermogensschade te lijden. Die schade is volgens het exploot samengesteld uit ‘de buitengerechtelijke incassokosten (berekend conform gebruikelijk en billijk tarief)’ en ‘de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum’. Volgens CZ komt dit erop neer dat zij recht kan doen gelden op € 90,75 aan (vergoeding van) buitengerechtelijke incassokosten met inbegrip van omzetbelasting (btw) en op € 76,23 aan ‘rente per vandaag’ (datum dagvaarding). Renteberekening noch kostenberekening is bijgevoegd. Omzetbelasting stelt CZ niet te kunnen verrekenen, zodat zij die doorberekent.

Het verweer van [gedaagde] getuigt van grote verbazing en enige verontwaardiging. Hij bestrijdt niet nog premie aan CZ schuldig te zijn, zonder overigens de juistheid van het hier genoemde uit 2008 daterende bedrag van € 369,10 te erkennen. Wel spreekt [gedaagde] uit niet te snappen waarom juist die vier maanden in 2008 (mei, juni, juli en augustus) eruit gepikt zijn en niet in één moeite door meegenomen waren in een vordering die al tot loonbeslag (en dus ook tot een veroordelend vonnis; kantonrechter) geleid heeft. Omdat CZ en haar gemachtigde [gedaagde] niet toegestaan hebben buiten rechte voor dit restant een betalingsregeling te treffen en aldus extra kosten te voorkomen, lijkt [gedaagde] ervoor te pleiten hem in ieder geval niet met de aldus veroorzaakte kosten op te zadelen.

Een oordeel over de gegrondheid van de nevenvorderingen (ook die ter zake van rente) laat [gedaagde] hiermee kennelijk aan de kantonrechter. Die referte leidt ertoe, voor zover de kantonrechter daartoe al niet ambtshalve gehouden is, dat die vorderingen summier getoetst zullen worden op rechtmatigheid en gegrondheid aan de hand van de door CZ zelf ter zake aangevoerde feitelijke fundering.

b. de beoordeling

De wijze van procederen van CZ (de inrichting van het exploot van dagvaarding) blinkt ook in deze zaak weer niet uit door inzichtelijkheid en volledigheid, zodat onvoldoende recht gedaan wordt aan de bedoelingen van de wetgever met de regels in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Die regels zijn er immers op gericht dat de rechter en de gedaagde partij met het inleidende processtuk een zo volledig, zo inzichtelijk en zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld verschaft wordt van de vordering, de ondersteunende feitelijke argumenten, de daarvoor beschikbare bewijzen en bewijsmiddelen, het buitengerechtelijke debat en de verweren / verweermiddelen van de wederpartij. Een en ander is in het bijzonder neergelegd in de artikelen 21, 85 en 111 lid 3 Rv. Door bij exploot met de hier bedoelde informatie - om het mild uit te drukken - uitermate spaarzaam op de proppen te komen, maakt CZ het primair de kantonrechter, maar ook haar wederpartij moeilijk zich een volledig beeld te vormen van de inhoud en de merites van de vordering en van de slaagkansen van een verweer. Dat er eerder geprocedeerd is tegen [gedaagde] over deze verzekeringsovereenkomst (betreffende een of meer jaren na 2008 naar valt aan te nemen), moet uit het antwoord en hetgeen daarin gezegd is over een op verzoek van CZ gelegd loonbeslag, geconcludeerd worden. Toch memoreert CZ dat niet, net zo min als zij zich kennelijk geroepen voelt te verklaren waarom zij van september 2008 tot 29 oktober 2013 gewacht heeft met processuele actie. Opmerking verdient dan ook nog dat zij in het exploot slechts (niet in het geding gebrachte) betalingsherinneringen van ’27-08-2008, 24-09-2008’ noemt, die - zelfs als zij gericht zouden zijn geweest op stuiting van de vijfjarige verjaring van een vordering als de onderhavige - niet hadden kunnen voorkomen dat [gedaagde] in deze zaak succesvol beroep op verjaring had kunnen doen (maar niet deed). Hoewel de kantonrechter niet ambtshalve verjaring aan CZ kan tegenwerpen, leidt de argumentatie van [gedaagde] wel tot een redelijkheidsoordeel dat praktisch gesproken een deel van de hoofdsom niet invorderbaar maakt. De vergaande onbillijkheid die [gedaagde] in de opstelling van CZ waarneemt, wordt door de kantonrechter overgenomen en doet hem concluderen dat het thans nog in volle omvang vorderen van een tot dusver niet in de berekening(en) meegenomen bedrag van € 369,10 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Daarom komt slechts omtrent de helft (€ 185,00) voor toewijzing aan CZ als hoofdsom in aanmerking. Had CZ eerder een milder standpunt ten aanzien van die oude schuld betrokken, dan was bovendien vrijwel zeker een tweede procedure voorkomen. Ook daaraan dienen consequenties verbonden te worden.

Als [gedaagde] zich overigens (mede door het loonbeslag) niet in staat acht tot betaling van dit bedrag ineens - en daar heeft het de schijn van - , is het aan hem om met CZ of haar gemachtigde alsnog afspraken te maken over betaling op termijn of in termijnen, zodat onnodige executiekosten op basis van dit vonnis voorkomen worden.

De beide ontoereikend toegelichte nevenvorderingen komen in het geheel niet voor toewijzing in aanmerking, nog daargelaten dat zij in het licht van het voorgaande ook naar omvang aangepast hadden moeten worden. Op die onderdelen van de vordering ontbeert het exploot van dagvaarding immers in het bijzonder een van CZ te verlangen deugdelijke verzuimredenering. Er is niet uitdrukkelijk gesteld en evenmin is uit de wel gedebiteerde stellingen rechtstreeks af te leiden dat op een concrete datum voorafgaand aan dagvaarding (dus buiten rechte) om een welomschreven reden betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] voor deze betalingsverplichtingen ingetreden is. Betalingsverzuim aan zijn zijde kan niet eerder aanwezig geacht worden dan per datum dagvaarding en wel als gevolg van de daad van dagvaarding als zodanig. Daarmee vervalt de mogelijkheid voor CZ om tot (of tot en met) 29 oktober 2013 (i.e.‘vandaag’ in het exploot) vervallen rente en/of buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen. Hier doet niet aan af dat CZ in twee abstracte standaardpassages in de exploottekst de geïsoleerde termen ‘betalingsverzuim’ en ‘verzuimdatum’ elk eenmaal op papier zet (maar niet verder verklaart). Evenmin maakt het iets uit dat CZ een alinea in het exploot besteedt aan een evenzeer abstracte beschrijving van de beweerde vermogensschade, althans de post incassokosten, in een poging de gevorderde vergoeding daarvan te rechtvaardigen. Zonder concreet geduid verzuim van de debiteur zijn de zelfs in het geheel niet toegelichte vertragingsrente tot (en met) de dagvaardingsdatum en een vergoeding van kosten van invordering immers door de debiteur niet verschuldigd. In dat geval kan slechts geconcludeerd worden dat aan incasso bestede werkzaamheden en kosten prematuur aangewend zijn. De bewuste twee onderdelen van de vordering, respectievelijk door CZ gesteld op € 76,23 en € 90,75, moeten afgewezen worden. Over de gedeeltelijk toe te wijzen hoofdsom wordt wel de wettelijke rente toegewezen vanaf de als verzuimdatum aan te merken dagvaardingsdatum (dus met ingang van 30 oktober 2013).

De afwijzing van een aanmerkelijk deel van de vordering(en) van CZ en de redenen daarvan (ernstig verlaat en gebrekkig procederen en eerst door dagvaarding van [gedaagde] bewerkstelligd betalingsverzuim) rechtvaardigen tot slot volledige compensatie van de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan CZ tegen bewijs van kwijting € 185,00 te betalen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2013 tot de datum van volledige voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.