Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:11995

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_1633U
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Herziening uitwonenden beurs, beroep niet-ontvankelijk,

Boete, beroep ongegrond.

Samenvatting:

Eiseres heeft niet tijdig beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar waarbij haar bezwaar tegen de herziening van de uitwonende beurs ongegrond is verklaard. Het beroep daartegen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Echter, bij de vraag of een boete mag worden opgelegd, dient ten volle te worden beoordeeld of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan die aan het opleggen van de boete zijn verbonden en over de feiten die aan de bestraffende sanctie ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank beoordeelt om die reden toch de vraag of eiseres ten tijde van belang feitelijk woonachtig was op het GBA-adres waarop zij stond ingeschreven. De beroepsgronden dat de controle op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden, treffen geen doel. De controle heeft weliswaar plaatsgevonden nadat een minderjarige medebewoner toestemming had gegeven om de woning te betreden, maar deze medebewoner was op dat moment ruim 17 jaar oud. Hij kon dan ook de consequenties overzien van het huisbezoek. Ook de gestelde kamer van eiseres mocht zonder haar toestemming worden betreden. Zij sliep in een omgebouwde garage en daarvan is gebleken dat deze niet strekte tot het exclusieve woongenot van eiseres. Verder kon op grond van de informatie die was ingewonnen tijdens het huisbezoek worden afgeleid dat eiseres niet feitelijk woonachtig was op het GBA-adres. De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat verweerder aan eiseres een boete kon opleggen van 50% wegens het niet voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Niet is gebleken van een verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden die ertoe nopen dat een lagere boete opgelegd dient te worden. De rechtbank heeft daarbij nog van belang geacht dat de periode waarover de boete wordt opgelegd niet zodanig lang is en dat de hoogte van de boete niet zodanig hoog is, dat deze niet meer voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-west-brabant

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 1633

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. F. Ergec),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2012 (primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien en vastgesteld naar de norm van een thuiswonende student. Voorts is vastgesteld dat een bedrag van € 952,70 te veel aan studiefinanciering is ontvangen door eiseres, welk bedrag maandelijks wordt verrekend met de nog te ontvangen studiefinanciering.

Bij besluit van 20 juni 2012 (primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 476,35 omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarde van feitelijke bewoning van het door haar opgegeven adres, waarop zij in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) is ingeschreven.

Verweerder heeft bij besluit van 28 juni 2012 (bestreden besluit I) het bezwaar van eiseres inzake de herziening van haar uitwonendenbeurs ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 oktober 2012 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de opgelegde boete, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 13 november 2012 beroep ingesteld.


Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013 te Breda. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De termijn van het doen van uitspraak is door de rechtbank met zes weken verlengd.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Eiseres volgde ten tijde van belang een opleiding aan de ROC West-Brabant. Sinds 27 januari 2011 staat zij in de GBA ingeschreven op het adres [adres eiseres] te Bergen op Zoom. Haar ouders wonen op het adres [adres ouders] te Bergen op Zoom. Eiseres ontving met ingang van augustus 2011 een studiebeurs berekend naar de norm voor een uitwonende student.

Bij primaire besluit I heeft verweerder het recht van eiseres op studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien, omdat volgens verweerder uit een controle is gebleken dat eiseres niet woonachtig is op het adres waarop zij in de GBA staat ingeschreven. De hoogte van de studiefinanciering wordt vanaf 1 januari 2012 aangepast. Tevens heeft verweerder meegedeeld dat eiseres een bedrag van € 952,70 te veel studiefinanciering heeft ontvangen en dat dit bedrag een schuld is geworden. Het bedrag wordt maandelijks verrekend met de nog te ontvangen studiefinanciering.

Op 1 juni 2012 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld voornemens te zijn een boete op te leggen van € 476,35 omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van feitelijke bewoning op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. Op 8 juni 2012 heeft eiseres op dit voornemen gereageerd. Verweerder heeft die reactie (mede) opgevat als bezwaar tegen primaire besluit I. Bij bestreden besluit I heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij primaire besluit II heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 476,35. Tegen dit besluit heeft eiseres op 29 juni 2012 bezwaar gemaakt. Het bezwaar van eiseres heeft verweerder bij bestreden besluit II op 4 oktober 2012 ongegrond verklaard.

3.

Op 13 november 2012 heeft eiseres beroep ingesteld tegen bestreden besluit II. In de gronden van beroep heeft zij zich onder meer op het standpunt gesteld dat aan het primaire besluit II geen rechtsgeldige initiële beslissing aangaande de intrekking of de wijziging van de studiefinanciering ten grondslag ligt.

De rechtbank leidt uit de aanvullende gronden van beroep, zoals ingediend op 11 en 18 december 2012, af dat zij mede zien op het besluit van verweerder aangaande de herziening van de studiefinanciering van eiseres.

3.1.

Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst als volgt.

3.2.

Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als een belanghebbende een beroepschrift te laat indient, moet de rechtbank ambtshalve het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan dient de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op grond van die te late indiening achterwege te laten.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres het primaire besluit I met daarin de mededeling dat haar recht op studiefinanciering wordt herzien, heeft ontvangen. Zij stelt zich echter op het standpunt dat dit bericht niet als besluit kan worden aangemerkt, aangezien het bericht niet op de persoon is toegespitst en niet is ondertekend. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Bepalend voor de vraag of er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, is de vraag of er sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Het primaire besluit I omvatte immers een besluit van verweerder, hetgeen op schrift is gesteld en op rechtsgevolg is gericht, namelijk de herziening van een eerder aan eiseres toegekend recht. Dit is door eiseres ook niet bestreden. Ook blijkt duidelijk dat sprake is van een besluit, dat ziet op de persoon van eiseres. Dat het besluit niet is ondertekend, maakt niet dat daarmee geen sprake is van een besluit in vorenbedoelde zin.

Eiseres heeft verder betoogd dat haar schrijven van 8 juni 2012 ten onrechte is aangemerkt als bezwaar tegen primaire besluit I. Eiseres heeft hierbij aangegeven dat zij niet beschikte over de rapportage van het huisbezoek en dat zij om die reden haar bezwaren niet goed heeft kunnen formuleren. De rechtbank volgt eiseres hier evenmin in. Eiseres geeft in haar gronden van beroep van 18 december 2012 aan dat zij, naar aanleiding van het primaire besluit I telefonisch contact met verweerder heeft gezocht. Haar is toen meegedeeld dat zij moest afwachten omdat haar een brief zou worden toegezonden met daarin de mededeling dat aan eiseres een boete zou worden opgelegd. Deze brief is eiseres, in de vorm van het voornemen opleggen boete, op 1 juni 2012 toegezonden met daarbij de rapportage van het op 2 mei 2012 gehouden huisbezoek. De rechtbank is van oordeel dat voor eiseres de samenhang met primaire besluit I daarmee voldoende duidelijk moest zijn. Door eiseres is verder ook niet bestreden dat zij de rapportage van het huisbezoek heeft ontvangen. Aldus was eiseres voldoende in staat om haar bezwaren te formuleren in haar brief van

8 juni 2012. Dat verweerder die brief dan ook heeft aangemerkt als bezwaarschrift én als zienswijze tegen het voornemen om aan haar een boete op te leggen, acht de rechtbank niet onjuist, maar juist getuigen van zorgvuldigheid zijdens verweerder. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat eiseres bij brief van 20 juni 2012 is medegedeeld dat haar schrijven mede wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de intrekking van haar uitwonendenbeurs (primaire besluit I) en dat eiseres daar niet op heeft geageerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen primaire besluit I.

Voor wat betreft de stelling van eiseres dat er geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen in primaire besluit I, is de rechtbank van oordeel dat die omstandigheid enkel een rol kan spelen bij de vraag of er sprake is van een termijnoverschrijding van, in dit geval, het tijdig indienen van een bezwaarschrift. De rechtbank heeft evenwel reeds in het vorenstaande geoordeeld dat eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen primaire besluit I. De omstandigheid dat er geen rechtsmiddelenclausule was opgenomen in het besluit of dat eiseres de toelichting bij het besluit niet zou hebben gehad zoals zij ter zitting heeft gesteld, behoeft om die reden geen bespreking meer.

3.4.

Tot slot is door eiseres in dit verband nog het standpunt ingenomen dat verweerder haar brief van 29 juni 2012 op grond van artikel 6:15 van de Awb als beroepschrift naar de rechtbank had dienen door te zenden als zijnde gericht tegen bestreden besluit I. Volgens eiseres blijkt uit de inhoud van die brief immers genoegzaam dat deze is gericht tegen bestreden besluit I. Ook in deze stelling kan eiseres niet worden gevolgd.

Allereerst is van belang dat eiseres in de aanhef van haar brief het kenmerk van primaire besluit II (het boetebesluit) heeft vermeld. Eiseres heeft ter zitting geen verklaring voor een ruimere interpretatie weten te geven. Voorts staat in voornoemde brief dat zij vindt dat de boete onterecht is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de brief van 28 juni 2012 dan ook niet hoeven aanmerken als een beroepschrift gericht tegen bestreden besluit I. Op verweerder rustte derhalve geen doorzendplicht.

3.5.

Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres eerst bij de aanvullende beroepschriften van 11 en 18 december 2012 beoogd heeft beroep in te stellen tegen bestreden besluit I. Het beroep tegen bestreden besluit I is derhalve niet binnen zes weken na 28 juni 2012 ingesteld. Daarbij is niet gebleken van omstandigheden die de termijnoverschrijding van het instellen van beroep verschoonbaar doen zijn. Derhalve dient het beroep van eiseres, voor zover dit ziet op bestreden besluit I, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.

Voor zover het beroep van eiseres is gericht tegen het bestreden besluit II, overweegt de rechtbank als volgt.

4.1.

Allereerst stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat het beroep voor zover dit was gericht tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk is verklaard, niet maakt dat de gronden die zien op de rechtmatigheid van het huisbezoek, de conclusies die verweerder verbonden heeft aan de bevindingen die tijdens het huisbezoek zijn gedaan, alsmede de herziening van de studiefinanciering met terugwerkende kracht, thans geen bespreking meer behoeven. In dit verband wijst de rechtbank op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) waaronder die van 20 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BV0075). De rechtbank begrijpt de uitspraken van de Raad aldus dat in het geval er sprake is van een bestraffende sanctie, de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden ten volle dient te oordelen over de vraag of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en over de feiten die aan de bestraffende sanctie ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank komt tot het volgende oordeel.

4.2.

In artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat indien de studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000, verweerder hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

4.3.

Bij de beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden stelt de rechtbank voorop dat de onderhavige herziening van de studiefinanciering van eiseres naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor haar belastend besluit is, zodat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat verweerder aannemelijk dient te maken dat eiseres niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. De rechtbank wijst hierbij op de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wsf 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonendenbeurs (Kamerstukken II, 2010-2011, 32 770, nr. 3, p. 5) waarin onder meer is vermeld dat de functionaris tijdens het huisbezoek grondig onderzoek doet naar de feitelijke woon- en leefsituatie van de studerende.

4.4.

Wat betreft de opgelegde boete is in geschil of verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat eiseres met ingang van 1 januari 2012 tot en met mei 2012 niet in aanmerking komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende wegens het niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Ter onderbouwing van het standpunt, dat niet gebleken is dat eiseres woonachtig was op het GBA-adres [adres eiseres] te Bergen op Zoom, verwijst verweerder naar de rapportage over de onaangekondigde controle door twee controleurs van SV Land op 2 mei 2012.

4.5.

Door eiseres is allereerst de rechtmatigheid van de controle ter discussie gesteld. Eiseres heeft ter onderbouwing gesteld dat de door de zoon van de hoofdbewoners ([naam hoofdbewoners]) gegeven toestemming om de woning binnen te treden, niet geldig is. [naam hoofdbewoners] is immers niet de hoofdbewoner van de woning en bovendien was hij tijdens het huisbezoek minderjarig. Om die reden kunnen de bevindingen van het huisbezoek volgens eiseres niet aan de besluitvorming van verweerder ten grondslag worden gelegd. Tot slot stelt eiseres dat de garage waar zij woont, geen onderdeel vormt van de woning zodat de controleurs zonder haar toestemming daar niet hadden mogen kijken.

Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Raad, zie onder meer een uitspraak van

3 december 2012 (ECLI:NL:CRvB:BY4503) maken de binnentredende ambtenaren in beginsel geen inbreuk op het huisrecht van de overige bewoners, indien een bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet op het binnentreden (Awob) is voor het binnentreden de toestemming van een bewoner in beginsel voldoende. Uit de toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden. Dit betreft echter niet de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van de andere bewoners.

De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapportage opgesteld op

6 mei 2012. Uit deze rapportage blijkt dat eiseres ten tijde van de controle niet aanwezig was. De deur werd geopend door [naam hoofdbewoners]. Hij heeft de controleurs, nadat deze zich hadden gelegitimeerd en het doel van het bezoek hadden uitgelegd, desgevraagd binnengelaten. [naam hoofdbewoners] ging de controleurs voor en bracht hen naar de achtertuin naar de omgebouwde garage. Daar zou eiseres en haar zus [zus van eiseres] wonen. De deur was gesloten door middel van een haakje en de sleutel zat aan de binnenzijde van de deur. De ruimte maakte geen bewoonbare indruk volgens de controleurs. De bank die in de ruimte stond, kon worden omgebouwd tot een bed. [naam hoofdbewoners] kon de controleurs niets tonen van persoonlijke spullen die aan eiseres zouden toebehoren. Ook de aangrenzende badkamer was helemaal leeg. Midden in de ruimte stond een gaskachel opgeslagen. De controleurs hebben aan [naam hoofdbewoners] meegedeeld dat op basis van wat hij hen toonde, zij niet konden vaststellen dat eiseres woonachtig was in de garage. Hij gaf aan dat hij in huis nog enkele spullen kon tonen die van eiseres zouden zijn. Hij heeft hen vervolgens een brief van FBTO op naam van eiseres kunnen laten zien. Tot slot heeft [naam hoofdbewoners] de controleurs meegenomen naar de eerste verdieping naar de kamer van zijn ouders om te laten zien dat de kleren van eiseres in de klerenkast aldaar zouden liggen. Het was volgens de controleurs niet te controleren of sprake was van de kleren van eiseres en bovendien achtten zij dat niet aannemelijk. Het huisbezoek is, nadat [naam hoofdbewoners] had aangegeven geen vragen meer te hebben, vervolgens afgesloten.

De rechtbank overweegt dat [naam hoofdbewoners] medebewoner is, hetgeen niet in geschil is. Op grond van de hiervoor weergegeven jurisprudentie mocht dan ook op basis van zijn toestemming worden verondersteld dat de andere bewoners instemmen met het binnentreden van de controleurs. [naam hoofdbewoners] was ten tijde van de controle weliswaar minderjarig, maar hij was destijds wel ruim 17 jaar oud. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat [naam hoofdbewoners] de consequenties kon overzien van het huisbezoek. Dat dit niet het geval is geweest, is de rechtbank niet gebleken. Derhalve leidt de omstandigheid dat [naam hoofdbewoners] minderjarig was niet tot het oordeel dat het huisbezoek onrechtmatig is geweest.

Voor wat betreft de kamer van eiseres, die zich in de garage bevond, overweegt de rechtbank dat uit de rapportage kan worden afgeleid dat de ruimte was ingericht als woonruimte. Er bevond zich daar immers ook een douche. Ook kon de garage, hoewel op dat moment niet het geval was, worden afgesloten. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat de garage niet strekte tot het exclusieve woongebruik van eiseres zodat om die reden de toestemming van [naam hoofdbewoners] voldoende was om de garage te kunnen betreden. Uit de rapportage blijkt immers dat in de garage een kachel stond opgeslagen. Eiseres heeft verder verklaard dat de garage voor de familie waar zij bij woont toegankelijk is, om onder andere het huishouden voort te zetten maar ook om te bidden. Zij heeft de woonruimte daarom ook niet afgesloten. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de garage exclusief door eiseres werd gebruikt, zodat verondersteld mag worden dat de garage ook als woonruimte bij het huis heeft te gelden en [naam hoofdbewoners] om die reden toestemming kon verlenen.

4.6.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres ten tijde van de controle feitelijk niet woonachtig was op het GBA-adres. Verweerder heeft hierbij terecht opgemerkt dat de kamer, waarvan wordt gesteld dat deze door twee meisjes een jaar lang zou zijn bewoond, geen bewoonbare indruk maakte tijdens de controle. Verweerder heeft het daarbij onaannemelijk kunnen achten dat eiseres en haar zus een jaar lang de bank ombouwen tot een bed en daar gezamenlijk in zouden slapen. Dit is door eiseres ook niet weersproken. Verder zijn geen persoonlijke spullen van eiseres aangetroffen in de kamer of de aangrenzende badkamer. Eiseres heeft weliswaar verklaard dat zij op vakantie was, aangezien het ten tijde van het huisbezoek meivakantie was, maar de rechtbank is met verweerder van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiseres al haar spullen meeneemt waardoor de kamer een onbewoonde indruk maakt. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling terecht heeft betrokken dat het vreemd is dat eiseres haar kleren in huis bewaard, bij de bewoners op de slaapkamer. Zij dient dan ook telkens via de tuin naar het huis te gaan, om bij haar kleren te kunnen komen. In de door eiseres ter zitting afgelegde verklaring, dat zij bij de hoofdbewoners doucht zodat zij dan met de was kan meedraaien, ziet de rechtbank geen grond voor een andersluidend oordeel. De omstandigheid dat er wel een brief is aangetroffen van FBTO gericht aan eiseres, heeft verweerder daarbij op goede als onvoldoende bewijs aangemerkt om enkel op grond daarvan aan te nemen dat eiseres ook feitelijk woonachtig was op het GBA-adres.

4.7.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwoge dan ook van oordeel dat verweerder met de bevindingen uit de rapportage van 6 mei 2012 in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres niet feitelijk op het GBA-adres woonachtig was. Eiseres heeft geen tegenbewijs geleverd dat twijfel wekt aan de juistheid van verweerders conclusie. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat eiseres niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5 van de Wsf 2000.

5.

Nu de rechtbank, conform de in rechtsoverweging 4.1. weergegeven jurisprudentie, de wettelijke voorwaarden en feiten die aan het boetebesluit ten grondslag zijn gelegd heeft getoetst en deze ook de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan, ziet de rechtbank zich voor de vraag geplaatst of verweerder aan eiseres een boete ad € 476,35 heeft mogen opleggen.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Gelet op vaste jurisprudentie betreft het opleggen van een bestuurlijke boete, zoals thans ook aan de orde, een discretionaire bevoegdheid waarvan gebruik kan worden gemaakt. De bij bestreden besluit II opgelegde bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. De rechtbank dient daarom, mede gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in volle omvang te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Aldus moet worden voldaan aan de eisen van proportionaliteit. Het evenredigheidsbeginsel brengt voorts met zich dat niet alleen de mate van verwijtbaarheid aanleiding kan vormen voor matiging van de opgelegde boete, maar ook factoren als intensiteit en duur van de overtreding kunnen daarbij een rol spelen.

5.2.

Bij de Memorie van Toelichting (TK, 32 770, nr. 3, p. 9 en 10) bij artikel 9.9 van de Wsf 2000 wordt het volgende vermeld:

“3.3.2. Bestuurlijke boete (nieuwe situatie)

Studerenden die verklaren dat ze wonen op het GBA-adres waarop zij staan ingeschreven terwijl ze feitelijk op een ander adres wonen, bijvoorbeeld bij hun ouders, maken misbruik van de uitwonendenbeurs en zullen hard worden aangepakt. Dit is in lijn met de in het Regeerakkoord aangekondigde hardere aanpak van fraude met uitkeringen.

In navolging van de aanbeveling van de SIOD is gekozen voor het invoeren van een bestuurlijke boete naast het terugvorderen van de ten onrechte verkregen uitwonendenbeurs. Bij de eerste keer misbruik kan hiermee worden volstaan. Als er sprake is van recidive, dan wordt er harder opgetreden.

(..)

De bestuurlijke boete bij een eerste keer misbruik van de uitwonendenbeurs bedraagt 50% van het bedrag dat een studerende teveel heeft ontvangen aan uitwonendenbeurs. Daarmee wordt een directe relatie gelegd tussen het ten onrechte ontvangen bedrag en de boete. De Tweede Kamer heeft in het debat van 9 februari 2010 een motie aangenomen, waarin de wens is geuit om bij een eerste keer misbruik van de uitwonendenbeurs direct een boete van 50% te kunnen opleggen. Deze wens wordt gehonoreerd in dit wetsvoorstel en sluit aan bij de in het Regeerakkoord aangekondigde hardere aanpak van fraude. In uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien van het opleggen van een boete of kan de hoogte daarvan worden aangepast, bijvoorbeeld indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid of bij bijzondere omstandigheden.”

(TK, 32 770, nr. 3, p. 9 en 10)

(…)”

5.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het onderhavige geval aanleiding heeft gezien toepassing te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid en aan eiseres een boete heeft opgelegd ter hoogte van 50% van het bedrag dat van eiseres is teruggevorderd wegens het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 1.5, van de Wsf 2000. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid rechtens juist is. Hierbij acht de rechtbank van belang dat in de Memorie van Toelichting is aangegeven dat de hoogte van de boete 50% bedraagt in het geval een eerste overtreding betreft, maar dat daarvan kan worden afgeweken indien er bijvoorbeeld gebleken is van een verminderde verwijtbaarheid of bij bijzondere omstandigheden. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken van een verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde boete niet onevenredig is. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij die boete te hoog vindt, maar zij heeft haar stelling niet van een nadere onderbouwing voorzien. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder had dienen af te zien van het opleggen van de boete dan wel matiging daarvan. Hierbij acht de rechtbank nog van belang dat de periode waarover de boete wordt opgelegd niet zodanig lang is en de hoogte van de boete niet zodanig hoog is dat deze niet meer voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

6.

Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover dit ziet op het besluit om aan eiseres een boete op te leggen, eveneens ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen bestreden besluit II, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. T.M. Schelfhout en

mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van mr. S.A.J. Monnens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

w.g. mr. S.A.J. Monnens,

griffier

w.g. mr. D.H. Hamburger,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 19 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.