Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:11826

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
AWB 11 / 1292
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van bouwwerkzaamheden aan de recreatiewoning van de derde-partij. Verder is tegen de zin van eiseres voor een berging een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij met gebruikmaking van de zogeheten kruimelgevallenregeling. Voor het betreffende bouwwerk, de recreatiewoning van de derde-partij, is inmiddels een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend. Onder verwijzing naar haar uitspraak van heden in de beroepszaak AWB 12/473 overweegt de rechtbank dat deze vergunning ook in redelijkheid kon worden verleend. Hierdoor is van strijd met artikel 2.1 van de Wabo geen sprake (meer) en is artikel 5 van Bijlage II bij het Bor niet van toepassing. Gelet op het voorgaande, kan de bouwactiviteit getoetst worden aan – in dit geval – artikel 3, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor. De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde bouwactiviteit voldoet aan de eisen als genoemd onder a en b van voormeld artikellid. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat van overtreding van een wettelijk voorschrift geen sprake (meer) is, waardoor ook geen sprake meer is van een beginselplicht tot handhaving.

Ook ten aanzien van de vergunning voor de berging verwijst de rechtbank naar haar oordeel van heden in de uitspraak in de zaak AWB 12/473, inhoudend dat voor de recreatiewoning van de derde-partij, waarvan de berging een bijgebouw is, in redelijkheid een persoonsgebonden omgevingsvergunning kon worden verleend. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo doet zich aldus niet voor. Verweerder was bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen. De stelling van eiseres dat het tijdelijk gebruik nu gefaciliteerd wordt met permanente bouwwerken, leidt, wat daar ook van zij, niet tot strijdigheid met de genoemde bepalingen uit de Wabo en het Bor. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 1292

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2013 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eisers], eiseres

(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:[naam derde-partij]

(gemachtigde: mr. B. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft verweerder een verzoek om handhaving van eiseres afgewezen.

Op 3 februari 2011 heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een berging.

Bij besluit van 16 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres van 4 maart 2011 tegen de besluiten van 31 januari 2011 en 3 februari 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer is aangevangen op

28 september 2012. De behandeling van het beroep ter zitting is geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of het geschil door middel van mediation tot een oplossing kon worden gebracht. Aangezien de mediation niet tot overeenstemming heeft geleid, is het onderzoek ter zitting op 5 november 2013 door de meervoudige kamer hervat.

Namens eiseres waren aanwezig [namen vertegenwoordigers eisers] bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. F.M.H. Merx,

mr. I. Rezelman en ing. E.J.E. Geurts. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 27 augustus 2010 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van bouwwerkzaamheden aan de recreatiewoning van de derde-partij, gelegen aan de [adres recreatiewoning]te Panningen. Het betreft het verwijderen van een schuifpui (en vervanging hiervan door een ondermuur, twee ramen en een buitendeur) en het vergroten van de woonruimte. Verweerder heeft echter geen aanleiding gezien om handhavend op te treden. Voor het permanent bewonen van betreffende recreatiewoning is inmiddels op 3 maart 2011 een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend. Dit maakt dat de schuifpui vergunningsvrij mag worden geplaatst, aldus verweerder. Van overtreding van een wettelijk voorschrift is in de visie van verweerder daarom geen sprake (meer), waardoor ook geen sprake meer is van een beginselplicht tot handhaving.

2.

Verder is bij besluit van 3 februari 2011 voor een berging - die daar volgens de derde-partij al 20 jaar staat en die hij van de vorige eigenaar heeft gekocht - een omgevingsvergunning verleend met gebruikmaking van de zogeheten kruimelgevallenregeling (artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor)). Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3.

Eiseres kan zich niet vinden in de weigering om te handhaven en in de verlening van de omgevingsvergunning voor de berging.

4.

Met betrekking tot de afwijzing van haar handhavingsverzoek betoogt eiseres in de kern dat de aan de derde-partij verleende persoonsgebonden omgevingsvergunning voor permanente bewoning van de recreatiewoning er niet toe leidt dat er geen sprake meer is van een met het bestemmingsplan strijdige situatie. Eiseres beroept zich dan ook op artikel 5, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor, waarin is bepaald dat de regels omtrent vergunningsvrij bouwen (de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor) niet van toepassing zijn als de activiteit plaatsvindt in, aan of bij een bouwwerk dat in strijd met onder andere het bestemmingsplan wordt gebruikt.

5.

Over de verleende omgevingsvergunning voor de berging betoogt eiseres dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering voor verlening van de vergunning, dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de berging niet voldoet aan de afstandseis voor brandveilige bouwwerken.

6.

Met betrekking tot het handhavingsverzoek overweegt de rechtbank allereerst het volgende.

7.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien (zie onder meer een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4609).

8.

Volgens verweerder konden de vervanging van de schuifpui en het vergroten van het woonhuis vergunningsvrij gebeuren, kort gezegd omdat er een persoonsgebonden omgevingsvergunning voor permanente bewoning van de recreatiewoning is verleend en daarom artikel 2 en 3 van bijlage II bij het Bor mogen worden toegepast.

9.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a) het bouwen van een bouwwerk,

b) (..)

c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, (..).”

10.

Artikel 3, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

(..)

2.

een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 70 ㎡

11.

Artikel 5, tweede lid, van het Bor luidt als volgt:

“De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet [de Wabo] is gebouwd of wordt gebruikt.”

12.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de situatie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor zich hier niet voordoet. Voor het betreffende bouwwerk, de recreatiewoning van de derde-partij, is inmiddels een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend. Onder verwijzing naar haar uitspraak van heden in de beroepszaak AWB 12/473 overweegt de rechtbank dat deze vergunning ook in redelijkheid kon worden verleend. Hierdoor is van strijd met artikel 2.1 van de Wabo geen sprake (meer) en is artikel 5 van Bijlage II bij het Bor niet van toepassing.

13.

Gelet op het voorgaande, kan de bouwactiviteit getoetst worden aan – in dit geval – artikel 3, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor. De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde bouwactiviteit voldoet aan de eisen als genoemd onder a en b van voormeld artikellid. Dat is door eiseres als zodanig ook niet betwist. Hierbij is de rechtbank van oordeel dat de recreatiewoning van de derde-partij nog steeds als “bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf” heeft te gelden, ook al is er een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend voor de recreatiewoning. De permanente bewoning maakt weliswaar dat sprake is van langdurig nachtverblijf, maar dat doet niet per se af aan het recreatieve karakter van het verblijf. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat van overtreding van een wettelijk voorschrift geen sprake (meer) is, waardoor ook geen sprake meer is van een beginselplicht tot handhaving.

14.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep, voor zover het de weigering om handhavend op te treden betreft, ongegrond is.

15.

Met betrekking tot het deel van het beroep dat ziet op de verlening van een omgevingsvergunning voor de plaatsing van de berging, is het navolgende wettelijk kader relevant.

16.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a) het bouwen van een bouwwerk

b) (..)

c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, (..).”

17.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo luidt als volgt:

“Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a , wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(..)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid , of  4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening , tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 ;

(..).”

18.

In artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is bepaald dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de vergunning slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12. niet mogelijk is.

19.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning voor zover van belang slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen (amvb) gevallen. Het Bor is de hier bedoelde amvb.

20.

Artikel 4 van Bijlage II bij het Bor luidt als volgt:

“Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1.

een bijbehorend bouwwerk:

a. (..)

b. buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

i. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

ii. de oppervlakte niet meer dan 150 ㎡, en

iii. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden; (..).”

21.

Tussen partijen is niet in geschil dat de berging in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Wel is in geschil of verweerder desondanks in beginsel bevoegd was een omgevingsvergunning te verlenen en of verweerder in het kader van de belangenafweging in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Ook in dit verband verwijst de rechtbank naar haar oordeel van heden in de uitspraak in de zaak AWB 12/473, inhoudend dat voor de recreatiewoning van de derde-partij, waarvan de berging een bijgebouw is, in redelijkheid een persoonsgebonden omgevingsvergunning kon worden verleend. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo doet zich aldus niet voor. Nu door eiseres verder niet is onderbouwd waarom aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo en artikel 4 voornoemd niet is voldaan, was verweerder bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen. De stelling van eiseres dat het tijdelijk gebruik nu gefaciliteerd wordt met permanente bouwwerken, leidt, wat daar ook van zij, niet tot strijdigheid met de genoemde bepalingen uit de Wabo en het Bor. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Niet afdoende is gebleken dat de belangenafweging niet juist is geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres niet heeft geconcretiseerd welke van haar belangen zijn geschonden en waarom. Ook overigens ziet de rechtbank in de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting geen reden om het bestreden besluit, voor zover het de verlening van de omgevingsvergunning voor de berging betreft, onrechtmatig te achten.

22.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

23.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Voncken (voorzitter) en mr.drs. E.J. Govaers en

mr. R.A.M.M. Gijselaers (leden), in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

w.g. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. P.J. Voncken,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.