Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:11427

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_850U
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting: gelet op het feit dat het bestreden besluit voortvloeit uit het bestreden besluit in de zaak met kenmerk AWB 12/170 en het beroep daartegen gegrond is verklaard, wordt ook dit beroep gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 850

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2013 in de zaak tussen

mr.[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.H.M. Wagemans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. G.P.F. van Duren),

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers vaste aanstelling gewijzigd in die zin dat eiser met ingang van 1 oktober 2011 wordt aangesteld in de functie van medewerker in algemene dienst (functieprofiel projectmedewerker A) in de interim-poule van het team Loopbaan en Mobiliteit.

Bij besluit van 23 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De behandeling van het beroep heeft gevoegd plaatsgevonden met het beroep met kenmerk AWB 12/170. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en zal apart uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Ter uitvoering van het eerdere besluit van (de werkgeverscommissie van) de gemeenteraad van 15 december 2011 (zie procedure met kenmerk AWB 12/170), heeft verweerder eisers vaste aanstelling bij het primaire besluit gewijzigd, in die zin dat eiser met ingang van 1 oktober 2011 wordt aangesteld in de functie van medewerker in algemene dienst (functieprofiel projectmedewerker A) in de interim-poule van het team Loopbaan en Mobiliteit, in welke functie hij zal worden belast met projectmatige werkzaamheden op het niveau van functieschaal 10, niet in de nabijheid van het bestuur. Daarbij wordt de hoogte van de bezoldiging vastgesteld op het maximum van schaal 10.

3.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daartoe -kort samengevat- aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met dit besluit, omdat er allereerst geen sprake is van verwijtbaar gedrag, dan wel ernstig verwijtbaar gedrag, dan wel ernstig plichtsverzuim. Het vaststellen van de bezoldiging op schaal 10 is in strijd met de wettelijke bepalingen omdat een ambtenaar wegens plichtsverzuim uitsluitend disciplinair kan worden gestraft als deze zich bij herhaling niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar onder de gegeven omstandigheden betaamt. Eiser ontkent zich niet te hebben gedragen zoals als een goed ambtenaar onder de gegeven omstandigheden betaamt. Gelet op de limitatieve opsomming in de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/UWO) staat het verweerder niet vrij om een andere straf op te leggen dan in de opsomming voorkomt. Daarbij is een terugplaatsing met twee schalen in strijd met het bepaalde in artikel 16:1:2 sub g, van het RAP (lees: de AGM) en is de inschaling in strijd met de vigerende wettelijke bepalingen.

4.

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat door eiser niet is aangetoond dat het besluit hem te plaatsen in de functie van projectmedewerker A met een bezoldiging op het maximum van schaal 10 niet aansluit bij het door de werkgeverscommissie op 15 december 2011 genomen besluit. De plaatsing in een andere betrekking, voor bepaalde of onbepaalde tijd, en al dan niet met vermindering van bezoldiging is geregeld in artikel 16:1:2, aanhef en onder h, van de AGM. Daarbij is in de betreffende regelgeving niet bepaald dat het daarbij moet gaan om het bij herhaling schuldig maken aan het zich niet gedragen zoals het een goed ambtenaar betaamt. Door eiser zijn verder geen relevante gronden aangevoerd tegen de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het besluit.

5.

Eiser heeft zich niet kunnen verenigen met dit besluit en heeft daartoe in beroep aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was tot het nemen van het primaire besluit van

20 december 2011, omdat de dualisering in de besluitvorming ten aanzien van de rechtspositie van het griffiepersoneel van de gemeenteraad niet doorgevoerd c.q. juridisch vastgelegd is. De juridische basis voor het genomen primaire besluit ontbreekt aldus eiser en hij verwijst daarvoor naar het raadsvoorstel van 2 november 2011 met nummer 2011-50495, volgnummer 127-2011 waaruit blijkt dat ten tijde in geding zowel de gemeenteraad, als het college van burgemeester en wethouders als de werkgeverscommissie van de gemeenteraad de rechtspositieregelingen voor de griffiemedewerkers niet juridisch hadden vastgelegd. Verder wordt al hetgeen door eiser in het bezwaarschrift alsmede in de pleitnota ten behoeve van de zitting voor de bezwarencommissie is aangevoerd, als woordelijk herhaald en ingelast beschouwd.

6.

Onder verwijzing naar de uitspraak van heden met kenmerk AWB 12/170

overweegt de rechtbank dat het door eiser bestreden aanstellingsbesluit van

20 december 2011 rechtstreeks voortvloeit uit het besluit van 15 december 2011 inzake plaatsing van eiser in de functie van medewerker in algemene dienst in de interim-poule van het team Loopbaan en Mobiliteit, op het niveau van functieschaal 10. Dat verweerder niet bevoegd zou zijn geweest om het bestreden besluit te nemen, volgt de rechtbank niet. Door het besluit van 11 december 2011 inzake plaatsing van eiser in een andere functie buiten de griffie, waren de werkgeverscommissie c.q. de gemeenteraad, niet meer bevoegd om besluiten ten aanzien van eiser te nemen. Hetgeen door eiser daaromtrent is aangevoerd treft daarom geen doel. Met betrekking tot de overige gronden (herhaald en ingelast bezwaar) die door eiser zijn aangevoerd, overweegt de rechtbank dat deze vrijwel gelijkluidend zijn aan de gronden van het beroep met kenmerk AWB 12/170. Gelet op het feit dat het bestreden besluit voortvloeit uit het bestreden besluit in de zaak met kenmerk AWB 12/170 en het beroep daartegen heden gegrond is verklaard, zal de rechtbank ook dit beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

7.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472,- (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. E.V.L. Heuts en mr. M.A. Teeuwissen, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

w.g. mr. I.M.T. Wijnands,

griffier

w.g. mr. P.J.M. Bruijnzeels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.