Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:11395

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
C-03-185419 A
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Het verzoek is alleen gebaseerd op het lidmaatschap van de rechter van het College van Arbiters zodat alleen hierin de grond voor de schijn van partijdigheid gelegen kan zijn. De wrakingskamer is van oordeel dat het enkel vervullen van de functie van lid van het College van Arbiters zonder bijkomende feiten of omstandigheden niet kan leiden tot het oordeel dat de rechter een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd kan zijn. Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer / rekestnummer: C/03/185419 / HA RK 13-189

Datum uitspraak: 12 december 2013

De meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak van

[verzoekers], (hierna: verzoekers),

advocaat mr. J.J.M. Goumans,

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. [verweerder], rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter).

1 Het verloop van de procedure

Bij brief van 25 oktober 2013 heeft mr. Goumans de rechter verzocht zich te verschonen in de procedure met zaaknummer 268924 CV EXPL 07-3171 ter voorkoming van schade aan de rechterlijke onpartijdigheid.

In een reactie gedateerd 30 oktober 2013 heeft de rechter medegedeeld hier geen aanleiding voor te zien.

Bij brief van 5 november 2013 heeft mr. Goumans tegen de rechter, belast met de behandeling van voornoemde zaak tussen verzoekers en InBev Nederland NV (hierna: InBev), een verzoek tot wraking ingediend.

De rechter heeft op 11 november 2013 de wrakingskamer medegedeeld dat hij niet in het verzoek tot wraking berust. Hij heeft schriftelijk gereageerd en medegedeeld dat hij gehoord wenst te worden.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 29 november 2013 waarbij mr. Goumans, verzoekers en de rechter aanwezig waren.

2 Het standpunt van de verzoekers

De procedure tussen verzoekers en InBev is in 2007 gestart, er zijn meerdere gedingen geweest tussen partijen. De rechter heeft een aantal, voor verzoekers niet alleen negatieve, maar soms ook moeilijk te begrijpen tussenvonnissen gewezen, waardoor het ongenoegen over de behandeling van het geschil steeds verder is gestegen. De laatste beslissing van de rechter is door het Hof in hoger beroep vernietigd waardoor verzoekers naar hun gevoelen in het gelijk zijn gesteld.

Gemachtigde van verzoekers voert aan dat verzoekers recent hebben geconstateerd dat de rechter lid is van de arbitragecommissie van de KNBV te Zeist. De wederpartij van verzoekers, InBev is onder de naam Jupiler een grote sponsor van de voetbalbond c.q. van een afdeling van die voetbalbond. Verzoekers stellen dat door de nevenfunctie van de rechter bij de KNVB de rechterlijke onpartijdigheid in het gedrang komt of kan komen, althans schade kan lijden, hetgeen aanleiding is geweest de rechter te vragen zich te verschonen. Nu de rechter dit verzoek heeft afgewezen is er reden voor het verzoek tot wraking. Ter zitting hebben verzoekers gewezen op de mogelijkheid van informele contacten van de rechter met KNVB-functionarissen en andere bij deze organisatie betrokken personen.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter constateert in zijn schriftelijke reactie dat InBev direct noch indirect partij is bij het instituut “College van Arbiters” dat ten dienste staat van alle bij de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond en haar activiteiten betrokken individuen en organisaties, voor zover zij onderling arbeidsrechtelijke geschillen door deskundigen willen doen beslechten. InBev is evenmin partij geweest bij één van die arbeidsrechtelijke geschillen en sponsort ook niet rechtstreeks de arbiters, aan wie door de KNVB zelf geen honorarium wordt toegekend.

De rechter voegt toe dat InBev tot voor kort een hem niet bekende (sub)-sponsor van een (andere) deelactiviteit van de KNVB was. Enige reële vrees voor een gebrek aan neutraliteit ten opzichte van InBev is door de objectieve feiten niet gerechtvaardigd.

Ten aanzien van de genomen beslissing van het Hof merkt de rechter op dat het Hof heeft beslist op grond van meer actuele gegevens.

Voor zover het de tijdigheid van het verzoek aangaat merkt de rechter op dat zijn betrokkenheid bij het arbitrage-instituut reeds geruime tijd een openbaar bekend gegeven is, dat [verzoekers] zich ook al weer enige tijd door mr. Goumans, beroepshalve bekend in de voetbalwereld, laten bijstaan en dat deze betrokkenheid/nevenactiviteit tot dusver niet tot enig bezwaar noch tot een kanttekening of vraag van haar zijde heeft geleid. Het is dan ook de vraag of de wraking tijdig is ingeroepen.

4 De beoordeling

Alvorens de wrakingskamer kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of het verzoek tijdig ingediend is.

Ingevolge artikel 36 Burgerlijke rechtsvordering (Rv) in relatie tot artikel 37 Rv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Uitgaande van de wet en de jurisprudentie over tijdige indiening van wrakingsverzoeken, zijn verzoekers laat met hun verzoek tot wraking. De wrakingskamer is echter van oordeel dat nu verzoekers pas recent kennis hebben gekregen van het lidmaatschap van de rechter van het College van Arbiters van de KNVB en de wederpartij van verzoekers, InBev, een grote sponsor is van de voetbalbond en dit voor hen de spreekwoordelijke ‘druppel’ is na het groeiende ongenoegen dat bij verzoekers in de loop van de procedure is ontstaan, verzoekers ontvangen kunnen worden in hun verzoek. De rechtbank overweegt daartoe dat van procespartijen niet reeds op voorhand hoeft te worden verwacht dat zij het register met nevenfuncties van rechters raadplegen.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hen - onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoeker relevant, maar is doorslaggevend of de twijfel over de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

De procedure tussen verzoekers en InBev is in 2007 gestart en er zijn sindsdien meerdere gedingen geweest tussen partijen. Ter zitting is namens verzoekers opgemerkt dat de rechter een aantal, voor hen niet alleen negatieve, maar soms ook moeilijk te begrijpen tussenvonnissen heeft gewezen. Het groeiende ongenoegen dat bij verzoekers door dit verloop is ontstaan, vindt zijn climax in de constatering dat de rechter lid is van het College van Arbiters van de KNVB. De wederpartij van verzoekers, InBev is een grote sponsor van de voetbalbond.

Vast staat dat de rechter lid is van het College van Arbiters van de KNVB, dat ten behoeve van alle bij de KNVB en haar activiteiten betrokken organisaties en individuen werkzaam is, voor zover er door deskundigen onderlinge arbeidsrechtelijk geschillen beslecht dienen te worden. Het lidmaatschap van het College is onbezoldigd.

Niet is gebleken dat de sponsor InBev, een van de betrokken organisaties, ooit partij is geweest bij een van de door de rechter bij het College behandelde arbeidsrechtelijke geschillen. Evenmin is gebleken van enige andere band met het College dan wel de leden van het College.

De wrakingskamer constateert dat het verzoek tot wraking enkel is gestoeld op het lidmaatschap van de rechter van het College van Arbiters, zodat alleen hierin de grond voor de schijn van partijdigheid gelegen kan zijn. Nagegaan dient te worden of deze grond als een uitzonderlijke omstandigheid gezien kan worden die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert.

De wrakingskamer is van oordeel dat het enkel vervullen van de functie van lid van het College van Arbiters zonder bijkomende feiten of omstandigheden niet kan leiden tot het oordeel dat de rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd kan zijn. Daarvoor is de door verzoekers aangehaalde mogelijkheid dat de rechter informele contacten kan hebben met KNVB-functionarissen en andere bij deze organisatie betrokken personen in combinatie met het grote financiële belang van de sponsoring door InBev, onvoldoende.

5 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van mr. [verweerder] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. A.M. Schutte, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W.D. Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2013.

MJ