Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2816

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/1755 en AWB LEE 12/1756
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning voor gedeeltelijk vervangen en uitbreiden woning en slopen aanbouw en vrijstaande garage - uitbreiding hoofdgebouw - aanbouw - woonkeuken kan niet worden gesplitst en is daarom geheel onderdeel van het hoofdgebouw - aannemelijk dat verweerder het gebrek kan herstellen door gebruik te maken van binnenplanse afwijkingsbevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/1755 en 12/1756

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 september 2012 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

1. [verzoeker A], te [woonplaats], verzoeker in de procedure met zaaknummer 12/1755 (hierna: [verzoeker A])

(gemachtigde: mr. K.A. Luehof, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp),

en

2. [verzoekers B en C], te [woonplaats], verzoekers in de procedure met zaaknummer 12/1756 (hierna: [verzoekers B en C])

(gemachtigde: mr. A. Vinkenborg, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel, verweerder

(gemachtigde: D. Wielstra-Veenstra, werkzaam bij de gemeente Dongeradeel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [woonplaats] (hierna: de vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de vergunninghouder omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk vervangen en het uitbreiden van de bestaande woning op het perceel [X] te [woonplaats] (hierna: het perceel) en voor het slopen van de aanbouw van de bestaande woning en de vrijstaande garage op het perceel.

[verzoeker A] en [verzoekers B en C] (hierna tezamen te noemen: verzoekers) hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek van [verzoeker A] is geregistreerd onder zaaknummer 12/1755 en het verzoek van [verzoekers B en C] onder zaaknummer 12/1756.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2012. [verzoeker A] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [verzoeker C] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [Verzoeker B] is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vergunninghouder is verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in (eventuele) bodemgedingen niet.

2. Het bouwplan voorziet in het gedeeltelijk vervangen en het uitbreiden van de bestaande woning op het perceel. Daarnaast voorziet het bouwplan in het slopen van de aanbouw van de bestaande woning en de vrijstaande garage op het perceel (hierna: de garage). De bestaande woning bestaat uit drie bouwlagen en is voorzien van een kap. Op de begane grond bestaat de uitbreiding, kort gezegd, uit een trappenhuis en overloop, een hal (hierna: de hal), een bijkeuken (hierna: de bijkeuken) en een woonkeuken (hierna: de woonkeuken). Op de eerste verdieping bestaat de uitbreiding, kort gezegd, uit een trappenhuis en overloop en een slaapkamer. Op de tweede verdieping bestaat de uitbreiding uit een zolder. Het gedeelte van de uitbreiding dat is voorzien van een eerste en een tweede verdieping bevindt zich binnen het bouwvlak en is voorzien van een kap. Dit betreft een verlenging van de kap van de bestaande woning. Het overige gedeelte van de uitbreiding (de hal, de bijkeuken en het grootste deel van de woonkeuken) bestaat uit één bouwlaag en is voorzien van een plat dak. Dit deel van de woonkeuken en het grootste deel van de bijkeuken vallen buiten het bouwvlak. De hal en het overige deel van de bijkeuken vallen binnen het bouwvlak. Een klein deel van de woonkeuken is gelegen onder de slaapkamer en de zolder en daarmee onder de kap en binnen het bouwvlak. Het gedeelte van de uitbreiding dat bestaat uit drie bouwlagen en een kap en (het overige deel van) de woonkeuken zijn gelegen in het verlengde van de bestaande woning. De bijkeuken en hal zijn daarnaast gelegen. De afstand tussen de bestaande woning en het perceel van [verzoekers B en C] is 1,9 m. De afstand tussen de bijkeuken en de hal en het perceel van [verzoekers B en C] is 0,3 m. Verder voorziet het bouwplan in het realiseren van een kelder en een overdekt terras.

3. [verzoeker A] woont op het perceel [Y] te [woonplaats]. Dit perceel ligt direct ten oosten van het perceel. [verzoekers A en B] wonen op het perceel [Z] te [woonplaats]. Dit perceel ligt direct ten westen van het perceel.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[woonplaats] bûten de bolwurken" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "wonen".

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze regels verstaan onder:

3. aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

45. hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

85. uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor wonen aangewezen gronden, voor zover in deze zaak van belang, bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder b, dienen hoofdgebouwen binnen een bouwvlak te worden gebouwd.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder e, dient de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens, voor zover in deze zaak van belang, ten minste 3,00 meter te bedragen.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2.3, aanhef en onder a, dienen de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, voor zover in deze zaak van belang, ten minste 1,00 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrens dan wel in de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd.

Ingevolge artikel 28, lid 28.4.1, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 28, lid 28.2.2, onder b, en toestaan dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd.

Ingevolge artikel 28, lid 28.4.1, aanhef en onder c, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 28, lid 28.2.2, onder e, en toestaan dat de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind.

Ingevolge artikel 28, lid 28.4.2, kunnen de in artikel 28, lid 28.4.1, genoemde ontheffingen uitsluitend worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

a. het straat- en bebouwingsbeeld;

b. de woonsituatie;

c. de milieusituatie;

d. de verkeersveiligheid;

e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge onderdeel c is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een bouwwerk te slopen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1º, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

6. Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

7. Het bouwplan is in strijd met de voorschriften van het bestemmingsplan, omdat de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens met het perceel van [verzoekers B en C] kleiner is dan 3 m. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 28, lid 28.4.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend.

8. [verzoeker A] heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft onderkend dat de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens met zijn perceel eveneens minder dan 3 m is en het bouwplan in dat opzicht dus eveneens in strijd is met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Op grond van de bouwtekeningen en de daarop aangegeven perceelsgrens bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens met het perceel van [verzoeker A] op geen enkel punt minder dan 3 meter bedraagt. [verzoeker A] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat [verzoeker A] ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst naar diezelfde bouwtekeningen.

9.1 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan (ook) in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het hoofdgebouw deels buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de gehele uitbreiding moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw. Volgens verzoekers maken de woonkeuken, de bijkeuken en de hal onderdeel uit van het hoofdgebouw, omdat deze ruimten niet kunnen worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daaraan in architectonisch opzicht niet ondergeschikt zijn. De omstandigheden dat de woonkeuken, de bijkeuken en de hal zijn voorzien van een afzonderlijk plat dak, dat dit dak lager is dan de andere dakdelen en dat de woonkeuken verder naar achteren is gelegen, leiden volgens verzoekers niet tot een ander oordeel, omdat het dak van de woonkeuken overgaat in het dak van de achterzijde van het gebouw en het daarmee een geïntegreerd geheel vormt. Verder wijzen zij erop dat een deel van de woonkeuken onder de kap ligt die volgens de bouwtekening binnen het bouwvlak valt. De achterste slaapkamer op de eerste verdieping bevindt zich geheel onder de kap. De woonkeuken bevindt zich deels onder die uitbreiding en sluit aan op het hoofdgebouw. Verder hebben verzoekers aangevoerd dat de te bouwen uitbreiding in functioneel opzicht als geïntegreerd onderdeel van het hoofdgebouw is te beschouwen. Voorts is volgens verzoekers in bouwkundig opzicht, gelet op de vorm en de omvang, geen sprake van een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling van het hoofdgebouw.

9.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het gedeelte van de uitbreiding dat zich onder de (verlengde) kap bevindt en uit drie bouwlagen bestaat, moet worden aangemerkt als uitbreiding van het hoofdgebouw. Dit gedeelte bevindt zich binnen het bouwvlak. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bijkeuken, de hal en het gedeelte van de woonkeuken dat buiten het bouwvlak valt, moeten worden aangemerkt als uitbreiding van het hoofdgebouw of als aan- of uitbouw.

9.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de functies van de verschillende ruimten bij de beantwoording van deze vraag niet van belang zijn. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat ingevolge de in de planvoorschriften opgenomen definities van de begrippen aanbouw en uitbouw de eis van functionele ondergeschiktheid aan het hoofdgebouw niet geldt.

9.4 De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de hal en de bijkeuken moeten worden aangemerkt als aanbouw in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel 3, van de planvoorschriften. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de hal en de bijkeuken als afzonderlijke ruimtes zijn gebouwd aan (de uitbreiding van) het hoofdgebouw en daarmee in directe verbinding staan. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hal en de bijkeuken kunnen worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat de hal en de bijkeuken zijn voorzien van een plat dak en slechts één bouwlaag hoog zijn, terwijl het hoofdgebouw bestaat uit drie bouwlagen en is voorzien van een kap. Hieruit volgt dat voor de hal en de bijkeuken niet geldt dat zij binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd.

9.5 De voorzieningenrechter is met partijen van oordeel dat het gedeelte van de woonkeuken dat onder de kap is gelegen onderdeel uitmaakt van (de uitbreiding van) het hoofdgebouw. Nu de gehele woonkeuken nieuw wordt gebouwd en deze niet is onderverdeeld in verschillende ruimten, kan de woonkeuken niet worden gesplitst in een gedeelte dat onderdeel uitmaakt van (de uitbreiding van) het hoofdgebouw en een gedeelte dat moet worden aangemerkt als aan- of uitbouw. De woonkeuken kan niet worden aangemerkt als aanbouw, omdat een deel van de woonkeuken onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw en dus geen sprake is van een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw. De woonkeuken kan niet (deels) worden aangemerkt als uitbouw, omdat de gehele woonkeuken nieuw wordt gebouwd en dus geen sprake is van een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de gehele woonkeuken moet worden aangemerkt als onderdeel van het hoofdgebouw in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel 45, van de planvoorschriften.

9.6 Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het hoofdgebouw deels buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe overweegt hij het volgende. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat verweerder bereid is medewerking te verlenen aan het bouwplan. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij voor een eventuele afwijking van het bestemmingsplan op dit punt omgevingsvergunning kan verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1 of 2, van de Wabo. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verweerder dit gebrek kan herstellen door in het besluit op bezwaar met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 28, lid 28.4.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van de vergunninghouder bij het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning in redelijkheid zwaarder kan wegen dan de belangen van verzoekers. Verzoekers worden door het overschrijden van het bouwvlak niet onevenredig in hun belangen aangetast. Ook wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Daartoe overweegt hij dat het bestemmingsplan toestaat dat op dezelfde plek een aan- of uitbouw met dezelfde omvang en bouwhoogte wordt gebouwd. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat de woonkeuken wordt gerealiseerd aan de achterzijde van de bestaande woning en vanaf de openbare weg slechts beperkt zichtbaar zal zijn.

10.1 [verzoekers A en B] hebben aangevoerd dat verweerder er in het bestreden besluit ten onrechte vanuit is gegaan dat het bouwplan ertoe zal leiden dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens met hun perceel 1,9 m zal bedragen. Volgens hen zal deze afstand 0,3 m bedragen, omdat ook de bijkeuken en de hal moeten worden aangemerkt als (uitbreiding van het) hoofdgebouw. Verder hebben zij aangevoerd dat zij vrezen dat hun heg, die op de perceelgrens staat, het niet zal overleven wanneer op een afstand van 0,3 m een muur wordt gebouwd.

10.2 Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, moeten de bijkeuken en de hal naar zijn oordeel worden aangemerkt als aanbouwen en niet als uitbreiding van het hoofdgebouw. Hieruit volgt dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens met het perceel van [verzoekers B en C] 1,9 m bedraagt.

10.3 De voorzieningenrechter overweegt voorts dat, zoals [verzoekers B en C] terecht hebben aangevoerd, de afstand tussen de bijkeuken en de hal en de zijdelingse perceelsgrens met hun perceel 0,3 m is. Dit betekent dat het bouwplan in strijd is met artikel 28, lid 28.2.3, aanhef en onderdeel a, van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelsgrens dan wel in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd. Verweerder heeft dit niet onderkend. De voorzieningenrechter ziet ook hierin echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader het volgende. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat verweerder bereid is medewerking te verlenen aan het bouwplan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verweerder dit gebrek kan herstellen door in het besluit op bezwaar met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van de vergunninghouder bij het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning in redelijkheid zwaarder kan wegen dan de belangen van [verzoekers B en C]. [verzoekers A en B] worden hierdoor niet onevenredig in hun belangen aangetast. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het bestemmingsplan toestaat dat de bijkeuken en de hal op de perceelgrens worden gebouwd. Ter zitting heeft de vergunninghouder verklaard dat dit oorspronkelijk ook de bedoeling was, maar dat hiervan is afgezien om tegemoet te komen aan de wens van [verzoekers B en C] om de op de perceelgrens staande heg te behouden. Om diezelfde reden ziet de voorzieningenrechter in de wens van [verzoekers B en C] om hun heg te behouden geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in redelijkheid niet zou kunnen toestaan dat de bijkeuken en hal op een afstand van 0,3 m van de perceelgrens worden gebouwd. Ook wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, acht de voorzieningenrechter daarbij van belang dat de hal en de bijkeuken worden gerealiseerd aan de achterzijde van de bestaande woning en vanaf de openbare weg slechts beperkt zichtbaar zullen zijn.

11.1 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder de vergunninghouder ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Daartoe hebben zij aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Verzoekers stellen dat zij door het bouwplan worden aangetast in hun woongenot. [verzoekers A en B] hebben daartoe aangevoerd dat het verlengen van de kap voor hen onaanvaardbaar is, omdat de woning veel te diep wordt. Volgens [verzoekers B en C] past dit niet bij de andere huizen in de buurt, die allemaal ongeveer even diep zijn. Verder hebben zij aangevoerd dat zij vanuit hun serre en tuin zicht hebben op het lelijke zinken dak en dat door dit dak hun uitzicht en de zonlichttoetreding op hun perceel worden beperkt. [verzoeker A] heeft in dit kader aangevoerd dat zijn privacy wordt aangetast ten gevolge van het bouwplan, doordat in (de verlenging van) de kap ramen worden aangebracht.

11.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de door verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 28, lid 28.4.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, verleende omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of gebouwen in strijd met het bestemmingsplan enkel ziet op de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens met het perceel van [verzoekers B en C]. Dit betekent dat de door verweerder te maken belangenafweging alleen daarop betrekking kan hebben. Verweerder kon het betoog van [verzoeker A] dat zijn privacy wordt aangetast door het aanbrengen van ramen in de kap niet betrekken bij deze belangenafweging, omdat het aanbrengen van ramen in de kap niet in strijd is met het bestemmingsplan en (de uitbreiding van) de kap aan de zijde van het perceel van [verzoeker A] niet dichter bij de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

11.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het belang van de vergunninghouder bij het bouwen van de verlenging van het hoofdgebouw op minder dan 3 m van de perceelgrens zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen die daartegen pleiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden de belangen van verzoekers hierdoor niet onevenredig aangetast. Verweerder heeft in dit kader overwogen dat de bepaling over de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens in de planvoorschriften is opgenomen om te voorkomen dat te dicht op de zijdelingse perceelsgrens grote hoofdgebouwen worden opgericht die leiden tot schaduwwerking voor het naburige perceel en ter bevordering en behoud van een goed stedenbouwkundig beeld vanaf de openbare ruimte. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Doordat het perceel van [verzoekers B en C] is gelegen ten westen van het perceel, zal de toename van de schaduwwerking ten gevolge van de verlenging van de kap op 1,9 m in plaats van 3 m van de perceelgrens relatief gering zijn. Bovendien mag ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de in het bouwvlak aangegeven maatvoeringseisen, tot een hoogte van maximaal 11 m worden gebouwd, terwijl het bouwplan voorziet in een maximale hoogte van 9 m. Indien een hoofdgebouw van 11 m hoog zou worden gebouwd op 3 m van de perceelgrens (in plaats van op 1,9 m) zou de beperking van de zonlichttoetreding en het uitzicht op het perceel van [verzoekers B en C] groter zijn dan de beperking die voortvloeit uit het bouwplan. De diepte van de verlengde kap is op zich niet in strijd met het bestemmingsplan. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Daarbij acht de voorzieningenrechter, naast hetgeen hij hiervoor heeft overwogen, vooral van belang dat de verlenging van de kap plaatsvindt aan de achterzijde van de woning, waardoor deze vanaf de openbare weg slechts beperkt zichtbaar is.

12.1 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het welstandsadvies niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, omdat het bouwplan enkel op zichzelf is beoordeeld en niet is beoordeeld of het bouwwerk passend is in de omgeving en in lijn ligt met de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Daarnaast hebben zij gemotiveerd aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

12.2 Verweerder heeft zijn oordeel over de welstand gebaseerd op een advies van welstandscommissie Hûs en Hiem van 21 maart 2012. In dit advies heeft Hûs en Hiem kritiek geuit op het bouwplan. Deze kritiek houdt in dat het toepassen van zink op de gevels en dakvlakken van de aanbouw leidt tot een te opvallend beeld, indien een te licht ogend materiaal wordt toegepast. Hûs en Hiem heeft voorgesteld deze kritiek te ondervangen door het zinkmateriaal te bemonsteren, waarbij een gedekte tint als uitgangspunt wordt genomen. In reactie op de beroepsgronden van verzoekers heeft verweerder een aanvullend advies van Hûs en Hiem van 28 augustus 2012 in het geding gebracht.

12.3 Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook kan laatstgenoemde omstandigheid aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende. De voorzieningenrechter verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 9 mei 2012 (LJN BW5254).

12.4 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat de adviezen van Hûs en Hiem naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder het reeds daarom niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit deze adviezen niet worden afgeleid dat Hûs en Hiem het bouwplan alleen op zichzelf heeft beoordeeld. Uit het advies van 21 maart 2012 blijkt dat Hûs en Hiem het bouwplan heeft getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria. Dit betreft de criteria uit de welstandsnota. Deze criteria hebben zowel betrekking op het bouwwerk op zichzelf als op de relatie met de omgeving. Dit wordt bevestigd door het aanvullend advies.

12.5 Verzoekers hebben geen advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. De brief van Erfgoedvereniging Heemschut (hierna: Heemschut) van 29 maart 2012 kan niet als zodanig worden aangemerkt, omdat Heemschut het bouwplan niet heeft getoetst aan de criteria uit de welstandsnota. Verder geldt dat Heemschut niet heeft gereageerd op het advies van Hûs en Hiem.

12.6 Verzoekers hebben gemotiveerd aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. In het aanvullend advies is Hûs en Hiem uitgebreid ingegaan op de door verzoekers aangevoerde kritiekpunten. Hûs en Hiem heeft geconcludeerd dat het ontwerp, mits het voorbehoud met betrekking tot de kleur van het zink wordt ondervangen, in hoge mate voldoet aan de gestelde criteria. Verzoekers hebben aangevoerd dat het definitieve oordeel van Hûs en Hiem, gelet op het voorbehoud, afhangt van de uitvoering van het bouwwerk. Daarnaast leiden verzoekers uit de term "in hoge mate" af dat Hûs en Hiem van oordeel is dat het bouwplan niet volledig voldoet aan redelijke eisen van welstand en blijkbaar nog twijfelt over de uitvoering van het bouwplan.

12.7 De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in dit betoog. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan het door Hûs en Hiem gemaakte voorbehoud tegemoet gekomen door aan de omgevingsvergunning het voorschrift te verbinden dat het zink moet worden bemonsterd voordat het wordt aangebracht. Anders dan verzoekers menen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de term "in hoge mate" niet worden afgeleid dat het bouwplan niet volledig voldoet aan redelijke eisen van welstand of dat het advies niet definitief is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit juist dat Hûs en Hiem van mening is dat het bouwplan zeer goed voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit blijkt reeds uit het feit dat Hûs en Hiem in het aanvullende advies uitdrukkelijk opmerkt dat (met uitzondering van de mogelijk te lichte kleur van het zink) aan de criteria wordt voldaan. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader ook naar de afsluitende opmerking van Hûs en Hiem dat het karakter van de traditionele woning met de keuze voor het verlengen van de bestaande hoofdvorm in een weliswaar eigentijdse, maar op de bestaande toestand geïnspireerde en afgestemde detaillering en materialisatie juist optimaal in zijn waarde wordt gelaten.

12.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekers dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria wordt weerlegd door het aanvullend advies van Hûs en Hiem. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder zijn standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand heeft mogen baseren op het advies en het aanvullend advies van Hûs en Hiem. Hieruit volgt dat het betoog van verzoekers dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand faalt.

13.1 [verzoeker A] heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend voor het slopen van de garage, omdat de belangen van veiligheid en bescherming van nabijgelegen bouwwerken onvoldoende zijn beschermd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn garage tegen de te slopen garage is aangebouwd en beide garages een muur delen. Dit betekent dat zijn garage na het slopen van de garage op het perceel een muur zal missen. Volgens [verzoeker A] heeft verweerder daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Verder heeft [verzoeker A] aangevoerd dat geen sloopveiligheidsplan is ingediend en verweerder aan de omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschriften heeft verbonden over de veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken.

13.2 Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. Ingevolge het derde lid verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voor het slopen, voor zover in deze zaak van belang, slechts voorschriften over de veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken.

Ingevolge artikel 8.1.6 van de Bouwverordening moet een omgevingsvergunning voor het slopen, voor zover in deze zaak van belang, worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.

13.3 Verweerder en de vergunninghouder hebben de stelling van [verzoeker A] dat de te slopen garage een muur deelt met de garage van [verzoeker A] niet weersproken. Verweerder heeft hiernaar geen onderzoek gedaan en heeft in dit kader geen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. De vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat, indien beide garages een muur delen, wellicht kan worden afgesproken dat de gedeelde muur blijft staan. Vooralsnog is een dergelijke afspraak echter nog niet gemaakt. Gelet hierop bestaat de mogelijkheid dat de garage van [verzoeker A] zal worden beschadigd ten gevolge van het slopen van de garage op het perceel. Indien de beide garages een muur delen, zou het slopen van de garage ook kunnen leiden tot een onveilige situatie in de garage van [verzoeker A] tijdens het slopen. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen en de veiligheid tijdens het slopen (eventueel na het stellen van voorwaarden) voldoende zijn gewaarborgd.

13.4 De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat dit gebrek in het besluit op bezwaar kan worden hersteld. De voorzieningenrechter ziet desalniettemin aanleiding om naar aanleiding van het verzoek van [verzoeker A] een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat door het in de tussentijd slopen van de garage een onomkeerbare situatie ontstaat. De voorzieningenrechter treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat, indien sprake is van een gedeelde muur tussen de te slopen garage en de garage van [verzoeker A], die gedeelde muur niet mag worden gesloopt. De voorzieningenrechter bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de voorlopige voorziening doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van [verzoeker A] tot het treffen van een voorlopige voorziening af voor zover meer of anders is verzocht.

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van [verzoekers B en C] af.

15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek van [verzoeker A] toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan [verzoeker A] het door hem in de procedure met zaaknummer 12/1755 betaalde griffierecht vergoedt.

16. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door [verzoeker A] gemaakte proceskosten in de procedure met zaaknummer 12/1755. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1).

17. In de procedure van [verzoekers B en C] met zaaknummer 12/1756 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat, indien sprake is van een gedeelde muur tussen de te slopen garage en de garage van [verzoeker A], die gedeelde muur niet mag worden gesloopt;

- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de voorlopige voorziening doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- wijst af hetgeen [verzoeker A] in de procedure met zaaknummer 12/1755 meer of anders heeft verzocht;

- wijst het verzoek van [verzoekers B en C] met zaaknummer 12/1756 af;

- draagt verweerder in de procedure met zaaknummer 12/1755 op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan [verzoeker A] te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de procedure met zaaknummer 12/1755 in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00 te betalen aan [verzoeker A].

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2012.

w.g. P.G. Wijtsma

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.