Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2744

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/673
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:58, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de vaste jurisprudentie van de ABRvS over de verhouding tussen de verschillende vrijstellingsbevoegdheden eveneens geldt voor de verhouding tussen de verschillende in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo neergelegde bevoegdheden om omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan. Daarom geldt naar het oordeel van de rechtbank dat in het geval dat een bouwplan valt binnen de reikwijdte van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo maar daarvoor op grond van de beleidsregels geen omgevingsvergunning kan worden verleend, geen bevoegdheid bestaat om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1881

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/673

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: J.A. Wiegersma, werkzaam bij Omgevingsburo Wiegersma te De Westereen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, verweerder

(gemachtigden: mr. D. Tilstra en F. Wiersma, beiden werkzaam bij de gemeente Dantumadiel).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2011 heeft verweerder geweigerd eiser omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een luifel op het perceel [perceel] te [woonplaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 februari 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 10 november 2011 ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser woont op het perceel. Het perceel heeft een oppervlakte van 6480 m². Op het perceel is 194 m² aan ondergeschikte bebouwing aanwezig. Op 17 september 2011 heeft eiser omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een luifel met een oppervlakte van 30 m² aan een reeds opgerichte wagenberging.

2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[woonplaats]-East" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "woondoeleinden". Op grond van artikel 3, tweede lid, onder b, onderdeel 1, van de planvoorschriften bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte bebouwing per hoofdgebouw bij een bouwperceel met een oppervlakte van meer dan 1000 m² niet meer dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot een maximum van 200 m² dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer is.

3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op het perceel al 194 m² aan ondergeschikte bebouwing aanwezig is en het maximum van 200 m² dus zal worden overschreden door de bouw van de luifel.

4. Verweerder heeft geweigerd met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) behorende bijlage II omgevingsvergunning ter verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze weigering in stand gelaten. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het door hem gehanteerde beleid en geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij de bouwaanvraag niet behoeft te toetsen aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo.

5.1 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd hem omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen en ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

5.2 Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover in deze zaak van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover in deze zaak van belang, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

(…)

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II, voor zover in deze zaak van belang, komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdel a, onder 2, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

5.3 Verweerder hanteert bij het toepassen van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II, het beleid dat is neergelegd in de "Beleidsregels voor buitenplanse afwijkingen van het bestemmingsplan (ex artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht)" (hierna: de beleidsregels). Volgens artikel 2.3, aanhef en onder 3, onderdeel b, van de beleidsregels is een afwijking van het bestemmingsplan bij een bouwperceel met een oppervlakte van meer dan 1000 m² mogelijk voor niet meer dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot een maximum van 200 m². In de toelichting op de beleidsregels wordt opgemerkt dat deze regeling aansluit bij wat bij recht in de recent vastgestelde bestemmingsplannen wordt toegestaan of na binnenplanse afwijking kan worden opgericht. Volgens artikel 1.8 van de beleidsregels (getiteld "hardheidsclausule") blijft het college bevoegd om af te wijken van deze beleidsregels, wanneer deze voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In gevallen als het onderhavige komt het beleid erop neer dat verweerder geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet onredelijk is.

5.4 De weigering om omgevingsvergunning te verlenen is in overeenstemming met de beleidsregels. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 1.8 van de beleidsregels of artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, eerst lid, van de Awb en dat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb ziet op bijzondere gevallen die niet in de beleidsregels zijn verdisconteerd. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 7 april 2010 (LJN BM0172). De rechtbank is van oordeel dat dit eveneens geldt voor de hardheidsclausule van artikel 1.8 van de beleidsregels, omdat deze bepaling dezelfde strekking heeft als artikel 4:84 van de Awb. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die niet in de beleidsregels zijn verdisconteerd. Daarom mocht verweerder de omgevingsvergunning weigeren onder verwijzing naar de beleidsregels. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.

6.1 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of aanleiding bestond om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo. Naar aanleiding van dit betoog overweegt de rechtbank het volgende.

6.2 Het is vaste rechtspraak van de ABRvS dat geen bevoegdheid bestaat om voor een bouwplan vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) wanneer dit bouwplan valt binnen de reikwijdte van artikel 19, derde lid, van deze wet maar daarvoor op grond van het gevoerde beleid geen vrijstelling kon worden verleend. In een dergelijk geval komt aan een beroep op andere vrijstellingsmogelijkheden, wat daar verder ook van zij, geen zelfstandige betekenis toe. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar de uitspraken van de ABRvS van 21 maart 2007 (LJN BA1140) en 20 oktober 2010 (LJN BU8076).

6.3 De rechtbank is van oordeel dat deze jurisprudentie over de verhouding tussen de verschillende vrijstellingsbevoegdheden eveneens geldt voor de verhouding tussen de verschillende in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo neergelegde bevoegdheden om omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan. Daarom geldt naar het oordeel van de rechtbank dat in het geval dat een bouwplan valt binnen de reikwijdte van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo maar daarvoor op grond van de beleidsregels geen omgevingsvergunning kan worden verleend, geen bevoegdheid bestaat om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo.

6.4 Dit geval doet zich naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak voor. Daarom behoefde verweerder niet te beoordelen of omgevingsvergunning kon worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo. Dit betekent dat ook deze beroepsgrond faalt.

.

7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft geweigerd eiser omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een luifel. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2012.

w.g. C.H. de Groot

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.