Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2742

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

ambtshalve wijziging briefadres in "land onbekend" - geen gedegen onderzoek - niet volledig onbereikbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 12/563

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 april 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Jonker, advocaat te Leeuwarden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Franekeradeel, verweerder

(gemachtigden: mr. P.A.J.S. Lathouwers, juridisch adviseur te Mierlo, en D.G. Falkena-Brinksma, werkzaam bij de gemeente Franekeradeel).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker met ingang van 1 december 2011 uitgeschreven als inwoner van de gemeente Franekeradeel, met de vermelding "land onbekend".

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat genoegzaam is aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De omstandigheid dat verzoeker eerst aan het einde van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt en eerst bijna drie maanden na het bestreden besluit een verzoek om voorlopige voorzieningenrechter heeft gedaan, kan niet tot een ander oordeel leiden. In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat ter zitting namens verzoeker is verklaard dat het bestreden besluit in eerste instantie niet tot (onoverkomelijke) problemen leidde, maar dat het ontbreken van een (brief)adres na verloop van tijd toch tot problemen leidde met de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De omstandigheid dat verzoeker na een eventuele gegrondverklaring van zijn bezwaar opnieuw kan worden ingeschreven op het briefadres, doet er niet aan af dat het beëindigen van die inschrijving op dit moment voor verzoeker tot problemen leidt, die maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verweerder stelt dat het bestreden besluit op 9 december 2011 per aangetekende post aan verzoeker is verzonden. Daarnaast heeft verweerder het bestreden besluit onverplicht gepubliceerd in de Franeker Courant van 14 december 2011. Verzoeker ontkent het bestreden besluit te hebben ontvangen en stelt eerst kennis te hebben genomen van dit besluit door middel van de publicatie. Indien het bestreden besluit inderdaad op 9 december 2011 aan verzoeker is verzonden, was de laatste dag van de bezwaartermijn 20 januari 2012. Het bezwaarschrift van 24 januari 2012 is op 25 januari 2012 door verweerder ontvangen. Zowel onder het bestreden besluit als in de publicatie staat echter dat bezwaar kan worden gemaakt binnen zes weken na de publicatie. Het bezwaarschrift is binnen deze termijn ingediend. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat door een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting veroorzaakte termijnoverschrijding verschoonbaar is, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. In dit geval is geen sprake van een kennelijke misslag. Daarom is een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar. Dit betekent dat het bezwaar ontvankelijk is.

4. Verzoeker stond sinds 9 juli 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) ingeschreven op het briefadres [briefadres] te [woonplaats] (hierna: het briefadres). Bij het bestreden besluit heeft verweerder hem uitgeschreven met de vermelding "land onbekend".

5. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet gemeente basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) geschiedt uitschrijving uitsluitend op grond van de mededeling van het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente dat heeft besloten tot inschrijving van de betrokken persoon in zijn basisadministratie. Aangezien uit het bestreden besluit niet blijkt van uitschrijving als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet GBA, begrijpt de voorzieningenrechter dat besluit aldus dat verweerder de inschrijving van verzoeker in de GBA op het briefadres met ingang van 1 december 2011 ambtshalve heeft gewijzigd in "land onbekend". De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2010 (LJN: BL0749).

6. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn adres ten onrechte ambtshalve heeft gewijzigd in "land onbekend". Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij niet is verhuisd en dat hij ook geen ander briefadres heeft. Verder heeft hij aangevoerd dat het beleid in strijd is met de Wet GBA, omdat dit beleid ten onrechte uitgaat van een fictie. Volgens verzoeker is dit in strijd met de bedoeling van de Wet GBA dat de gegevens die in de GBA zijn opgenomen zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk moeten zijn. Verzoeker stelt dat hij nog steeds bereikbaar is op het briefadres.

7. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat een briefadres op grond van zijn beleid slechts tijdelijk is en wordt afgegeven voor een periode van maximaal twaalf maanden. Na afloop van deze periode moet de betrokkene in beginsel worden ingeschreven op het woonadres waar hij feitelijk verblijft. Dit beleid is in werking getreden op 1 september 2010 en neergelegd in de "notitie beleidsregels met betrekking tot het hanteren van briefadressen als bedoeld in artikel 49 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens". In het geval van verzoeker is deze termijn ruimschoots verstreken. Verweerder heeft erop gewezen dat in het nieuwe beleid is voorzien in overgangsrecht. Dit houdt in dat personen die ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe beleid staan ingeschreven op een briefadres, de mogelijkheid krijgen om nog tot uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van de beleidsregel op dat adres een briefadres aan te houden. In het geval van verzoeker is ook deze termijn verstreken. Ook heeft verzoeker geen verzoek gedaan om verlenging van de inschrijving op het briefadres. Daarom is het briefadres volgens verweerder uiterlijk op 15 november 2011 van rechtswege beëindigd. Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het beleid af te wijken.

Verweerder is van mening dat het beleid niet in strijd is met de Wet GBA. Volgens verweerder geeft de Wet GBA ruimte om beleid vast te stellen met betrekking tot briefadressen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de Wet GBA de mogelijkheid biedt om in een aantal situaties een briefadres niet, althans niet ongeclausuleerd dan wel ongelimiteerd toe te staan. Volgens verweerder sluit het beleid aan bij de doelstelling van de Wet GBA dat gegevens in de GBA zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk moeten zijn. Verder heeft verweerder erop gewezen dat het beleid het niet onmogelijk maakt om iemand op een daartoe strekkend verzoek in te schrijven op een briefadres.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aanleiding bestond om verzoekers inschrijving in het GBA te wijzigen in "land onbekend", omdat verzoeker - ondanks herhaalde verzoeken daartoe - geen informatie heeft gegeven over zijn verblijfplaats en hij volkomen onbereikbaar is.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Wet GBA geen ruimte biedt voor het door verweerder gevoerde beleid. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat een ingezetene op grond van artikel 66 van de Wet GBA verplicht is om bij het ontbreken van een woonadres een briefadres te kiezen en op te geven. Verder geldt dat verweerder op grond van artikel 49 van de Wet GBA bij het ontbreken van een woonadres verplicht is op aangifte een briefadres op te nemen. De tijdsduur van de inschrijving op een briefadres wordt in deze bepalingen niet aan een maximum gebonden. Ook bieden deze bepalingen, noch de overige bepalingen van de Wet GBA een grondslag voor het vaststellen van een dergelijke beperking. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 april 2012 (LJN: BW2433). Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beleid buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met de Wet GBA. Reeds daarom kan geen sprake zijn van het, door verweerder gestelde, "van rechtswege" eindigen van verzoekers briefadres. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beleid geen grondslag kan bieden voor het ambtshalve met toepassing van artikel 47, tweede lid, van de Wet GBA wijzigen van het briefadres in "land onbekend".

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ook overigens onvoldoende heeft gemotiveerd dat aanleiding bestond voor het ambtshalve wijzigen van het briefadres in "land onbekend". Het is vaste rechtspraak van de ABRvS dat het in de GBA geregistreerde adres slechts mag worden gewijzigd in "land onbekend" op basis van voorafgaand, gedegen onderzoek naar het nieuwe adres van betrokkene. Een adreswijziging in "land onbekend" is onder omstandigheden ook mogelijk indien niet vaststaat dat de betrokkene daadwerkelijk naar het buitenland is vertrokken. In een dergelijk geval moet echter wel zijn vastgesteld dat de betrokkene volledig onbereikbaar is. De voorzieningenrechter verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraken van de ABRvS van 25 april 2007 (LJN: BA3719) en 27 januari 2010 (LJN: BL0749) en procedure 6.3 van de (door verweerder gehanteerde) Handleiding uitvoeringsprocedures van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder geen gedegen onderzoek heeft gedaan naar verzoekers (vermeende) nieuwe adres. Het onderzoek heeft eruit bestaan dat verweerder verzoeker in zijn brieven van 1 september 2010, 1 september 2011 en 15 november 2011 heeft geïnformeerd over zijn nieuwe beleid en hem heeft gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verlengingsverzoek en de verplichting om een eventuele adreswijziging door te geven. Daarnaast heeft verweerder verzoeker in de brief van 15 november 2011 de gelegenheid geboden te reageren op zijn voornemen het briefadres ambtshalve te wijzigen in "land onbekend". Verweerder heeft verzoeker in deze brieven niet gevraagd naar zijn verblijfplaats. Verder acht de rechtbank van belang dat verzoeker in reactie op de brief van 1 september 2011 heeft meegedeeld dat hij geen nieuw woon- of briefadres heeft. Verweerder heeft naar aanleiding van deze mededeling geen vragen gesteld of op andere wijze onderzoek gedaan. Verder blijkt uit de omstandigheid dat verzoeker heeft gereageerd op de door verweerder naar het briefadres verstuurde brieven van 1 september 2011 en 15 november 2011 dat hij niet volledig onbereikbaar is.

10. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verweerder verzoeker opnieuw inschrijft in de GBA op het briefadres [briefadres] te [woonplaats]. De voorzieningenrechter bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de voorlopige voorziening doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder verzoeker opnieuw inschrijft in de GBA op het briefadres [briefadres] te [woonplaats];

- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de voorlopige voorziening doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,00 aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

w.g. E.M. Visser

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.