Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2647

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 11/1699 en AWB LEE 11/1719
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroepen van TSM en EVT tegen de ligplaatsvergunning van EVT voor plek 2 in de haven van West-Terschelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/1699 en 11/1719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2012 in de zaken tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Terschellinger Stoomboot Maatschappij b.v., te West-Terschelling,

eiseres in de zaak met zaaknummer 11/1699 (hierna: TSM)

(gemachtigde: mr. J.M. Neefe, advocaat te Rotterdam),

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eigen Veerdienst Terschelling b.v., te Formerum,

eiseres in de zaak met zaaknummer 11/1719 (hierna: EVT)

(gemachtigde: [A], werkzaam in eigen dienst),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling,

verweerder (hierna: het college)

(gemachtigden: mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en P. de Bos en F. Stiemsma, beiden werkzaam bij de gemeente Terschelling).

EVT heeft als derde-partij deelgenomen aan het geding met zaaknummer 11/1699. TSM heeft als derde-partij deelgenomen aan het geding met zaaknummer 11/1719.

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college EVT vergunning verleend voor het innemen van ligplaats met het motorschip ms. "Stortemelk" (hierna: de Stortemelk) op een plek in de haven van West-Terschelling, die op de bij deze uitspraak gevoegde kaart is aangeduid als plek 2 (hierna: plek 2).

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 15 juni 2011 (hierna: het bestreden besluit), heeft het college de bezwaren van TSM en EVT tegen het besluit van 17 augustus 2010 ongegrond verklaard.

TSM en EVT hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Daarnaast heeft TSM de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 11/1698. Bij uitspraak van 1 december 2011 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en het bestreden besluit en de aan EVT verleende ligplaatsvergunning voor de Stortemelk voor plek 2 geschorst totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep van TSM met zaaknummer 11/1699.

Bij uitspraak van 11 november 2011 heeft de rechtbank het beroep van EVT met zaaknummer 11/1719 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het beroep niet tijdig zijn ingediend.

Bij uitspraak van 3 april 2012 heeft de rechtbank het verzet van EVT tegen de uitspraak van 11 november 2011 gegrond verklaard. Hiermee is de uitspraak van 11 november 2011 komen te vervallen. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek in de procedure met zaaknummer 11/1719 voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De rechtbank heeft de zaken met de zaaknummers 11/1699 en 11/1719 ter behandeling gevoegd met elkaar en met de zaken met de zaaknummers 11/1594, 11/2576, 11/3157 en 11/3218.

TSM heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak met zaaknummer 11/1719 gegeven.

EVT heeft per brief van 12 september 2012 een aantal (nadere) stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 27 september 2012. EVT heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens het college is wethouder T. de Jong verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigden. Namens TSM zijn haar directeuren [directeuren] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank de zaken met de zaaknummers 11/1699 en 11/1719 afgesplitst van de overige voormelde zaken. In de overige zaken zal afzonderlijk van deze zaken uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1. TSM onderhoudt een veerverbinding tussen Harlingen en Terschelling. TSM maakt op Terschelling gebruik van de wal- en havenfaciliteiten, die eigendom zijn van de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) en de gemeente Terschelling (hierna: de gemeente). De verhouding tussen TSM, de Staat en de gemeente is geregeld in het op 19 december 2007 tussen deze partijen gesloten openbare dienstcontract (hierna: het ODC). Het ODC voorziet onder meer in een zogenaamde "medegebruikregeling" op grond waarvan op de gebruikte (rijks)aanleginrichtingen ook voor derden aanlegmogelijkheden beschikbaar dienen te zijn, voor zover en in de mate dat dit de door TSM op grond van het ODC te verrichten veerdienst niet in gevaar brengt of hindert en het de uitoefening van het ODC niet belemmert (hierna: de medegebruikregeling).

2. EVT onderhoudt sinds augustus 2008 ook een veerverbinding tussen Harlingen en Terschelling. Zij maakt hierbij gebruik van de Stortemelk. Tot eind 2009 maakte zij daarnaast gebruik van het motorschip ms. "Willem Barentsz" (hierna: de Willem Barentsz). EVT beschikt over een ligplaatsvergunning voor een plek in de haven van West-Terschelling, die op de bij deze uitspraak gevoegde kaart is aangeduid als plek 3 (hierna: plek 3). Plek 3 valt onder de medegebruikregeling en wordt ook gebruikt door TSM. Naast de privaatrechtelijke beperkingen die voortvloeien uit de medegebruikregeling gelden voor het gebruik door EVT van plek 3 ook een aantal nadere beperkingen die zijn opgenomen in de huurovereenkomst met de Dienst Domeinen. Deze beperkingen houden onder meer in dat EVT geen gebruik kan maken van plek 3 rondom de tijden waarop TSM gebruik maakt van de naastgelegen plek 2. Plek 2 valt niet onder het ODC en de medegebruikregeling.

3. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college EVT ligplaatsvergunning verleend voor de Stortemelk voor plek 2. Aan deze vergunning heeft het college een aantal voorschriften verbonden.

4. Bij het bestreden besluit heeft het college deze ligplaatsvergunning in stand gelaten en daaraan de volgende voorschriften toegevoegd:

1. Teneinde aan te tonen of het afmeren van het ms. Stortemelk aan het ponton op plek 2 daadwerkelijk wel of niet kan, dient EVT met het ms. Stortemelk een proefligging uit te voeren.

2. Deze proefligging zal onder leiding van een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige dienen plaats te vinden.

3. Het resultaat van de proefligging moet zijn dat er voor eens en voor altijd duidelijkheid komt of het afmeren van voornoemd schip aan de aanleginrichting voor plek 2 veilig en verantwoord kan of niet en welke aanpassingen het schip of ponton moeten ondergaan om het veilig en verantwoord afmeren wel mogelijk te maken.

4. Indien uit de proefligging blijkt dat het afmeren van het ms. Stortemelk niet veilig en verantwoord mogelijk is en er ook geen aanpassingen aan schip of aanleginrichting mogelijk zijn om dat te bewerkstelligen, dan trekken wij alsnog de ligplaatsvergunning voor het ms. Stortemelk voor plek 2 in.

5. Op grond van artikel 1.3, eerste lid, van de Havenverordening Terschelling 2006 (hierna: de Havenverordening) kan het college vergunningen en ontheffingen verlenen en daaraan beperkingen en voorschriften verbinden. De beperkingen en voorschiften mogen slechts strekken tot bescherming van de belangen in verband waarmede de vergunning of ontheffing is vereist.

Op grond van het vijfde lid, wordt een vergunning of ontheffing, voor zover in deze zaak van belang, in ieder geval geweigerd:

(…)

c. in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid in openbaar water;

d. indien een doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet;

(…)

f. indien van een eerdere vergunning of ontheffing gebleken is, dat hiervan door de houder geen gebruik is gemaakt;

(…).

Op grond van het zesde lid kan in het geval, bedoeld in het vijfde lid, onder f, toch verlening plaats vinden indien op genoegzame wijze is aangetoond dat om gegronde reden geen gebruik kon worden gemaakt van de ontheffing of vergunning.

Op grond van artikel 2.2, eerste lid, is het verboden met een schip, waaronder begrepen een woonschip, ligplaats in te nemen of zich met een schip op een ligplaats te bevinden.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet, indien ligplaats wordt ingenomen met een schip, niet zijnde een woonschip, met een vergunning van het college.

Het beroep van TSM met zaaknummer 11/1699

6.1 TSM heeft aangevoerd dat het college EVT ten onrechte ligplaatsvergunning heeft verleend voor plek 2, omdat het doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet en omdat EVT geen gebruik heeft gemaakt van de eerder voor plek 2 verleende vergunning. Volgens TSM is niet op genoegzame wijze aangetoond dat om gegronde reden geen gebruik kon worden gemaakt van de ontheffing of vergunning. Verder heeft TSM aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat zij deze gronden in bezwaar eveneens heeft aangevoerd en het college daarop in het bestreden besluit niet heeft gereageerd.

6.2 De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gereageerd op de gronden van bezwaar van TSM betreffende het doelmatig gebruik van de haven en de eerder verleende vergunning. Het college heeft in het bestreden besluit voor wat betreft het bezwaar van EVT tegen het besluit van 17 augustus 2010 uitdrukkelijk verwezen naar het advies van de bezwaaradviescommissie (hierna: de commissie). Een dergelijke verwijzing ontbreekt voor wat betreft het bezwaar van TSM. Het college heeft in het bestreden besluit zelfs uitdrukkelijk overwogen dat hij, voor zover het advies betrekking heeft op het bezwaar van TSM, contrair het advies van de commissie beslist en hetgeen geldt dat is vermeld onder het kopje beslissing. Daarom kan uit het bestreden besluit niet worden afgeleid dat het college ten aanzien van deze gronden van bezwaar het standpunt van de commissie volgt. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Dit betekent dat de daarop gerichte beroepsgrond slaagt.

7.1 Ter zitting van 27 september 2012 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een doelmatig gebruik van de haven zich niet verzet tegen het verlenen van een ligplaatsvergunning aan EVT voor plek 2 voor de Stortemelk. Het college heeft in dat kader verwezen naar het advies van de commissie en de in het procesverloop vermelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2011.

7.2 Naar het oordeel van de rechtbank staat de omstandigheid dat EVT voor één schip tegelijkertijd over twee ligplaatsvergunningen voor twee plekken beschikt, er niet aan in de weg dat de verschillende functies van de haven op een doelmatige wijze met elkaar worden gecombineerd. Ook is dit niet in strijd met het door het college gehanteerde uitgangspunt dat de beschikbare plekken zo efficiënt en optimaal mogelijk moeten worden gebruikt. In dat kader acht de rechtbank van belang dat het college tijdens de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening van TSM ter zitting van 17 november 2011 heeft verklaard dat er (behalve TSM en EVT) geen andere rederijen zijn die op plek 2 willen aanleggen en TSM dit niet heeft bestreden. Verder acht de rechtbank aannemelijk dat de mogelijkheid om gebruik te maken van plek 2 voor EVT toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het gebruik dat zij maakt van plek 3, omdat dit haar de mogelijkheid geeft om uit te wijken naar plek 2 wanneer zij plek 3 niet kan gebruiken.

7.3 Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een doelmatig gebruik van de haven zich niet verzet tegen het verlenen van een ligplaatsvergunning aan EVT voor de Stortemelk voor plek 2. Dit betekent dat de daartegen gerichte beroepsgrond faalt.

8.1 Verder heeft het college zich ter zitting van 27 september 2012 op het standpunt gesteld dat op genoegzame wijze is aangetoond dat EVT om gegronde reden geen gebruik heeft kunnen maken van de eerder aan haar verleende ligplaatsvergunning voor de Willem Barentsz voor plek 2. Het college heeft in dat kader verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2011.

8.2 EVT beschikte vanaf 17 augustus 2009 over een ligplaatsvergunning voor de Willem Barentsz voor plek 2. Enkele maanden later heeft EVT de Willem Barentsz verkocht en kon zij om die reden niet langer gebruik maken van deze ligplaatsvergunning. De rechtbank acht aannemelijk dat EVT in de tussenliggende maanden geen gebruik heeft kunnen maken van de verleende vergunning, omdat zij daarvoor geen toestemming kreeg van TSM. TSM heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

8.3 Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van gegronde redenen waardoor EVT geen gebruik heeft kunnen maken van de eerder verleende vergunning en dat hierin daarom geen grond is gelegen om de door EVT aangevraagde ligplaatsvergunning voor de Stortemelk voor plek 2 te weigeren. Dit betekent dat de daartegen gerichte beroepsgrond faalt.

9.1 Verder heeft TSM zich op het standpunt gesteld dat het college EVT ten onrechte ligplaatsvergunning heeft verleend voor de Stortemelk voor plek 2, omdat de veiligheid in openbaar water zich daartegen verzet. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de aanleginrichting op plek 2 niet geschikt is voor de Stortemelk. TSM heeft in dat kader verwezen naar rapporten van De Boer en De Groot Civiele Werken van 1 oktober 2010 en 11 november 2011,

9.2 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stortemelk veilig kan afmeren aan de aanleginrichting van plek 2. Het college baseert dit standpunt op de mededeling van TSM in een brief van 6 januari 2010 aan de ABRvS dat de afmeervoorziening van plek 2 alleen geschikt is voor "aluminium/light weight" boten en/of boten van geringe omvang, zoals de Stortemelk. Daarnaast heeft het college meegewogen dat TSM altijd heeft geweigerd om welk schip van EVT dan ook een proefligging te laten uitvoeren op plek 2, ondanks verzoeken daartoe van het college en verzekeringen en garantstellingen van de zijde van EVT. Daarmee heeft TSM volgens het college bewust elke mogelijkheid om te toetsen of de aanleginrichting geschikt is, geblokkeerd. Verder wijst het college erop dat hij het nog steeds noodzakelijk acht dat proefondervindelijk wordt vastgesteld of de Stortemelk kan afmeren aan de aanleginrichting. Daartoe heeft hij de in overweging 4 vermelde voorschriften aan de vergunning verbonden. Indien de aanleginrichting op dit moment niet geschikt is voor de Stortemelk, kan zij volgens het college geschikt gemaakt worden. Volgens het college is het niet gebruikelijk om krachtberekeningen te maken in het kader van een aanvraag voor een ligplaatsvergunning en hij acht dit ook niet noodzakelijk. Het college verwijst verder naar het rapport van Grontmij van 29 september 2011.

9.3 De rechtbank stelt voorop dat het college de vergunning op grond van artikel 1.3, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Havenverordening moet weigeren wanneer de veiligheid in openbaar water zich tegen de verlening verzet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het college in beginsel moet beoordelen of een schip op een veilige manier op de desbetreffende ligplaats kan aanleggen, vóórdat hij een ligplaatsvergunning verleent. Dit geldt des te meer wanneer er een concrete aanleiding bestaat om daaraan te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een dergelijke aanleiding. In de rapporten van De Boer en De Groot Civiele Werken van 1 oktober 2010 en 11 november 2011 wordt geconcludeerd dat de aanleginrichting op plek 2 speciaal is ontworpen voor de licht geconstrueerde schepen van TSM, dat deze aanleginrichting niet geschikt is voor het afmeren van andere schepen dan aluminium light weight catamarans en dat het afmeren van andere schepen, zoals de Stortemelk, kan leiden tot schade aan de afmeervoorziening en tot onveilige situaties op het water. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door deze rapporten ontstane twijfel over de geschiktheid van de aanleginrichting op plek 2 voor de Stortemelk niet worden weggenomen door het rapport van Grontmij van 29 september 2011, maar wordt deze twijfel door dit rapport juist versterkt. Voor een nadere onderbouwing van dit standpunt verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 3.8 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2011. Gelet op de inhoud van de rapporten van De Boer en De Groot Civiele werken en Grontmij bestaat er op dit moment aanleiding om eraan te twijfelen of de aanleginrichting op plek 2 wel geschikt is voor de Stortemelk en of de Stortemelk wel op een veilige manier van deze aanleginrichting gebruik kan maken. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat dat de aanleginrichting beschadigd raakt wanneer de Stortemelk daarvan gebruik maakt. In dat geval is de veiligheid van (de opvarenden van) de Stortemelk en de veiligheid van (de opvarenden van) andere gebruikers van de aanleginrichting en daarmee de veiligheid op openbaar water in het geding.

9.4 Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het college bij de voorbereiding van zijn besluiten onvoldoende kennis heeft vergaard over de relevante feiten. Voordat hij een beslissing nam over het al dan niet verlenen van de vergunning, had het college naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek moeten doen naar de vraag of de aanleginrichting op plek 2 geschikt is voor de Stortemelk en of het gebruik van deze aanleginrichting door de Stortemelk de veiligheid in openbaar water in gevaar kan brengen. Gelet op de voormelde rapporten had dit onderzoek in ieder geval moeten bestaan uit (kracht)berekeningen en - voor zover nodig - een proefligging. Het college kon niet volstaan met het aan de vergunning verbinden van de in overweging 4 vermelde voorschriften. Uit de genoemde rapporten en het verhandelde ter zitting van 27 september 2012 volgt dat de vraag of het gebruik van de aanlegvoorziening op plek 2 door de Stortemelk de veiligheid in openbaar water in gevaar kan brengen niet kan worden beantwoord op basis van alleen een proefligging. Verder had het college zijn standpunt, gelet op deze rapporten, naar het oordeel van de rechtbank niet mogen baseren op de opmerking van TSM in de brief van 6 januari 2010. Dit betekent dat deze beroepsgrond slaagt.

10. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van TSM met zaaknummer 11/1699 gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Er bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het college door middel van de toepassing van een bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen het in overweging 9.4 geconstateerde gebrek te herstellen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 1 december 2012 ook al tot het voorlopige oordeel is gekomen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vragen of de aanleginrichting op plek 2 geschikt is voor de Stortemelk en of het gebruik van deze aanleginrichting door de Stortemelk de veiligheid in openbaar water in gevaar kan brengen. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak uitdrukkelijk aangegeven welk onderzoek naar zijn voorlopig oordeel in ieder geval nog gedaan had moeten worden. Desondanks heeft het college er bewust voor gekozen om geen nader onderzoek te doen. Ter zitting van 27 september 2012 heeft het college verklaard dat bij deze beslissing een rol heeft gespeeld dat een krachtenonderzoek kostbaar is, dat in de gemeenten Terschelling en Harlingen nooit eerder zo'n onderzoek is uitgevoerd in het kader van een aanvraag voor een ligplaatsvergunning en hij de noodzaak daarvan niet ziet. Daarom zal de rechtbank gebruik maken van haar bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 17 augustus 2010 en de daarbij aan EVT verleende ligplaatsvergunning voor de Stortemelk voor plek 2 te herroepen.

Het beroep van EVT met zaaknummer 11/1719

11.1 TSM heeft aangevoerd dat het beroep van EVT niet-ontvankelijk is, omdat EVT niet tijdig de gronden van het beroep heeft ingediend.

11.2 Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het tenminste de gronden van het beroep.

Op grond van artikel 6:6 kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

11.3 De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om het beroep van EVT niet-ontvankelijk te verklaren. Voor de motivering van dit standpunt verwijst de rechtbank naar de in het procesverloop vermelde uitspraak van 3 april 2012 op het door EVT gedane verzet tegen de uitspraak van 11 november 2011.

12. Het beroep van EVT is gericht tegen een aantal voorschriften, verbonden aan de door het college aan haar verleende ligplaatsvergunning voor de Stortemelk voor plek 2. Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en de ligplaatsvergunning heeft herroepen, is ook het beroep van EVT gegrond. Het college zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van EVT van 8 februari 2010. In dat kader hebben partijen belang bij een oordeel van de rechtbank over de door EVT bestreden voorschriften die waren verbonden aan de herroepen ligplaatsvergunning. Daarom zal de rechtbank hierna ingaan op de beroepsgronden van EVT.

13.1 EVT heeft aangevoerd dat zij door middel van de aan de ligplaatsvergunning verbonden voorschriften bij het gebruik van plek 2 ten onrechte wordt gebonden aan de venstertijden uit het ODC. EVT is van mening dat daar geen basis voor is, omdat plek 2 geen onderdeel uitmaakt van het gebied waarop het ODC van toepassing is. Daarom is het college niet bevoegd om de venstertijden van toepassing te verklaren of het gebruik van de ligplaats anderszins te beperken. Verder heeft EVT aangevoerd dat uit twee in opdracht van de Staat der Nederlanden in 2009 uitgevoerde evaluaties blijkt dat de venstertijden kunnen worden gehalveerd. Volgens EVT is daarvoor des te meer aanleiding waar het gaat om venstertijden ten opzichte van snelboten, omdat snelboten enkel personen vervoeren waardoor de logistieke processen waarvoor de venstertijden zijn bedoeld aanzienlijk minder tijd in beslag nemen. Volgens EVT is in de praktijk gebleken dat een kwartier voor in- en uitstappen van personen bij snelboten voldoende is. Ook is volgens EVT ten onrechte het voorschrift opgelegd dat de ligplaats niet mag worden gebruikt als de Tiger er ligt. Dit geeft haar concurrent TSM de mogelijkheid om het gebruik door EVT van plek 2 praktisch onmogelijk te maken. Volgens EVT is dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

13.2 De rechtbank stelt vast dat deze grond is gericht tegen voorschrift 6 van de vergunning. Dit voorschrift luidt als volgt.

"Het innemen van ligplaats is niet toegestaan gedurende een uur voor aankomst en een half uur na vertrek van de sneldienst die TSM uitvoert krachtens de bij het openbare dienstcontract behorende dienstregeling. Deze venstertijden zijn gebaseerd op het ODC zoals dit nog ten tijde van dit besluit geldt. Het ligt in de rede dat het ODC op dit onderdeel binnenkort gewijzigd gaat worden. De in het gewijzigde ODC opgenomen nieuwe venstertijden zullen dan in plaats van de in dit artikel opgenomen tijden gaan gelden. Het innemen van ligplaats is voorts niet toegestaan indien de Tiger het ponton als ligplaats gebruikt, bijvoorbeeld tussen verschillende afvaarten."

13.3 Voorschrift 6 van de ligplaatsvergunning voor de Stortemelk voor plek 2 komt, voor zover in deze zaak van belang, overeen met voorschrift 6 van de ligplaatsvergunning die voorheen gold voor de Willem Barentsz voor plek 2. In haar uitspraak van 6 januari 2011 in de zaak met zaaknummer 09/1973 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat voorschrift aan de ligplaatsvergunning voor de Willem Barentsz voor plek 2 te verbinden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid een koppeling heeft kunnen maken tussen de ligplaatsvergunning en de venstertijden uit het ODC en dat de belangen van EVT hierdoor niet onevenredig worden aangetast. De ABRvS heeft het hoger beroep van EVT tegen deze uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen over voorschrift 6 van de ligplaatsverordening voor de Stortemelk voor diezelfde plek. Voor de motivering van dit standpunt verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 6 januari 2011 en met name naar de overwegingen 4.6, 4.9 en 4.10. Dat de venstertijden wellicht kunnen worden verkort, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Ten tijde van het bestreden besluit waren de venstertijden van het ODC niet gewijzigd. Indien de venstertijden van het ODC worden gewijzigd, werkt deze wijziging op grond van het voorschrift door in de ligplaatsvergunning.

14.1 EVT heeft aangevoerd dat het college het feitelijk gebruik van de vergunning door EVT door middel van voorschrift 5 afhankelijk stelt van de medewerking van TSM zonder dat het college daar zelf enige invloed op wil uitoefenen in bestuursrechtelijke of civielrechtelijke zin. Dit is volgens EVT in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

14.2 Voorschrift 5 luidt als volgt.

"Voor zover daarvoor (privaatrechtelijke) toestemming vereist is van TSM, Rijkswaterstaat of Domeinen, dan dient EVT zelf zorg te dragen voor het verkrijgen daarvan. Tevens dient EVT in nadere afspraak met de vorengenoemde partijen aan te geven wanneer zij van de aanleginrichting gebruik wenst te maken."

14.3 De rechtbank is van oordeel dat het college dit voorschrift in redelijkheid aan de ligplaatsvergunning heeft kunnen verbinden. De rechtbank ziet niet in waarom dit voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Door dit voorschrift worden aan het gebruik door EVT van plek 2 geen beperkingen verbonden, die niet ook reeds gelden op grond van de bestaande privaatrechtelijke verhoudingen. Naar het oordeel van de rechtbank is het college niet gehouden om zich in het kader van de verlening van een ligplaatsvergunning in deze verhoudingen te mengen.

15.1 EVT heeft aangevoerd dat met voorschrift 20 een nodeloze verdere beperking wordt aangebracht op de mogelijkheden die zij heeft om de Stortemelk vanaf plek 2 te exploiteren. Volgens EVT beoogt het college met deze voorwaarde te bewerkstelligen dat de venstertijden die voortvloeien uit het ODC ook van toepassing worden op het gebruik van de Stortemelk van plek 2. Volgens EVT is dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

15.2 Voorschrift 20 luidt als volgt.

"De passagiers en bemanning dienen via het omheinde terrein dat voor het medegebruik is bestemd aan en van boord te gaan."

15.3 De rechtbank is van oordeel dat het college dit voorschrift in redelijkheid aan de ligplaatsvergunning heeft kunnen verbinden. De rechtbank ziet niet in waarom dit voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft het college door middel van voorschrift 6 een koppeling gelegd tussen de venstertijden van het ODC en (het gebruik van) de ligplaatsvergunning voor de Stortemelk voor plek 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze koppeling niet onredelijk is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de belangen van EVT door deze koppeling niet onevenredig worden aangetast. De rechtbank verwijst in dit kader naar overweging 13.3 en de uitspraak van 6 januari 2011 in de zaak met zaaknummer 09/1973.

16. Ter zitting heeft de gemachtigde van EVT verklaard dat EVT zich niet verzet tegen het aan de ligplaatsvergunning verbonden voorschrift dat een proefligging moet worden gehouden. De rechtbank leidt hieruit af dat EVT haar beroepsgrond dat het college aan de ligplaatsvergunning ten onrechte het voorschrift heeft verbonden dat een proefligging moet worden gehouden, heeft laten vallen. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook niet beoordelen.

17. Omdat de rechtbank de beroepen gerond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan TSM en EVT het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

18. De rechtbank veroordeelt het college in de door TSM in de procedure met zaaknummer 11/1699 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00 (1 punt voor indienen beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1). De in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat TSM in de bezwaarfase niet om vergoeding van deze kosten heeft verzocht.

19. De rechtbank veroordeelt het college in de door EVT in de procedure met zaaknummer 11/1719 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 655,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van TSM met zaaknummer 11/1699 gegrond;

- verklaart het beroep van EVT met zaaknummer 11/1719 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 17 augustus 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 302,00 in de procedure met zaaknummer 11/1699 aan TSM te vergoeden;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 302,00 in de procedure met zaaknummer 11/1719 aan EVT te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten in de procedure met zaaknummer 11/1699 tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan TSM;

- veroordeelt het college in de proceskosten in de procedure met zaaknummer 11/1719 tot een bedrag van € 655,50, te betalen aan EVT.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

w.g. rechter

w.g. griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.