Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BY7786

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/1164
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of verweerder de aftrek van de loonkosten van een DGA in BV terecht heeft gecorrigeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 296 met annotatie van deJonge
FutD 2013-0143
V-N Vandaag 2013/21
Belastingadvies 2013/3.3
V-N 2013/9.3.3

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 12/1164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde eiseres],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [nummer]V.76) vennootschapsbelasting (VpB) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 180.081 en een belastbaar bedrag van € 150.475 vanwege een verrekend verlies van € 29.624. Verweerder heeft de aanslag bij beschikking vermeerderd met een bedrag van € 2.050 aan heffingsrente.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 30 mei 2012, ontvangen bij de rechtbank op 31 mei 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012 te Leeuwarden.

Namens eiseres is daar [aandeelhouder] verschenen, bijgestaan door eiseres' gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bijgestaan door [bijstand].

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres is op [datum] 2005 opgericht.

1.2 Oprichter van eiseres en enig aandeelhouder is [aandeelhouder].

1.3 In 2007 is [aandeelhouder] bestuurder en de enige werknemer van eiseres.

Eiseres drijft een handelsonderneming in meubelen en verhuurt een onroerende zaak. De winkel van eiseres is gedurende zes dagen per week geopend.

1.4 Eiseres heeft voor 2007 een aangifte VpB ingediend naar een belastbare winst van € 132.081 en een belastbaar bedrag van € 102.457 vanwege verliesverrekening van € 26.624. Eiseres heeft in 2007 een omzet gerealiseerd van € 63.029. Zij heeft in dit jaar een bedrag van € 96.000 aan personeelskosten in mindering gebracht op de winst, bestaande uit € 76.625 aan loonkosten en een tantième van € 19.500.

1.5 Verweerder is bij het opleggen van onderhavige aanslag afgeweken van eiseres' aangifte door een bedrag van € 48.000 niet als loonkosten in aftrek toe te staan.

1.6 Naar aanleiding van het door eiseres ingediende bezwaar heeft er op 3 april 2012 een hoorgesprek plaatsgevonden. Bij brief van 3 april 2012 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres als volgt geïnformeerd:

"Op 3 april 2012 heb ik u gehoord in verband met het bovengenoemde bezwaar. U was namens belanghebbende aanwezig, en ik was aanwezig namens de inspecteur. U hebt, zakelijk weergegeven, het bezwaar als volgt mondeling toegelicht:

De laatste jaren heeft [aandeelhouder] als enig werknemer alle werk voor de winkel en de verhuur verricht. Hij werkte minstens 80 uur per week. In 2007 heeft de vennootschap een pand verkocht. Daardoor kwamen er middelen beschikbaar om hem te belonen voor die arbeid.

Daarnaast bent u van mening dat de hoogte van het salaris mag worden vastgesteld op basis van het subjectieve inzicht van de vennootschap. Bovendien vindt u dat ik de hoogte van de correctie niet heb onderbouwd.

Al u van mening bent dat bovenstaande geen goede weergave is van hetgeen u hebt gezegd of als u het bezwaar schriftelijk verder wilt aanvullen, verzoek u mij dit kenbaar te maken binnen twee weken na dagtekening van deze brief. Wanneer ik binnen deze termijn geen reactie ontvang zal ik u mijn beslissing meedelen.

Nadat ik u heb gehoord heb ik u gevraagd door middel van bescheiden de omvang van de

werkzaamheden van [aandeelhouder] te onderbouwen. Verder heb ik u voorgehouden dat mij geen handelsondernemingen, met een omzet van minder dan € 100.000, bekend zijn die een bedrijfsleider een salaris van meer dan € 40.000 betalen. Ik heb u uitgenodigd met concrete voorbeelden aannemelijk te maken dat dit inzicht van mij onjuist is. Daarnaast wil ik er op wijzen dat de vennootschap is opgericht op [datum] 2005. Aan het eind van 2007 bestond de vennootschap dus nog maar twee jaar. Graag verneem ik op grond van welke feiten en omstandigheden u van mening bent dat [aandeelhouder] een vergoeding voor jarenlange werkzaamheden zou moeten ontvangen.

Uw reactie op mij opmerkingen/vragen ontvang ik graag tegelijk met uw reactie op het hoorverslag.".

1.7 Bij brief van 19 april 2012, ontvangen door verweerder op 20 april 2012 schrijft de gemachtigde van eiseres:

"U hebt mij met datum 3 april jl het hoorverslag inzake de bovenvermelde client toegezonden. Ik heb dit verslag nog niet samen met mijn client kunnen doornemen, ook gezien uw vraagstelling om de aard en de omvang van de werkzaamheden van client te kunnen onderbouwen.

Client is medio van de maand mei a.s. weer terug in Nederland en ik heb met hem op 16 mei a.s. afgesproken teneinde uw standpunt met hem te bespreken.

Ik verzoek u dan ook om uitstel van onze reactie tot het einde van de maand mei.".

1.8 Bij brief van 20 april 2012 doet verweerder uitspraak op bezwaar en handhaaft de aanslag.

1.9 Ter zitting heeft verweerder ten aanzien van de termijnen onder 1.6 en 1.7 en de dagtekening van de onder 1.8 vermelde uitspraak, verklaard:

"Er is geen antwoord gekomen op de vragen in mijn brief naar aanleiding van het hoorverslag. Ik vond die antwoorden niet belangrijk en ik had de antwoorden niet nodig voor het doen van uitspraak op bezwaar.".

1.10 [aandeelhouder] heeft bij de oprichting van eiseres zijn tot dan toe in de vorm van een eenmanszaak gedreven onderneming, met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2005 ingebracht in eiseres. Namens eiseres is aan verweerder verzocht om in het kader van de gebruikelijk loonregeling over het jaar 2006 in te stemmen met een loon van € 2.500. In de jaarrekening 2005/2006 (periode 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2006) aan personeelskosten een bedrag van in totaal € 44.125 vermeld, bestaande uit € 24.625 loon en € 19.500 tantième.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de aanslag VpB tot het juiste bedrag heeft opgelegd. De vraag spitst zich toe op de vraag of verweerder voor 2007 de aftrek van de loonkosten terecht en tot het juiste bedrag heeft beperkt.

2.2 Eiseres beantwoordt beide vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3 Eiseres voert daartoe - kort gezegd - aan dat de bewijslast dat sprake zou zijn van te hoge personeelskosten in dit geval bij verweerder ligt. Voorts is eiseres van mening dat de personeelskosten in 2007 geenszins te hoog te zijn geweest.

2.4 Verweerder voert ter onderbouwing van zijn standpunt - kort gezegd - aan dat de bewijslast van de aftrek van personeelskosten bij eiseres ligt. Verweerder is voorts van mening dat eiseres' loonkosten gelet op de ene werknemer ten opzichte van de behaalde omzet en winst veel te hoog is geweest

2.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat [aandeelhouder] de enige werknemer is van eiseres en dat hij arbeid heeft verricht voor eiseres. De door eiseres gepresenteerde personeelskosten vinden derhalve hun oorzaak in de door [aandeelhouder] in de onderneming verrichte arbeid. Uit de feiten, omstandigheden en hetgeen eiseres daarover ter zitting heeft verklaard leidt de rechtbank af dat eiseres de onder 1.10 vermelde beloning in 2007 aan [aandeelhouder] heeft toegekend in verband met de in 2007 en de voorgaande jaren verrichte arbeid. Verweerder is van mening dat het in 2007 aan [aandeelhouder] toegekende salaris onevenredig hoog is. De rechtbank begrijpt voorts dat verweerder van mening is dat de beloning niet de naam salaris of tantième mag dragen. De rechtbank is van oordeel dat volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer HR 18 maart 1953, LJN AY3485, Hof Leeuwarden 13 november 1998, LJN AV 8347) verweerder in dat geval het bewijs dient te leveren dat eiseres een deel van de aan [aandeelhouder] betaalde bedragen ten onrechte als salaris en derhalve ten onrechte als personeelskosten heeft aangemerkt.

3.2 Wat betreft de onder 3.1 vermelde bewijslast heeft verweerder gesteld dat de onderneming van eiseres zich in een afbouwfase bevond en dat de toegekende arbeidsbeloning meer bedroeg dan de gerealiseerde omzet. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In beginsel is er geen relatie tussen een door een onderneming gerealiseerde omzet en de betalingsverplichting die bestaat jegens het personeel. Vaststaat dat in dit geval over het jaar 2006 door [aandeelhouder] genoegen is genomen met een lager salaris. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet onzakelijk heeft gehandeld door in het jaar 2007, wanneer de middelen van de eiseres hiertoe de mogelijkheden bieden, alsnog rekening te houden met het feit dat in 2006 is afgezien van een reële arbeidsbeloning. De daarbij over 2007 toegekende arbeidsbeloning is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig hoog in vergelijking tot de over de maanden oktober tot en met december 2005 in aanmerking genomen (en kennelijk door verweerder aanvaarde) arbeidsbeloning. De rechtbank gaat daarbij uit van de personeelskosten volgens de jaarrekening 2005/2006 ad € 24.625, minus een bedrag van € 2.500 dat betrekking heeft op 2006, hetgeen een maandelijkse arbeidsbeloning voor het jaar 2005 oplevert van € 7.375. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat eiseres heeft gesteld dat [aandeelhouder] 80 uur per week werkte. Eiseres heeft hierbij gewezen op de openingstijden van de winkel en daarbij onweersproken gesteld dat [aandeelhouder] dagelijks van 7.00 tot 18.00 uur in de winkel aanwezig was en daarnaast in de avonduren bezorgingen deed. De rechtbank acht eiseres' uiteenzetting geloofwaardig gelet op de als onweersproken vaststaande openingsuren, het feit dat [aandeelhouder] de enige werknemer was en dat bezorgingen dus buiten de openingsuren van de winkel moesten plaatsvinden. Hiertegenover acht de rechtbank verweerder met zijn enkele ontkenning er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat [aandeelhouder] minder dan de door eiseres gestelde uren heeft gewerkt. Ook verweerders stelling dat er in onderhavig jaar uitsluitend werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de staking, acht de rechtbank tegenover eiseres' gemotiveerde betwisting niet aannemelijk gemaakt. Wat betreft verweerders vergelijking van onderhavige beloning met de beloning van een bedrijfsleider in de meubelbranche is de rechtbank van oordeel, dat verweerder geen feiten en omstandigheden (zoals vergelijkende salarisgegevens) heeft aangedragen, die zijn stelling staven. De rechtbank gaat in dat kader voorbij aan de vraag of deze vergelijking terecht is nu eiser als enig werknemer niet alleen de taken van een bedrijfsleider in de meubelzaak op zich heeft genomen. Bovendien is in het onderhavige geval ook nog sprake is van verhuur van vastgoed. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aan zijn onder 3.1 vermelde bewijslast heeft voldaan

3.3 Wat betreft verweerders verwijzing naar arresten van de Hoge Raad (onder meer het renpaardenarrest, LJN: AB2865 en het wagenparkarrest, LJN: BC9548) is de rechtbank van oordeel dat deze eerst van toepassing zijn als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door eiseres toegekende beloning niet de naam salaris of tantième mag dragen. Nu verweerder daar naar het oordeel van de rechtbank, zie 3.2, niet in geslaagd is, blijft sprake van een beloning van arbeid en komt de rechtbank niet toe aan de vraag, zoals in voormelde arresten wel het geval was, of de uitgaven een zakelijk karakter ontberen - en derhalve niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht - en uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan hetgeen verweerder daarover heeft gesteld.

3.4 Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder ten onrechte de aftrek van loonkosten heeft beperkt tot een bedrag van € 48.000. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.

3.5 Nu verweerder op het bezwaar tegen de beschikking inzake heffingsrente niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, gaat de rechtbank er vanuit dat in de onderhavige uitspraak op bezwaar ook de beslissing ligt besloten om de beschikking inzake heffingsrente te handhaven. De rechtbank ziet aanleiding om deze beslissing om de beschikking heffingsrente te handhaven, te vernietigen, aangezien de met de beschikking heffingsrente samenhangende aanslag zal worden verminderd. De rechtbank verstaat dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

3.6 De rechtbank merkt ten slotte ten overvloede op dat zij de gang van zaken in de bezwaarfase betreurt nu verweerder eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld om op zijn onder 1.6 vermelde brief naar aanleiding van het hoorverslag te reageren. Het door verweerder beweerdelijk gevoerde telefoongesprek met eiseres' gemachtigde naar aanleiding van deze brief, wordt door eiseres' gemachtigde betwist en de rechtbank heeft van het gesprek geen vastlegging of aantekeningen in de gedingstukken aangetroffen. De rechtbank overweegt dat de kern van de bezwaarprocedure de algehele heroverweging betreft. In dat licht bezien, acht de rechtbank verweerders verklaringen ter zitting (zie 1.9) niet passend.

Proceskosten

Niet is aannemelijk geworden dat eiseres voordat verweerder heeft beslist op het bezwaar, heeft verzocht om vergoeding van in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, kan de rechtbank verweerder dan niet veroordelen in de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten.

De rechtbank vindt wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 132.081 en belastbaar bedrag van € 102.457, vanwege een te verrekenen verlies van € 29.624;

- verstaat dat verweerder de heffingsrente dienovereenkomstig vermindert;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 310 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.