Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BY6312

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/932
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergunning ex artikel 29, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging. Terugkomen op eerder gedane mondelinge toezegging dat vergunning wordt verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/932

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2012 in de zaak tussen

[naam],

wonende te Borne,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.H.A. Vennegoor, advocaat te Enschede,

en

de burgemeester van de gemeente Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: H. Waalewijn, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen de kinderen van eiseres, te weten:

[A] en [B], beiden wonende te Leeuwarden, en [C], wonende te Borne.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om vergunning als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) teneinde het lichaam van haar overleden echtgenoot [naam] te kunnen opgraven en herbegraven.

Bij besluit op bezwaar van 5 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar dochter [C]. Tevens zijn verschenen [A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wlb wordt geen lijk opgegraven dan, indien het een graf betreft waarop een uitsluitend recht berust, met toestemming van de rechthebbende op het graf en voorts met vergunning van de burgemeester der gemeente, binnen welker gebied het begraven is, nadat deze de betrokken regionale inspecteur voor de volksgezondheid heeft gehoord.

2. De echtgenoot van eiseres is op 10 februari 2010 overleden. Hij is begraven op de rooms-katholieke begraafplaats Vitushof te Leeuwarden. Eiseres wil zijn stoffelijke resten doen herbegraven in Borne. Eiseres heeft hiertoe verweerder om de ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wlb vereiste vergunning verzocht.

3. Bij brief van 22 september 2011, gericht aan verweerder, heeft J.H.J. Reinsma van Abitio Uitvaartzorg namens eiseres uiteengezet waarom eiseres wenst dat haar overleden echtgenoot wordt herbegraven in Borne. Bij brief van 26 september 2011, eveneens gericht aan verweerder, heeft eiseres uiteengezet waarom zij wenst dat haar overleden echtgenoot wordt herbegraven in Borne. In deze brieven is aangegeven dat eiseres is aangewezen op een scootmobiel en slecht kan in- en uitstappen uit een personenauto. Dit brengt mee dat eiseres voor een reis naar Leeuwarden altijd gebruik moet maken van een rolstoelbus. De kosten die hiermee gemoeid zijn vrij hoog en de kosten kunnen niet constant worden gedragen. Verder is in de brieven aangegeven dat eiseres destijds heeft besloten om bij haar dochter in Borne te gaan wonen, omdat haar andere dochter in Leeuwarden om gezondheidsredenen niet in staat was om voor haar te zorgen.

4. Artikel 29, eerste lid, van de Wlb opent bij wijze van uitzondering de mogelijkheid tot het verlenen van vergunning tot opgraven. Uit het stelsel van de Wlb volgt dat van deze bevoegdheid slechts gebruik mag worden gemaakt indien er redenen bestaan die zwaarder wegen dan die welke de wetgever tot het in deze bepaling vervatte algemeen verbod hebben geleid. Tot deze redenen behoort de eerbied voor de stoffelijke resten van overledenen en, in verband hiermee, voor de grafrust. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 25 september 1996 en 20 september 1999, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummers: AN5237 en AA5000.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de grafrust van een overledene in ieder geval de eerste tien jaar na de begrafenis niet mag worden verstoord met name omdat hier medisch-hygiƫnische bedenkingen tegen bestaan. Verweerder voert dan ook het beleid dat op verzoeken om vergunning voor opgraving binnen die periode afwijzend wordt beslist. Slechts bij zwaarwegende belangen is verweerder bereid om een vergunning te verlenen.

De rechtbank oordeelt dat dit beleid van verweerder niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist is. In dit verband wijst de rechtbank op de hiervoor aangehaalde AbRS-uitspraak van 20 september 1999.

6. Vast staat dat nog geen tien jaar is verstreken sinds de begrafenis van de echtgenoot van eiseres. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte geen uitzondering heeft gemaakt op het door hem gehanteerde uitgangspunt dat de grafrust de eerste tien jaar na de begrafenis niet mag worden verstoord.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder op basis van de hiervoor onder 3 genoemde argumenten aanvankelijk mondeling heeft ingestemd met het opgraven en herbegraven van de stoffelijke resten van de echtgenoot van eiseres. De rechtbank oordeelt dat een bestuursorgaan in beginsel gehouden is een door of namens hem gedane toezegging te honoreren. Dit volgt uit het beginsel dat opgewekt vertrouwen en rechtens gedane toezeggingen gehonoreerd moeten worden. In dit geval hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank de mondelinge toezegging dat de vergunning verleend zal worden niet gestand te doen. Nadat het [B] en [A] duidelijk was geworden dat eiseres tegenover verweerder de wens had geuit dat zij haar overleden echtgenoot wilde herbegraven in Borne en bekend waren geraakt met de aan deze wens ten grondslag gelegde argumenten, hebben [B] en [A] hun visie op de kwestie gegeven. Hieruit is naar voren gekomen dat de door eiseres aan haar wens tot herbegraving ten grondslag gelegde argumenten minder valide waren dan zij aanvankelijk heeft geschetst. Deze argumenten zijn in een ander daglicht komen te staan. Zo is gebleken dat het argument dat [A] vanwege haar medische situatie niet in staat was eiseres te verzorgen in Leeuwarden onjuist is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaring van de behandelende arts van [A], dr. S. Daenen van de afdeling hematologie van het UMCG. In verband hiermee mocht verweerder besluiten om de mondeling gedane toezegging geen gestand te doen. De rechtbank wijst er verder op dat eiseres ter zitting, geconfronteerd met de gerezen twijfel over de validiteit van haar argumenten voor herbegraving in Borne, desgevraagd heeft verklaard dat zij niet naar Borne hoefde te verhuizen en alleen maar naar Borne is verhuisd omdat haar dochter daar woont.

8. Gelet op voormelde overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.