Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BY6177

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
AWB 10/2119
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergoeding proceskosten. De rechtbank acht eiseres gebonden aan het ter zitting met verweerder overeengekomen bewijsakkoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013/388 met annotatie van Hamer
FutD 2012-3084
V-N Vandaag 2012/2914
V-NT 2013/9t.19.8
V-N 2013/9.19.8

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 10/2119

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres].,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) vennootschapsbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 augustus 2010 de navorderingsaanslag verminderd, waarbij geen beslissing is genomen op het verzoek om toekenning van een kostenvergoeding.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 1 oktober 2010, ontvangen bij de rechtbank op 5 oktober 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 15 juni 2011 te Leeuwarden.

Partijen zijn daar bij hun respectievelijke gemachtigden verschenen.

Na schorsing van het onderzoek ter zitting, hebben partijen, door tussenkomst van de rechtbank stukken gewisseld.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011 te Leeuwarden.

Partijen zijn daar bij hun respectievelijke gemachtigden verschenen.

Eiseres heeft bij brief van 20 februari 2012, ontvangen door de rechtbank op 21 februari 2012, kenbaar gemaakt haar beroep niet in te trekken en verzocht schriftelijk uitspraak te doen.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres geeft sinds 1989 geen administratie gevoerd. Over de jaren tot en met 2007 heeft zij, ondanks daartoe bij herhaling te zijn uitgenodigd, (steeds) geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend.

1.2 Ook over het jaar 2003 heeft eiseres niet gereageerd op de uitnodiging tot het doen van de aangifte vennootschapsbelasting. Verweerder heeft daarop over dit jaar ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 100.000.

1.3 Verweerder heeft op 30 oktober 2008 door de heer [A] een boekenonderzoek laten instellen betreffende onder meer de vennootschapsbelasting over het jaar 2003. Naar aanleiding van dit onderzoek is tussen partijen een discussie ontstaan over de al dan niet belastbaarheid van een in 2003 door eiseres ontvangen bedrag van € 153.856, zijnde een liquidatie-uitkering uit de failliete boedel van [Y] BV aan eiseres als (voormalige) aandeelhouder. Deze discussie spitste zich toe op de vraag of er wel of niet sprake is geweest van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

1.4 Naar aanleiding van het onder 1.3 vermelde boekenonderzoek heeft verweeerder een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 253.856. Tijdens de behandeling van het bezwaarschrift tegen deze navorderingsaanslag heeft eiseres een aangifte en jaarstukken ingediend voor 2003. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder het belastbare bedrag over 2003 nader vastgesteld op € 62.596

1.5 Bij de onder 1.4 vermelde nadere vaststelling heeft verweerder de onder 1.3 vermelde opbrengst onbelast gelaten op grond van een op 15 mei 1997 gedateerde brief van de ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen te Emmen. In deze brief is een voorstel opgenomen ter finale kwijting voor de belastingheffing en -inning van "[X] c.s." tot en met 1996. Deze brief is ondertekend door [B]. Een afschrift van deze brief is als bijlage A bij het verweerschrift opgenomen.

Geschil

2.1 In geschil is (uitsluitend) het antwoord op de vraag of het verzoek van eiseres moet worden gehonoreerd om verweerder te veroordelen in haar integrale proceskosten.

Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend, verweerder ontkennend.

2.2 Bij het gelijk van eiseres komt zij in aanmerking voor vergoeding van haar integrale proceskosten, zowel voor de bezwaar- als voor de beroepsfase. Bij het gelijk van verweerder dienen de proceskosten forfaitair te worden vastgesteld.

2.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiseres stelt dat hij in de periode voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 aan de controlerend ambtenaar (zie 1.3) een afschrift heeft verstrekt van de onder 1.5 vermelde brief. Verweerder betwist de juistheid van deze stelling.

3.2 Partijen stellen zich eenparig op het standpunt dat als de controlerend ambtenaar voorafgaande aan de vaststelling van de litigieuze navorderingsaanslag de beschikking had of heeft gekregen over de desbetreffende brief, een integrale proceskostenvergoeding op zijn plaats is.

3.3 De rechtbank overweegt dat partijen ter zitting van 15 juni 2011 een bewijsakkoord met elkaar zijn overeengekomen. Dit in het proces-verbaal van die zitting vastgelegde akkoord houdt in dat partijen de beantwoording van de in geschil zijnde vraag afhankelijk hebben gemaakt van de ambtsedige verklaring van de onder 1.3 genoemde controlerend ambtenaar.

3.4 De rechtbank overweegt verder dat de gemachtigde van eiseres ter zitting uitdrukkelijk heeft ingestemd met dit bewijsakkoord. Hij heeft op dat moment geen voorbehoud gemaakt of bedenktijd gevraagd. Ook anderszins zijn geen omstandigheden aan de orde die maken dat eiseres niet aan het bewijsakkoord gebonden zou zijn. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat het, gelet op de professionaliteit van de gemachtigde van belanghebbende en op de aard van het akkoord, niet aannemelijk is dat die gemachtigde heeft gedwaald omtrent de inhoud van het akkoord of de gevolgen daarvan. De door de gemachtigde kort na de zitting schriftelijk geuite bedenkingen maken dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

3.5 In de op ambtseed opgemaakte verklaring van de controlerend ambtenaar van 10 augustus 2011 staat - onder meer - het volgende:

"Op 13 mei 2009, 25 mei 2009 en 22 juli 2009 heb ik als onderdeel van het boekenonderzoek bezoeken gebracht aan het kantoor van de gemachtigde, [naam] te [plaats] en daar besprekingen gehad met de heer [gemachtigde].

(…)

Ik begrijp dat de gemachtigde op de zitting heeft verklaard dat hij mij op 13 mei 2009 een kopie van de brief van ambtenaar [B], gedateerd 15 mei 1997, heeft gegeven. Deze brief bestaat uit 10 pagina's.

Tijdens de besprekingen zijn er diverse stukken uitgewisseld. Omdat de gemachtigde bijna nog geen dossier van deze nieuwe klant had opgebouwd, zijn er kopieën van stukken uit ons dossier gemaakt. Wanneer een partij een stuk van de andere partij relevant vond, werd dit gekopieerd.

De cruciale vraag is of het desbetreffende stuk al of niet in het dossier van de belastingdienst aanwezig was op het moment dat de navorderingsaanslag werd opgelegd.

Ik kan mij niet herinneren dat ik de bedoelde brief van 10 pagina's heb ontvangen en evenmin of de heer [gemachtigde] hiervan een kopie heeft gemaakt. De data van mijn bezoeken aan de gemachtigde zijn inmiddels ook weer ruim 2 jaar geleden.

Wanneer ik een kopie van de brief zou hebben ontvangen, zou deze zonder meer in het controledossier zijn gedeponeerd. Ik kan verklaren dat de brief niet in het controledossier zit of heeft gezeten. Ook kan ik verklaren dat de brief tijdens de hiervoor genoemde besprekingen met de heer [gemachtigde] nimmer aan de orde is geweest.

Op 25 november 2009 ben ik aanwezig geweest bij het hoorgesprek met de heer [gemachtigde]. Hierbij verwees de heer [gemachtigde] naar de bedoelde brief maar het had deze toen niet bij zich. Een kopie van de brief werd op verzoek van de bezwaarbehandelaar nagezonden."

3.6 De rechtbank trekt uit de onder 3.5 weergegeven passages uit de ambtsedige verklaring de conclusie dat daarin geen steun is te vinden voor de stelling dat de gemachtigde voorafgaand aan de vaststelling van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 de controlerend ambtenaar in het bezit heeft gesteld van de onder 1.5 vermelde brief. Evenmin volgt daaruit dat de bij de vaststelling van die navorderingsaanslag betrokken ambtenaren anderszins de beschikking hadden over de desbetreffende brief. Hetgeen de gemachtigde na afloop van de eerste mondelinge behandeling en in het verdere verloop van de procedure heeft aangevoerd, biedt, mede gelet op dat wat (daartegen) door verweerder naar voren is gebracht, voor de rechtbank geen grond te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de ambtsedige verklaring.

3.7 In het licht van het tussen partijen gesloten bewijsakkoord moet het voorgaande leiden tot afwijzing van eiseres' verzoek om verweerder te veroordelen in de integrale proceskosten. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en verweerder veroordelen in de forfaitair te bepalen proceskosten van eiseres.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.528,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.528,50;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298,-- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2012.

De griffier is buiten staat deze

uitspraak mee te ondertekenen.

K. van der Leij w.g. J.W. Keuning

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.