Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BY6173

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 52a AWR. Informatiebeschikking is terecht afgegeven. De rechtbank stelt eiser, gelet op zijn aanhoudend ontkennende houding, geen nieuwe termijn om de in de informatiebeschikking gevraagde informatie alsnog te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013/272 met annotatie van Caljé
FutD 2012-3083
V-N Vandaag 2012/2955

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 12/702

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 4 november 2011 een informatiebeschikking afgegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 februari 2012 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 maart 2012, ontvangen bij de rechtbank op 15 maart 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2012 te Leeuwarden.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet in persoon verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

1.1 Eiser, [naam], is geboren op [dag / maand] 1944 en is gehuwd met [echtgenote], geboren op [dag / maand] 1946. Verweerder heeft een renseignement ontvangen inzake een bij Kredietbank Luxemburg in Luxemburg (hierna: KB-Lux) aangehouden rekening met rekeningnummer [######], met daarop een totaalsaldo per 31 december 1994 van - omgerekend in Nederlandse valuta - fl 438.465,92. Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als de eerste rekeninghouder en zijn echtgenote als de tweede rekeninghouder.

1.2 Naar aanleiding van het onder 1.1. bedoelde renseignement zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1991 tot en met 2000 opgelegd.

1.3 Met betrekking tot de onder 1.2 vermelde navorderingsaanslagen is beroep ingediend bij het Gerechtshof Leeuwarden. Op 27 maart 2012 heeft het Gerechtshof Leeuwarden uitspraak gedaan (LJN: BW0526). In rechtsoverweging 4.5 heeft het Gerechtshof overwogen:

"4.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot het bewijsvermoeden, dat belanghebbende gerechtigd is tot de bankrekeningen bij KB Lux. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting van 21 juni 2011 ervan op de hoogte gebracht, dat het Hof uit de unieke naamcombinatie “[naam]” en uit de omstandigheid dat belanghebbende niets concreets daartegenin heeft gebracht het vermoeden heeft ontleend dat belanghebbende de betreffende rekeninghouder is. Daarna is hij in de gelegenheid gesteld het vermoeden te ontzenuwen.

In rechtsoverweging 4.8 heeft het Gerechtshof het volgende overwogen:

4.8 Nu belanghebbende het door het Hof geuite vermoeden niet heeft ontzenuwd, zal het Hof ervan uitgaan dat belanghebbende in de onderhavige jaren gerechtigd was tot de bankrekeningen bij KB-Lux."

In rechtsoverweging 4.30 overweegt het Gerechtshof:

"4.30 De Inspecteur heeft belanghebbende meermaals verzocht om gegevens en inlichtingen over vermogensbestanddelen in het buitenland waartoe belanghebbende gerechtigd is. (…) Nu, gelet op het vorenoverwogene, vaststaat dat belanghebbende gerechtigd is tot de bankrekeningen bij KB-Lux, had hij deze gegevens desgevraagd aan de Inspecteur moeten verstrekken. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur gevraagde gegevens niet verstrekt."

1.4 Voor de jaren 2001 tot en met 2007 zijn de aanslagen vastgesteld in afwijking van de ingediende aangiften. Verweerder heeft deze gecorrigeerd in verband met (inkomsten uit) in het buitenland aangehouden banktegoeden.

1.5 Naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 27 maart 2012 heeft eiser met verweerder gesproken over het alsnog overleggen van de bankafschriften van de rekening bij de KB-Lux over de jaren 2001 tot en met 2007. Over de gevolgen die hieraan volgens verweerder zijn verbonden, heeft verweerder eiser en zijn echtgenote bij brief van 15 mei 2012 geïnformeerd.

1.6 Op 24 februari 2008 wordt de aangifte IB/PVV 2008 van eiser ingediend. In deze aangifte heeft eiser geen inkomen uit sparen en beleggen aangegeven.

1.7 Naar aanleiding van de onder 1.6 genoemde aangifte heeft verweerder met dagtekening 14 oktober 2011 vragen gesteld over het aanhouden van vermogen in het buitenland, in het bijzonder over de onder 1.1 genoemde rekening bij de KB-Lux. Aan eiser wordt een termijn van 14 dagen na dagtekening van de brief gegund om te reageren.

1.8 Omdat eiser niet binnen de termijn genoemd onder 1.7 heeft gereageerd, heeft verweerder met dagtekening 4 november 2011 de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. In deze beschikking vermeldt verweerder onder meer:

"Het gaat om de volgende vragen en verzoeken die betrekking hebben op de door u aangehouden bankrekening in Luxemburg:

1. Is deze bankrekening in 2008 nog steeds door u aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari en 31 december 2008?

3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2008 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2008?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen."

1.9 In zijn brief van 16 november 2011 maakt eiser bezwaar tegen de informatiebeschikking, waarna verweerder bij brief met dagtekening 20 december 2011 een nadere uitleg geeft over de informatiebeschikking.

1.10 In zijn brief van 13 februari 2012 schrijft eiser onder meer dat hij geen bankrekening heeft in het buitenland en normaliter altijd direct reageert op brieven van de belastingdienst, maar dat hij gedurende de onder 1.7 genoemde termijn op vakantie was. Eiser geeft aan alleen schriftelijk met verweerder te willen communiceren.

1.11 Met dagtekening 21 februari 2012 wordt eisers bezwaar afgewezen en de informatiebeschikking gehandhaafd.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht een informatiebeschikking heeft afgegeven.

2.2 Eiser beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag ontkennend. Eiser ontkent rekeningen in het buitenland aan te houden en stelt daarom niet aan het informatieverzoek te kunnen voldoen. Eiser verwijst voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350, waarin is overwogen dat de inspecteur voor ieder jaar dat aan belanghebbende een boete wordt opgelegd, moet aantonen dat deze een buitenlandse bankrekening heeft aangehouden. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de informatiebeschikking.

2.3 Verweerder beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag bevestigend. Eiser is in het kader van het zogeheten rekeningenproject geïdentificeerd als rekeninghouder bij de KB-Lux. In zijn uitspraak van 27 maart 2012 gaat het Gerechtshof Leeuwarden er vanuit dat eiser rekeninghouder is (geweest) bij de KB-Lux (zie 1.3). Aangezien eiser in zijn aangifte IB/PVV 2008 geen aangifte doet van zijn inkomen uit sparen en beleggen zijn op 14 oktober 2011 vragen gesteld over eventuele buitenlandse tegoeden en is eiser gewezen op de verplichting mee te werken op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd en heeft niet voldaan aan de verplichting van artikel 47 van de AWR. Eiser komt met een veel te late reactie (1.10) en ontkent, in strijd met het renseignement en het oordeel van het Gerechtshof Leeuwarden, dat hij een bankrekening in het buitenland heeft gehad. De informatiebeschikking is terecht afgegeven, aldus verweerder.

2.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 52a, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur, indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge onder meer artikel 41, 47, 47a, 52, dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid van de AWR.

3.2 Artikel 47, eerste lid van de AWR bepaalt dat:

"Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.".

3.3 In artikel 25, derde lid, van de AWR is bepaald: "Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. (…)".

3.4 Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de AWR dienen de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.

3.5 De rechtbank stelt voorop dat in deze beroepsprocedure de rechtmatigheid van de vastgestelde informatiebeschikking ter toetsing voorligt. In het onderhavige geval dient meer in het bijzonder te worden beantwoord of het opvragen van de betreffende informatie door verweerder in het kader van de belastingheffing van belang kan zijn. Gezien de redelijke verdeling van de bewijslast rust naar het oordeel van de rechtbank op verweerder de bewijslast om dit aannemelijk te maken.

3.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde informatie (zie 1.8) voor de belastingheffing van belang kon zijn. Gelet op de onder 1.3 genoemde uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 27 maart 2012, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat eiser tot en met 2000 gerechtigd was tot de bankrekening bij de KB-Lux. De rechtbank overweegt voorts dat naar aanleiding van deze uitspraak telefonisch overleg heeft plaatsgevonden waarbij eiser met verweerder heeft gesproken over het alsnog overleggen van de bankafschriften van de rekening bij de KB-Lux over de jaren 2001 tot en met 2007 (zie 1.5). De rechtbank leidt hieruit af dat eiser kennelijk over rekeningafschriften met betrekking tot deze rekening kon beschikken. Nu eiser in zijn aangifte IB/PVV 2008 de onderhavige bankrekening niet heeft aangegeven, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank om informatie verzocht die van belang kan zijn voor de belastingheffing.

3.7 Voor zover eiser zich beklaagt over de aan hem gegunde termijn van twee weken om te reageren op verweerders vragen overweegt de rechtbank als volgt. De vraag of een geboden termijn redelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser steeds dezelfde reactie heeft gegeven op de vraag of hij vermogen aanhield in het buitenland, namelijk de reactie: "Wij zijn geen rekeninghouder". Voorts heeft verweerder toegelicht dat hij, gelet op het einde van de aanslagtermijn voor de aanslag IB/PVV 2008, geen gelegenheid had te wachten met het nemen van de informatiebeschikking totdat het Gerechtshof uitspraak had gedaan. Wel hadden op dat moment reeds beide zittingen plaatsgevonden en heeft eiser ook in die procedure steeds volhard in zijn weigerachtige houding om informatie aangaande de bankrekeningen in het buitenland te verstrekken (zie 1.3). Het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank de geboden termijn van veertien dagen weliswaar kort, maar in de gegeven omstandigheden niet te kort. De stelling van eiser, dat hij op vakantie was en adequaat heeft gereageerd na terugkomst kan hem niet baten. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op eisers weg om zodanige maatregelen te treffen dat de bewuste brief eiser tijdens zijn vakantie niet zou ontgaan. Voorts heeft eiser in zijn brief van 13 november 2012 (zie 1.10) geen blijk gegeven alsnog te willen voldoen aan het informatieverzoek, zodat ook een langere termijn voor eiser geen verschil zou hebben gemaakt.

3.8 Ten aanzien van eisers beroep op HR 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350 oordeelt de rechtbank dat de informatieverplichting bestaat ten aanzien van de enkelvoudige belasting en eiser zich niet met succes kan verweren door een beroep op dit arrest te doen om aan zijn fiscale verplichtingen te ontkomen.

3.9 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder de informatiebeschikking terecht heeft afgegeven.

3.10 De rechtbank acht het, gelet op de ontkennende houding van eiser in de beroepsfase, niet opportuun om op de voet van artikel 27e, tweede lid, van de AWR een nieuwe termijn te stellen om de in de informatiebeschikking gevraagde informatie alsnog te verstrekken.

3.11 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2012.

w.g. T.L. Gaarman-Jonkers w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.