Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BY2730

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
108351 / HA ZA 10-999
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6307, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst schip. Non-conformiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 108351 / HA ZA 10-999

Vonnis van 8 augustus 2012

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T. Bruinsma te Lemmer,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.A. Sikkes te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De verdere procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2011

- de akte houdende overlegging nadere produkties van [A] van 6 oktober 2011

- de akte houdende overlegging nadere produkties van [B] van 7 oktober 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 oktober 2011

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 28 oktober 2011

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 26 januari 2012

- de conclusie na getuigenverhoor en tegenverhoor van [A]

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor en tegenverhoor van [B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in haar tussenvonnis van 20 juli 2011 is overwogen en beslist.

2.2. De rechtbank heeft bij haar tussenvonnis van 20 juli 2011 [A] toegelaten tegenbewijs te leveren, zoals in r.o. 4.14. vermeld, van hetgeen als voorshands bewezen is aangenomen, te weten dat [B] aan haar mededelingsplicht heeft voldaan. In r.o. 4.14. van het tussenvonnis is onder meer het volgende opgenomen:

"Een beroep op non-conformiteit zou [A] alleen toekomen indien zou komen vast te staan dat [B] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst beschikte over informatie dat sprake was van een veel verder gaand rottingsproces (aantasting van constructieve delen van het schip) dan [A] op basis van de mededelingen van [B] had mogen verwachten."

in enquête

2.3. [A] heeft in enquête de volgende getuigen doen horen:

a. zichzelf;

b. [C], partner van [A];

c. [D], inspecteur surveyer bij Register Holland;

d. [E], inspecteur surveyer bij Register Holland.

2.3.1. [A] heeft - voor zover van belang - onder meer het volgende verklaard:

"Er is ons van de zijde van de verkoper destijds medegedeeld dat het dek onderhoud behoefde. Er is uitdrukkelijk niet gesproken over rottende delen. Een aantal planken van het bovendek moest vervangen dan wel nader gerepareerd worden, maar meer was het niet. De meest kwetsbare plekken van het bovendek, daar ging het om. Er was sprake van achterstallig onderhoud. De rotte plekken en de problemen met de constructieve delen waren niet zichtbaar omdat zij weggetimmerd waren door middel van plafonds. (…) Wij hebben toen echter niets ontdekt omdat over de rotte delen gelamineerd was.

Waar wij vervolgens achter zijn gekomen inmiddels is dat [de] achterstag slecht bevestigd is geweest. (…) er is een stuk hout gelamineerd dat nog nat was. Bovendien zaten er oorspronkelijk nagels in het beslag van 20 cm lang en een cm in doorsnee, door de heer [F] (die het onderhoud aan het achtersteven zou doen) zijn er nagels gebruikt van drie cm lang en vijf mm in doorsnee. Daardoor is de achterstag afgebroken. (…) De achterstag is afgebroken bij windkracht zeven in de haven (zonder zeil). (…)

Bij het schip hoorden ook papieren, die kregen wij stukje bij beetje van [F]. (…)

Op een vraag van mr. Bruinsma of door de verkopers gemeld is aan ons dat er problemen met het schip waren geweest en hoe het charterverleden beëindigd was, antwoord ik dat ons nooit iets verteld is over problemen met de keuring. (…)

Wij hebben nooit een certificaat gezien noch een rapport. Ik wijs erop dat er indertijd kennelijk al problemen waren met de verzekering van het schip, daar is ons ook niets over verteld. Op een vraag van de rechtbank of wij specifiek toegezegd hebben gekregen dat wij de keuringsrapporten zouden krijgen, antwoord ik dat dat inderdaad het geval is. Wij hebben die keuringsrapporten alleen nooit gekregen. (…)

Wij hebben nooit twijfel gehad over de constructieve delen destijds. (…) In 2002 blijkt het schip gezonken te zijn geweest in de haven van Lemmer. Dat hadden wij ook willen weten destijds omdat je niet weet in hoeverre de schade dan hersteld is, er zijn nog steeds sporen zichtbaar van het zinken van het schip. Ik wijs er nogmaals op dat het schip 28 mei 2003 door Register Holland uit de vaart is genomen, hetgeen ons nooit verteld is."

2.3.2. [C] heeft - voor zover van belang - onder meer het volgende verklaard:

"Ons is altijd verteld dat de staat van het schip goed was, het was geschikt voor wat wij wilden (de wereld over varen en erop wonen en er eventueel passagiers mee vervoeren). Bij het horen van het dictaat geef ik aan dat er constructief geen problemen waren, zo is ons altijd verteld. (…) De heer [F] heeft niet laten blijken dat er constructief wel degelijk problemen waren en dat er problemen waren met de keuring. (…)

De heer [F] (…) was bekend binnen de kotterclub en hij had jarenlang met het schip gevaren. Hij moet van die problemen hebben geweten maar hij heeft ons niets verteld. Als ik had geweten van de problemen had ik het schip nooit gekocht, je kunt een schip met zulke problemen in negen maanden niet eens restaureren. (…)

Gebleken is dat het beslag van de achterstag met tien schroeven van de drie/vier cm lang en vijf mm in doorsnee vastzat. Dat is onvoorstelbaar. (…)

Op een vraag van mr. Bruinsma wat ons verteld is over de keuringen antwoord ik dat ons verteld is dat het schip altijd was gekeurd en dat er geen problemen waren. Toen had ik graag geweten wat de problemen waren met de keuring die er destijds al waren geweest.

Op een vraag van mr. Bruinsma of de certificaten/keuringen onderdeel waren van de informatie over het schip die wij bij de koop van de verkoper zouden krijgen antwoord ik het volgende. Wij zouden alle documenten van het schip en het verleden van het schip krijgen. Wij zouden zelfs foto's van het schip krijgen van de periode dat het gebouwd werd. Die papieren kwamen stukje bij beetje. Wij hebben nooit een rapport/keur van het schip ontvangen. (…)"

2.3.3. [D] heeft - voor zover van belang - onder meer het volgende verklaard:

"Ik ben bij het schip "De Trintel" betrokken geweest als inspecteur van Register Holland (…) ik heb het schip ongeveer twee tot vijf keer gekeurd. Het ging om het certificaat "Zeilende beroepsvaart op zee". Dat betekent dat er dan maximaal twaalf passagiers mee mogen varen. (…)

In 2003 heb ik zogenaamde special Survey afgenomen (…). Het betreft met name het casco van een schip. (…) Er was sprake van zwakke plekken aan het dek. Daarmee kwam in mijn opinie de zeewaardigheid van het schip in het geding. Er is toen discussie ontstaan tussen mij en de schipper over de ernst van de afwijkingen. (…) Er heeft toen een second opinion plaatsgevonden (…) Naar aanleiding van deze inspectie is toen een tijdelijk certificaat verstrekt door Register Holland, op voorwaarde dat er fors gerepareerd zou worden. (…)

Ik heb bij het onderzoek geen destructief onderzoek gedaan, wel is het zo dat bij twijfel aan plekken wij wel met een schroevendraaier of een priem in het hout prikken om de zwakke plekken eruit te halen. (…) Waarschijnlijk heb ik bij de Trintel ook met een priem geprikt, anders had ik het schip niet afgekeurd. (…)

Uit het feit dat er een tijdelijk certificaat is afgegeven leid ik af dat de zeewaardigheid kennelijk niet ernstig in het geding was. (…)

Mij wordt voorgehouden bijlage 7 uit de produkties zoals door [A] ter gelegenheid van deze enquête in het geding gebracht. Ik constateer na lezing van deze bijlage dat het hier kennelijk een brief betreft van de directeur van Register Holland (de heer [G]) aan - neem ik aan - de schipper van de Trintel. De lijst die in de brief is opgenomen is een vrij complete weergave van de punten die moest worden gerepareerd aan de Trintel."

2.4.4. [D] heeft - voor zover van belang - onder meer het volgende verklaard:

"Ik ben werkzaam bij Register Holland vanaf januari 2008. Ik ben betrokken bij het schip De Trintel omdat mevrouw [A] en haar partner informatie over het schip bij ons hebben opgevraagd. (…) Het ging om informatie over een keuring dacht ik uit 2003. Ik heb aangegeven dat wij die informatie hebben, maar dat we die informatie slechts kunnen verstrekken als wij beschikken over schriftelijke toestemming van de toenmalige eigenaar. (…) Wij hebben een dergelijke toestemming niet gekregen. (…)

Op een vraag van mr. Bruinsma of het vaak gebeurt dat het certificaat van een schip wordt ingenomen antwoord ik dat het heel zelden gebeurt bij inspectie. (…)"

2.4. Ten behoeve van de enquête heeft [A] de volgende schriftelijke bewijsstukken ingebracht.

2.4.1. Een onderzoeksrapport betreffende de houtconstructie van de Trintel van ing. A. Reitsma te Surhuizum, erkend deskundige op het gebied van houtconstructies, van 4 oktober 2011. [A] stelt dat [B] is uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn, maar dat [B] schriftelijk te kennen heeft gegeven daaraan geen behoefte te hebben. In het onderzoeksrapport is - voor zover van belang - onder meer het volgende opgenomen:

"Mondelinge gegevens

(…)

Bevindingen ontvangen foto's

(…)

Eigen bevindingen expert

Tijdens het onderzoek heb ik de volgende bevindingen genoteerd:

a. Duidelijk zichtbaar is dat de onderzijde van de oorspronkelijke dekdelen afgetimmerd is geweest (en op één plek nog steeds) met een extra plafond.

b. Verspreid over het gehele dek zijn de oorspronkelijke dekdelen plaatselijk volledig verzadigd van water en plaatselijk volledig vergaan door een verregaand stadium van houtaantasting.

c. Ditzelfde geldt ook voor verschillende kniestukken tussen romp en dek (waarvan enkele geheel zijn verdwenen.

d. Ditzelfde geldt ook voor enkele plekken in spanten van de romp, vooral de bovenzijde, het kopse hout van verschillende spanten, nabij de verbinding met het dek.

(…)

i. Aan de achtersteven is het achterstagbeslag los als gevolg van een bevestiging met schroeven die duidelijk niet voldoen aan minimale eisen van goed en deugdelijk werk.

(…)

k. Bij de navigatieruimte laten reparatie- en plamuurwerkzaamheden zich duidelijk dateren van voor de koopovereenkomst omdat een nieuw stuk hout intussen ook is aangetast.

(…)

Analyse en beoordeling

De hierboven vermelde gegevens geven aanleiding tot de volgende analyse en beoordeling:

1. De kniestukken zijn van belang voor de constructieve samenhang tussen het dek en de romp.

2. De spanten zijn van belang voor de constructieve samenhang van de romp.

3. Het dek is van constructief belang voor verankeringspunten voor de tuigage, onder andere de ankerplaat van de bakstagspanner en overigens ook voor de masten.

(…)

5. Het verregaande stadium van houtaantasting is voorafgegaan door een proces dat in 2003 al duidelijk zichtbaar moet zijn geweest.

6. De houtaantasting is op belangrijke plekken, ook in de verbinding tussen dek en romp, cosmetisch weggeplamuurd. Deze werkzaamheden moeten dateren van enkele jaren voor de koopovereenkomst omdat een jong stuk hout intussen ook is aangetast.

7. Het oorspronkelijke dek moet al tussen 1984 en 2003 in slechte staat zijn geweest. Dit moet de aanleiding zijn geweest voor het aanbrengen van een teakdek aan de bovenzijde en een plafond aan de onderzijde.

Conclusie

Het onderzoek leidt tot de volgende conclusie:

a. Door het afpellen en ontmantelen van de afwerking aan het schip duidelijk gebleken gebreken die dateren van ten minste de afgelopen tien jaar, die cosmetisch aan het zicht zijn onttrokken, van constructieve aard zijn, het gebruik als schip belemmeren en zich in een vergaand, ernstig stadium bevinden en waarvan de toenmalige verkoper/eigenaar moet hebben geweten voor het aangaan van de verkoopovereenkomst in april 2010."

2.4.2. Een tuigage-inspectierapport betreffende de tuigage (op dekniveau) van de Trintel van A. de Groot te Stavoren, van 15 september 2011, waarin - voor zover van belang - onder meer het volgende is opgenomen:

"Het achterstagbeslag is één van de belangrijkste beslagen in de tuigage van een schip. De hele langsscheepse tuigage, vanaf de boegspriet en voorsteven, via de masttoppen naar het achterschip, wordt gesteund op het achterstagbeslag. Het verliezen van een achterstagfunctie kan zeer ernstige gevolgen hebben; zoals bijvoorbeeld het overboord breken van de masten, met alle gevolgen van dien. De afwerking van het achterstagbeslag aan de buitenzijde wekt de indruk of zou het bevestigd zijn met voldoende zware bouten. Het tegendeel is waar. Aan de binnenzijde is te zien dat het beslag over de gehele lengte bevestigd is met 10 korte schroefjes van 5 mm dik. Terwijl aan de gaten is te zien dat de originele bevestiging 2 x zo dik geweest is.(…)

Algehele indruk/conclusie

De bevestiging van het achterstagbeslag is ondeugdelijk en uiterst gevaarlijk. Dit maakt het schip onbevaarbaar."

in contra-enquête

2.5. [B] heeft in contra-enquête de volgende getuigen doen horen:

a. zichzelf;

b. [F], echtgenoot van [B].

2.5.1. [B] heeft - voor zover van belang - onder meer het volgende verklaard:

"In april 2010 werd de interesse serieuzer. Toen heb ik [A] en [C] zelf leren kennen, dat was bij ons thuis. (…)

Ik ben er niet bij geweest toen [A] en [C] samen met [D] door het schip zijn gelopen. (…) Ik ben er wel bij geweest toen het voorlopige koopcontract werd besproken bij ons thuis en daarna werd getekend. (…) Tijdens de bespreking bij ons thuis zijn de mankementen aan het dek besproken. Het dek moest gerestaureerd worden en dat is toen besproken. Dat was het belangrijkste punt van aandacht. (…)

Mij zijn geen problemen bekend met de constructie van het schip. De dekproblemen waren bekend en ook dat daardoor lekkage kon ontstaan. Dat hebben wij ook steeds aangegeven. Ik wist niet dat [D] een heipaalkeverlarve heeft gezien. (…)

Op een vraag van mr. Sikkes of er na 2003 nog veel werk is verricht aan het schip, antwoord ik het volgende. Ja, er is veel werk verricht aan het schip na die tijd. (…) [D] is continue bezig geweest na die tijd om het schip in goede staat te houden, het was een continue proces.

Op een vraag van mr. Sikkes of er gesproken is over certificaten met [A] en/of [C], antwoord ik het volgende. Daar is nooit over gesproken. Dat had dan ter sprake moeten komen bij de onderhandelingen bij ons thuis, en daar was ik bij. Dat had ik ook zeker nog geweten als daar over gesproken was, omdat ik de certificaten dan opnieuw had moeten opvragen aangezien we de certificaten niet meer in ons bezit hadden. Ik heb stukken van de boekhouding wel gedurende 7 jaar bewaard. Maar certificaten hadden wij toen niet meer. Wel zijn besproken de stukken die bij het schip horen, zoals stukken over de werkwijze en de apparatuur. (…)

Destijds in 2002 moest er een toilet vervangen worden. Bij de reparatie is een slang losgelaten waardoor het ging hevelen. In de avond/nacht is het schip toen volgelopen met water. (…)"

2.5.2. [F] heeft - voor zover van belang - onder meer het volgende verklaard:

"Op 27 april 2010 is dacht ik het voorlopig koopcontract getekend. Daarin stond dat [A] en [C] alle expertises konden laten doen die ze wilden. Ik heb ze toen de sleutels gegeven en zijn daarna regelmatig aan boord geweest, ik heb ze daar alle ruimte voor gegeven. Ik heb ze bovendien adviezen gegeven, waaronder dat een nieuwe motor noodzakelijk was (een zwaardere motor), dat de stuurinrichting veranderd moest worden en dat het dek er helemaal af moest. Dat was nodig vond ik, omdat zij een wereldreis wilden gaan maken. Als ik het heb over het eraf halen van het dek bedoel ik dat ik toen heb aangegeven dat het teakdek er in zijn geheel af zou moeten worden gehaald en dat de slechte delen (voornamelijk vooral stuurboordzijde) van het hoofddek vervangen moesten worden. (…)

Aan de constructieve delen mankeerde niks. De dekbalken en dergelijke hebben zij goed kunnen zien en daar was niks mis mee. (…) de spanten waren gewoon te zien en die waren goed. De oplangers (de bovenstukken) hadden ze gezien en daar moest wel wat werk aan gedaan worden, net zoals aan de verschansing (daar was al wat werk aan verricht). Dat was allemaal met het blote oog te zien.

Ik heb een keer in een vulstuk tussen twee oplangers een heipaallarve gevonden. Ik ben daar niet van geschrokken, want als je het rotte hout weghaalt heb je er ook geen last meer van. Die beestjes leven alleen maar in rot hout. Ik heb toen ook de vulstukken die rot waren vernieuwd.

Waar het gaat om Register Holland had ik in 2002 al een discussie met de heer Valk (…). Hij had toen aangegeven dat hij vond dat het dek (de zachte plekken) vernieuwd moesten worden.. (…) Ik wilde dat in een later stadium gaan aanpakken. In 2003 speelde toen weer hetzelfde probleem met de heer Valk. Ik heb toen twee bedrijven aan boord gehad en die waren het met mij eens. Vervolgens is de scheepvaartinspectie aan boord geweest en die was het met mij eens. (…)

Ik heb de Trintel na 2003 niet meer aangeboden voor de keur (…) Ik heb [A] en [C] destijds aangegeven dat het schip vanaf 1985 tot en met 2003 onder keur heeft gevaren. Ik heb niet gemeld dat het laatste certificaat tijdelijk was, want een keur is een keur. (…)

Waar het gaat om het afbreken van het achterstag, zoals door [A] en [C] verklaard, merk ik het volgende op. Ik heb het houtwerk aan het achtersteven opnieuw gelamineerd (verjongd) en ik heb het beslag van de achtersteven gerepareerd. Dat wil zeggen er zaten in het beslag 7 cm lange nagels en die heb ik vervangen door houtschroeven van 5 cm (RVS schroeven).

Op een vraag van mr. Sikkes of ik na 2003 nog werk aan het schip heb verricht, antwoord ik het volgende: Ik heb inderdaad voortdurend werkzaamheden verricht aan het schip, het gaat dan om onderhoudswerkzaamheden (het reguliere werk). (…) Ik heb ook een gedeelte van het dek gerepareerd, dat wil zeggen: ik heb een aantal noodreparaties verricht om het waterdicht te houden. Ik had toen echter last van een hernia en het vervangen van het hele dek is er toen niet van gekomen.

Het klopt niet dat ik gesproken zou hebben met [A] en/of [C] over de certificaten van het schip. (…) De waarde van een dergelijk certificaat is nul en heeft alleen betrekking op het desbetreffende jaar. Ik heb de rest van de certificaten dan ook weggegooid. De belangrijke papieren voor een dergelijk schip hebben zij wel gekregen (…).

Het schip is niet gezonken, maar gedeeltelijk volgelopen. (…) De problemen die door de lekkage zijn ontstaan, zijn aangepakt. (…) Het had niets te maken met de constructie van het schip. (…)"

2.6. Ten behoeve van de contra-enquête heeft [B] de volgende schriftelijke bewijsstukken ingebracht.

2.6.1. Een inspectierapport inzake de Trintel, van 15 juni 2003, waarin - voor zover van belang - onder meer het volgende is opgenomen:

"Schip is door RH niet zeewaardig verklaard i.v.m. de conditie van het dek, de certificaten van klasse en DS zijn hierop ingetrokken. Dhr. [F] heeft vervolgens een verzoek ingediend voor een second opinion van DS. Ik heb het dek samen met de surveyor van RH, dhr. [D] op 12-06-2003 geïnspecteerd, in aanwezigheid van de eigenaar dhr. [F]. (…)

Vastgesteld: het teakdek is op 1 plaats bb/mk na geheel waterdicht, dit is makkelijk met rubbercompound te repareren. (…) In het grenen dek zitten diverse zachte plekken. (…)

Conclusie: Schip vertoont enige gebreken, die te maken hebben met de leeftijd van het schip. De eigenaar heeft een teakdek aangebracht en verzuimd het grenen dek eerst goed te repareren, ook heeft hij RH hier niet bij betrokken. De constructie/sterkte is mijns inziens niet in het geding, tevens is het dek na 1 reparatie waterdicht. Uitstel tot repareren tot het najaar is daarom verantwoord.

Getekend, Expert Divisie Scheepvaart [I]".

2.6.2. Een schriftelijke verklaring van [H] aan [F] van 5 augustus 2011, waarin - voor zover van belang - onder meer het volgende is opgenomen:

"In 2008 en 2009 waren wij op zoek naar een houten kotter. Jouw schip de Trintel was een van de objecten waar wij interesse in hadden. (…)

We hebben toen besproken wat er zoal aan het schip gedaan moest worden. Je hebt ons toen gewezen op het eventueel vervangen van:

(…)

- Het gehele teakdek eraf halen en de slechte dekdelen eronder vernieuwen (…)"

2.7. Bij antwoordconclusie na getuigenverhoor en tegenverhoor heeft [B] naar aanleiding van de bewijsopdracht in het tussenvonnis onder meer gesteld dat de rechtbank de constructie van de voorshandse aannemelijkheid niet op de juiste wijze heeft toegepast. Volgens [B] zou [A] het volle bewijs, zijnde zwaarder bewijs dan tegenbewijs, moeten leveren van haar stelling dat [B] haar mededelingsplicht zou hebben geschonden en ligt het bewijsrisico volledig bij [A].

2.8. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. Ingevolge artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat het dek van de Trintel aan houtrot onderhevig is en daarmee in beginsel niet de eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik als zeilpassagiersschip, waarmee - gelet op het tijdens de onderhandelingen door [A] geuite voornemen - een wereldreis kan worden gemaakt. Ten aanzien van die eigenschappen rust op [B] een mededelingsplicht. De stelling van [B] dat zij aan haar mededelingsplicht heeft voldaan is een bevrijdend verweer, zodat te dien aanzien de bewijslast op [B] rust. Nu de rechtbank in haar tussenvonnis als voorshands vaststaand heeft aangenomen dat [B] aan haar mededelingsplicht heeft voldaan en ten aanzien daarvan de bewijslast op [B] rust, hoeft [A] niet het volle bewijs te leveren, maar kan zij volstaan met het leveren van tegenbewijs. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verweer van [B].

2.9 De rechtbank stelt voorop dat bij het leveren van tegenbewijs volgens vaste jurisprudentie (zie o.a. HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468) de bewijslast en het bewijsrisico blijven liggen op de partij die zich op het rechtsgevolg beroept. Nu de bewijsopdracht de mededelingsplicht van [B] betreft, is dat in dit geval [B]. Om te slagen in het tegenbewijs moet [A] het door [B] geleverde bewijs ontzenuwen. Hieronder wordt verstaan dat de aanvankelijke overtuiging van de rechtbank, dat [B] aan haar mededelingsplicht heeft voldaan, aan het wankelen is gebracht en dat de alternatieve hypothese wordt onderbouwd of versterkt. Omdat de bewijslast op [B] rust en niet op [A], zijn aan de bewijskracht van de verklaring van [A] niet de beperkingen verbonden die artikel 164 lid 2 Rv aan de verklaring van de partijgetuige verbindt.

2.10. Ten aanzien van de voormelde bewijslevering oordeelt de rechtbank als volgt.

2.11. Met betrekking tot de mate van rotting die [A] op basis van mededelingen van [B] mocht verwachten overweegt de rechtbank het volgende. [B] en [F] verklaren eensluidend dat met [A] is besproken dat door de dekproblemen lekkage kon ontstaan en dat het daarom moest worden gerestaureerd, waarmee is bedoeld dat er delen van het hoofddek vervangen moesten worden. Zowel [B] als [F] heeft verklaard dat er geen constructieve problemen (bekend) waren. [F] heeft echter ook verklaard dat er nog enig werk aan de oplangers en de verschansing moest worden verricht, maar dat dit zichtbaar was. De lezing van [B] en [F] komt met betrekking tot het dek overeen met de verklaringen van [A] en [C] - die onderling eensluidend hebben verklaard -, in die zin dat de meest kwetsbare plekken van het dek vervangen moesten worden. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [F] inzake de oplangers en verschansing niet wordt ondersteund door ander bewijs, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan. Nu de verklaring van [A], inhoudende dat het slechts een aantal planken van het dek betrof, niet wordt ondersteund door andere verklaringen, gaat de rechtbank er vanuit dat de zwakke delen zich in beginsel over het gehele dek konden bevinden. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat [B] aan [A] heeft medegedeeld dat het hoofddek zwakke delen bevatte, welke door [A] moesten worden vervangen.

2.12. Vervolgens is de vraag aan de orde of [B] ten tijde van de koopovereenkomst beschikte over informatie dat sprake was van een veel verdergaand rottingsproces dan [A] op grond van het voorgaande mocht verwachten, te weten aantasting van constructieve delen van het schip. [A] en [C] hebben in essentie eensluidend verklaard dat [B] hen had toegezegd de documenten van het schip en het verleden van het schip te geven, maar dat zij nooit een keuringsrapport van het schip hebben ontvangen. [B] heeft zelf verklaard dat er met [A] niet over de certificaten is gesproken. Door [F] is verklaard dat hij alleen heeft medegedeeld dat de Trintel tussen 1985 en 2003 onder keur heeft gevaren, maar dat hij niet heeft gemeld dat het laatste certificaat tijdelijk was. Uit het inspectierapport van de Trintel van 15 juni 2003 leidt de rechtbank echter af dat de reden voor de aanvankelijke afkeuring door Register Holland en het 'second opinion' enkel was gelegen in de conditie van het dek en niet in de aantasting van andere constructieve delen van het schip. Ten aanzien van het dek is in het inspectierapport van 15 juni 2003 vastgesteld dat er in het grenen dek zwakke plekken zaten die gerepareerd moesten worden, welke vaststelling naar het oordeel van de rechtbank geen verdergaand rottingsproces impliceert dan hetgeen [A] op grond van de mededelingen van [B] had mogen verwachten.

2.13. Uit het voornoemde inspectierapport volgt voorts dat de constructie/sterkte van het schip naar de mening van de inspecteur niet in het geding was, zodat uitstel van de reparatie tot het najaar van 2003 verantwoord was. Met betrekking tot de werkzaamheden die na 2003 aan het schip zijn verricht heeft [B] verklaard dat [F] na 2003 continu bezig is geweest het schip in goede staat te houden. [F] heeft hierover gedetailleerder verklaard, namelijk dat hij een aantal noodreparaties aan het dek heeft verricht om het waterdicht te houden, maar dat het vervangen van het gehele dek er niet meer van is gekomen. De rechtbank leidt daaruit af dat de aantasting van het dek volgens [F] kennelijk destijds al dusdanig was dat het gehele dek moest worden vervangen. Ter comparitie heeft [F] - hoewel door [A] bewtist - verklaard dat hij, nadat het schip was verkocht en geleverd, tegen [A] heeft gezegd dat zij het gehele dek moest vervangen, en dat hij dat ook al voorafgaand aan de verkoop had gezegd. Dat [F] voorafgaand aan de verkoop aan [A] heeft medegedeeld dat zij het gehele dek moest vervangen, is in strijd met zijn eigen getuigenverklaring - inhoudende dat de slechte delen (voornamelijk ter stuurboordzijde) van het hoofddek vervangen moesten worden - en de getuigenverklaring van [B]. De door [B] overgelegde verklaring van [I], inhoudende dat [F] hem er in 2009 onder meer op heeft gewezen dat het gehele teakdek eraf moest en de slechte dekdelen daaronder vernieuwd moesten worden, bevestigt eveneens de in r.o. 2.5. besproken getuigenverklaringen, waaruit volgt dat [B] voorafgaand aan de verkoop slechts aan [A] heeft medegedeeld dat het hoofddek zwakke delen bevatte, welke door [A] moesten worden vervangen. Dit neemt niet weg dat [F] er zelf kennelijk vanuit is gegaan dat het gehele dek vervangen moest worden, terwijl dit niet aan [A] is medegedeeld.

2.14. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [F] niet de volle omvang van de aantasting van het dek, zoals dat aan hem bekend was, aan [A] heeft medegedeeld, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank wel op zijn weg had gelegen. Deze omissie dient voor rekening van [B] te komen, nu zij [F] het grootste deel van de oriënterende gesprekken met [A] alleen heeft laten voeren.

2.15. Vervolgens is de vraag aan de orde of [B] beschikte over informatie over een verder gaand rottingsproces aan (andere) constructieve delen van het schip dan [A] op basis van de mededelingen van [B] had mogen verwachten.

2.16. Ten aanzien van het door [A] overgelegde rapport van A. Reitsma heeft [B] bij antwoordconclusie gesteld dat het rapport niet betrouwbaar is en niet als bewijs kan dienen, onder meer doordat Reitsma een niet-onafhankelijke partijdeskundige is, het onderzoek anderhalf jaar na de aankoop van het schip heeft plaatsgevonden en het rapport geen bewijs oplevert van feiten die [A] dient te bewijzen. De rechtbank overweegt dat door [A] onweersproken is gesteld dat [B] is uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn. Nu [B] hiervan heeft afgezien en zelf geen deskundigenbewijs heeft aangeboden, noch heeft aangedrongen op een deskundigenbericht, is de rechtbank van oordeel dat [B] de betrouwbaarheid van het onderzoeksrapport onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het aanbod van [B] om H. Kuperus, expert bij de Divisie Scheepvaart, die kan verklaren over de toestand van de Trintel in 2003, als getuige te doen horen, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin te beschouwen als een betwisting van de betrouwbaarheid van het deskundigenonderzoek, nu dat onderzoek is gebaseerd op waarnemingen uit 2011, terwijl bewijs wordt aangeboden van (waarnemingen van) de toestand van het schip in 2003. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het rapport van Reitsma als bewijs kan dienen en overweegt dat daaraan vrije bewijskracht toekomt.

2.17. Door Reitsma is onder meer gesteld dat er sprake is van een verregaand stadium van houtaantasting aan het dek en andere constructieve delen van het schip, te weten de spanten en de kniestukken tussen romp en dek, alsmede dat deze houtaantasting is voorafgegaan door een proces dat al in 2003 zichtbaar moet zijn geweest en cosmetisch aan het zicht is onttrokken. Het bij antwoordconclusie door [B] gestelde, dat de spanten en de kniestukken volledig zichtbaar en inspecteerbaar waren, kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan de conclusie van Reitsma afdoen, nu [B] met deze stelling niet de houtaantasting betwist, maar slechts - impliciet - de onderzoeksplicht van [A] aan de kaak stelt. Hiermee gaat [B] voorbij aan haar eigen mededelingsplicht. In het licht van de door Reitsma - zijnde een erkend houtdeskundige - geconstateerde en gespecificeerde houtaantasting, legt de enkele stelling van [B], inhoudende dat de kniestukken in redelijke staat waren en de spanten aan de binnenzijde reeds waren gerestaureerd, onvoldoende gewicht in de schaal. De stelling van [B] dat het onderzoek van Reitsma pas anderhalf jaar na de verkoop heeft plaatsgevonden en dat [A] intussen veel aan het schip heeft veranderd, doet evenmin af aan de validiteit van de conclusie van Reitsma, nu het proces van houtaantasting volgens de deskundige al in 2003 zichtbaar moet zijn geweest en [B] geen feiten heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de houtaantasting door de werkzaamheden van [A] in de laatste anderhalf jaar ineens is verergerd. Uit de conclusie van Reitsma volgt dat de houtaantasting ook in de jaren na 2003 zichtbaar moet zijn geweest, zodat het op de weg van [B] had gelegen [A] hierover te informeren.

2.18. Door Reitsma is voorts gesteld dat het achterstagbeslag los is als gevolg van een bevestiging met schroeven die niet voldoet aan minimale eisen. Deze lezing wordt bevestigd door het tuigage-inspectierapport van A. de Groot inzake de tuigage, waarin is gesteld dat het beslag is bevestigd met schroeven van 5 mm dik, terwijl aan de gaten is te zien dat de originele bevestiging twee keer zo dik was. [A] en [C] hebben grotendeels eensluidend verklaard dat in het achterstagbeslag schroeven van 5 mm doorsnee en 3 á 4 cm lengte zijn gebruikt. Daarnaast heeft [A] verklaard dat de oorspronkelijke schroeven 20 cm lang en 1 cm dik waren. [F] heeft verklaard dat hij het houtwerk aan de achtersteven opnieuw heeft gelamineerd en 5 cm lange schroeven heeft gebruikt in plaats van de originele schroeven van 7 cm lang. Aldus kan uit de verklaring van [F] worden afgeleid dat hij kortere schroeven heeft gebruikt dan de oorspronkelijke, terwijl voorts de voormelde verklaringen met betrekking tot de dikte van de schroeven niet zijn weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank duidt het feit dat [F] het houtwerk aan de achtersteven heeft gelamineerd, erop dat het houtwerk kennelijk was aangetast. Uit het tuigage-inspectierapport van De Groot volgt dat de bevestiging van het achterstagbeslag ondeugdelijk en uiterst gevaarlijk is: de gehele tuigage van het schip steunt op het achterstag en het verliezen van de achterstagfunctie kan zeer ernstige gevolgen hebben, zoals het overboord breken van de masten. De stelling van [B] bij antwoordconclusie, inhoudende dat de hoofdmast met twee achterbakstagen is uitgevoerd, zodat deze bij het breken van het achterstag zou blijven staan, legt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om de conclusie uit het tuigage-inspectierapport - waarvan de betrouwbaarheid niet is betwist - terzijde te stellen. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat het gebruik van de Trintel als zeilschip groot gevaar kan opleveren, doordat het houtwerk van de achtersteven ondeugdelijk is gelamineerd, welk lamineren kennelijk nodig was vanwege aantasting van het houtwerk, en het achterstag ondeugdelijk is bevestigd. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt doordat het achterstag van de Trintel in de haven te Lemmer is afgebroken. Aldus is sprake van aantasting van constructieve bestanddelen van de Trintel. Nu het [B] ten tijde van de verkoop bekend moet zijn geweest dat (het houtwerk van) de achtersteven was aangetast en door [F] ondeugdelijk is gelamineerd, alsmede dat het achterstag door [F] ondeugdelijk is bevestigd, had [B] deze informatie met [A] moeten delen. [B] heeft dit echter nagelaten.

2.19. Op grond van het in r.o. 2.13., 2.14., 2.17. en 2.18. overwogene, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, oordeelt de rechtbank dat de aanvankelijke overtuiging van de rechtbank dat [B] aan haar mededelingsplicht heeft voldaan, door [A] is ontzenuwd, terwijl daartegen onvoldoende is ingebracht van de zijde van [B]. Dat leidt tot het oordeel dat [A] in het door haar te leveren tegenbewijs is geslaagd. [A] hoefde op basis van de mededelingen van [B] niet te verwachten dat de aantasting van het dek, de spanten, de kniestukken, de achtersteven en het achterstag zo ernstig zou zijn zoals hiervoor overwogen, en evenmin dat het achterstag zou kunnen afbreken. Daarmee staat vast dat [B] niet aan haar mededelingsplicht heeft voldaan. De Trintel beantwoordt derhalve niet aan de koopovereenkomst in de zin van artikel 7:17 lid 2 BW, zodat [A] zich met succes op non-conformiteit kan beroepen.

2.20. Anders dan [B] is de rechtbank - met handhaving van het overwogene in r.o. 4.15. van het tussenvonnis - van oordeel dat de ernst van de gebreken aan de Trintel een ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigen. Nu [A] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden zijn er op grond van artikel 6:271 BW voor partijen ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan ter zake van de reeds door hen ontvangen prestaties. [B] heeft aangevoerd dat ontbinding niet praktisch is, nu [A] het schip reeds grondig heeft verbouwd, zodat [A] aan [B] niet meer het schip kan leveren dat zij van [B] heeft gekocht. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat [A] het schip intussen heeft verbouwd niet in de weg staat aan de ongedaanmakingsverbintenis tot het terugleveren van het schip aan [B]. Nu [B] geen feiten heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid of de waarde van het schip door de verbouwingswerkzaamheden is gestegen of gedaald, terwijl zij voorts geen rechtsgevolgen aan haar stelling heeft verbonden, leidt het door [B] gestelde niet tot een ander oordeel. Door [B] is niet betwist dat [A] het bedrag van € 119.000,- aan [B] heeft voldaan, zodat [B] op grond van artikel 6:271 BW gehouden is dit bedrag terug te betalen aan [A]. De rechtbank zal dit deel van de vordering van [A] dan ook toewijzen.

2.21. Met betrekking tot de door [A] gevorderde wettelijke rente vanaf 20 april 2010 overweegt de rechtbank dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf de datum waarop [B] in verzuim is geraakt. Nu [A] daarover niets heeft gesteld, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf 4 november 2010, zijnde de dag der dagvaarding.

2.22. Voorts heeft [A] vergoeding van de door haar geleden schade gevorderd, nader op te maken bij staat. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het voor een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende is dat de eiser de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk heeft gemaakt (HR 8 april 2005, LJN: AR7435). De rechtbank overweegt dat [A] bij dagvaarding vergoeding van kosten voor vervangende woonruimte en extra kosten voor rechtsbijstand heeft gevorderd. Bij conclusie na enquête heeft [A] gesteld dat zij vanwege hulp van vrienden tijdelijke woonruimte op een ander schip heeft gekregen. Daarmee heeft [A] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van de problemen met de Trintel kosten voor vervangende woonruimte kan hebben gemaakt. Rechtsbijstandskosten komen voor de schadestaatprocedure niet in aanmerking nu die kosten worden geacht te zijn inbegrepen in de - hierna te bepalen - proceskostenveroordeling. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.

2.23. Met betrekking tot de door [A] gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank te Leeuwarden hanteert het uitgangspunt dat buitengerechtelijke kosten voor toewijzing in aanmerking komen indien de verrichtingen meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [A] heeft slechts gesteld dat zij via haar advocaat diverse pogingen heeft gedaan om tot een oplossing in der minne te komen, zonder een nadere omschrijving te geven van deze pogingen. Derhalve dient er van te worden uitgegaan, dat vóór de aanvang van het geding geen andere kosten zijn gemaakt dan die welke ter voorbereiding van een geding in het algemeen redelijk en noodzakelijk zijn. Die kosten moeten - zoals door [B] terecht is aangevoerd - worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

2.24. De vordering tot veroordeling van [B] in de beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 103,00

- verschotten 275,97

- salaris advocaat 1.421,00 (1 rekest x tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 1.799,97.

2.25. [B] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De overige proceskosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 1.292,00 (1.395,00 - 103,00)

- dagvaardingskosten 87,93

- salaris advocaat 7.105,00 (5 punten x tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 8.484,93.

in reconventie

2.26. [B] heeft gevorderd dat [A], op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld om het gelegde conservatoir beslag op de onverdeelde helft van de woning van [B] op te heffen. De rechtbank overweegt dat [A], nu in conventie is overwogen dat haar vordering tot betaling van € 119.000,- zal worden toegewezen, een executoriale titel zal verkrijgen die voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Daarmee gaat het gelegde conservatoir beslag op grond van artikel 704 lid 1 Rv over in een executoriaal beslag. De vordering in reconventie is - ondanks het feit dat [A] hiertegen geen verweer heeft gevoerd - dan ook niet toewijsbaar en zal worden afgewezen.

2.27. [B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op EUR 4.263,00 (6 punten x factor 0,5 x tarief EUR 1.421,00).

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van het bedrag van EUR 119.000,00 (zegge: honderdnegentienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2. veroordeelt [B] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op EUR 1.799,97,

3.3. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde [A] vastgesteld op EUR 8.484,93,

3.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

3.6. wijst de vordering af,

3.7. veroordelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] vastgesteld op EUR 4.263,00,

3.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012 in aanwezigheid van de griffier.?