Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX9971

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
113242 - HA ZA 11-489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer en werkgever sluiten vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van arbeidsovereenkomst. Vraag of werkgever door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van eerder met werknemer overeengekomen geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding. Tevens vraag of de werknemer zijn oud-werkgever onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan en zo ja, of de door de werknemer opgerichte onderneming hiervan heeft geprofiteerd. Voorts vraag of werknemer en de door hem opgerichte onderneming inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten van de oud-werkgever op (onder meer) software.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 113242 / HA ZA 11-489

Vonnis van 10 oktober 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LENNOC DEVELOPMENT B.V.,

gevestigd te Brummen,

eiseres,

advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden, voor wie heeft gepleit mr. Chr. A. Alberdingk Thijm, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

1. [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. J.J. Achterveld, kantoorhoudende te Leeuwarden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROBE-ASP B.V.,

gevestigd te Garyp,

gedaagde,

advocaat: mr. J.L. de Hoop, kantoorhoudende te Groningen.

Eiseres zal hierna Lennoc worden genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [A] en ProBe.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord van ProBe;

- de conclusie van antwoord van [A];

- de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek van ProBe;

- de conclusie van dupliek van [A];

- het faxbericht van de zijde van Lennoc d.d. 27 juni 2012, met bijgaand productie 49;

- de pleidooien, gehouden op 11 juli 2012, en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities van Lennoc, [A] en ProBe;

- het proces-verbaal van de zitting, gehouden op 11 juli 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Lennoc B.V. heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid T.Made B.V. (hierna: T.Made) begin 2006 opdracht gegeven tot het ontwikkelen van een platform en software, waarmee claims van vliegtuigpassagiers (hierna: de vertragingsclaims) gebaseerd op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening), snel en eenvoudig digitaal kunnen worden ingediend en geautomatiseerd kunnen worden afgewikkeld. [A], die op dat moment als senior ontwikkelaar in dienst was van T.Made, is voor dit project als projectleider aangesteld.

2.2. Lennoc B.V. en T.Made hebben een overeenkomst met elkaar gesloten, die op

29 maart 2007 namens Lennoc B.V. is ondertekend en op 31 maart 2007 namens T.Made, waarin onder meer staat vermeld dat zij zijn overeengekomen:

"- dat het intellectuele eigendom inclusief alle broncodes (sourcecodes) welke betrekking

hebben op de projecten MeetersAndGreeters, Airportslive en EUClaim overgedragen worden aan Lennoc B.V."

2.3. [A] en Lennoc B.V. hebben op 24 april 2007 een arbeidsovereenkomst met elkaar

gesloten, waarna [A] op 25 april 2007 als senior Software Architect in dienst is getreden

bij Lennoc B.V. In de arbeidsovereenkomst is - voor zover van belang - bepaald:

"Artikel 11. Geheimhouding

11.1. Het is Werknemer verboden, zowel gedurende het dienstverband als na beëindiging

daarvan, op enigerlei wijze aan derden, in welke vorm ook, direct of indirect, mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheid het bedrijf van Werkgever of een met hem gelieerde onderneming betreffende of daarmee verband houdende, waarvan hij redelijkerwijze kan of behoort te begrijpen dat deze niet bestemd is voor kennisneming door derden, ongeacht de wijze waarop die bijzonderheid hem ter kennis is gekomen.

11.2. Bij iedere overtreding van de in lid 1 bedoelde geheimhoudingsplicht verbeurt Werknemer een dadelijk opeisbare boete van € 5.000,-- aan Werkgever, onverminderd de overige aan Werkgever toekomende vorderingen, waaronder begrepen het recht op volledige schadevergoeding.

Artikel 12. Non-concurrentie- en relatiebeding

12.1. Het is Werknemer verboden gedurende een periode van 12 maanden na de beëindiging van het dienstverband, zonder voorafgaande toestemming van Werkgever:

a) werkzaam te zijn voor of ten behoeve van cliënten/opdrachtgevers van

Werknemer of een daarmee gelieerde onderneming, waarvoor of ten behoeve waarvan Werknemer bij Werkgever of een daarmee gelieerde onderneming op enig moment en op welke manier ook werkzaam is geweest;

b) werkzaam te zijn voor of ten behoeve van bedrijven of personen die als

concurrenten van deze cliënten/opdrachtgevers kunnen worden beschouwd;

c) de onder a. bedoelde cliënten/opdrachtgevers, direct of indirect, in zijn eigen

belang of in het belang van derden te benaderen, teneinde hen te bewegen de relatie met

Werkgever of een daarmee gelieerde onderneming ten behoeve van een concurrerende

onderneming te beëindigen. Werknemer dient zich in het algemeen te onthouden van

ieder activiteit en/of gedraging die de relatie tussen Werkgever of een daarmee gelieerde

onderneming en hun cliënten/-opdrachtgevers in negatieve zin zou kunnen beïnvloeden;

d) bij dergelijke werkzaamheden enig belang te hebben of daarbij op enigerlei wijze

betrokken te zijn;

alles op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij direct of indirect, hetzij tegen een vergoeding hetzij om niet.

12.2. Bij overtreding van (een van de)/het in lid genoemd(e) verbod(en) verbeurt Werknemer een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000,-- aan Werkgever voor elke overtreding alsmede € 1.000,-- voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de overige aan Werkgever toekomende vorderingen, waaronder begrepen het recht op volledige schadevergoeding."

2.4. Lennoc is bij akte van 30 mei 2007 opgericht. In deze akte van oprichting is

[B] (hierna: [B]) tot directeur van Lennoc benoemd. Lennoc B.V. is enig aandeelhouder van Lennoc.

2.5. Lennoc B.V. heeft de onder rechtsoverweging 2.2. genoemde intellectuele eigendomsrechten bij notariële akte van 30 mei 2007 overgedragen aan Lennoc.

2.6. Per 1 februari 2008 is de arbeidsovereenkomst tussen [A] en Lennoc B.V. overgenomen door Lennoc, met behoud van anciënniteit en arbeidsvoorwaarden.

2.7. Op 11 februari 2008 zijn Lennoc en [A] schriftelijk een geheimhoudingsbeding en een non-concurrentie- en relatiebeding overeengekomen, met gelijkluidende inhoud als de bedingen die hiervoor (in rechtsoverweging 2.3.) zijn geciteerd.

2.8. Lennoc heeft in het kader van het project met betrekking tot de vertragingsclaims onder meer een stromenschema en een backoffice oplossing ontwikkeld, waaronder een claimformulier en claimbrieven, alsmede software waarmee de hoogte van de vertragingsclaims kan worden berekend, genaamd "de Calculator", en software waarmee de vertragingsclaims kunnen worden ingediend. [A] is in dienst van eerst Lennoc B.V. en later Lennoc, nauw betrokken geweest bij de (door)ontwikkeling van het platform met betrekking tot de vertragingsclaims. [A] heeft de beslissingsboom in kaart gebracht en systemen ontwikkeld voor het afhandelen van de vertragingsclaims, zowel voor de klant (de webtoegang), als voor de backoffice (de webportal).

2.9. EUclaim B.V. (hierna: EUclaim), een dochteronderneming van Lennoc, heeft op basis van de door Lennoc ontwikkelde software, methodiek, workflow en de door de toenmalige advocaat van Lennoc opgestelde juridisch brieven een incassopraktijk opgezet om luchtreizigers tegen betaling bij te staan in het verkrijgen van een vergoeding op basis van de Verordening. Gedupeerde luchtreizigers kunnen door middel van een online vragenformulier enkele gegevens invullen, waarna EUclaim aan de hand van die gegevens en aan de hand van de door Lennoc ontwikkelde software de vertragingsclaims kan valideren en deze vervolgens namens de luchtreiziger kan indienen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij.

2.10. [A] heeft [B] bij e-mail van 16 juni 2009 bericht dat de ontwikkeling van het elektronische klachtenformulier en de onderliggende workflow in een vergevorderd stadium is. [A] heeft een kopie van dit e-mailbericht, met bijgaand het elektronische klachtenformulier en de uitwerking van de bedoelde workflow, diezelfde dag aan [C] (hierna: [C]) doorgestuurd.

2.11. [A] heeft zakenpartner [C] op 2 juli 2009 een e-mailbericht gestuurd, waarin een modeltekst is opgenomen waarin gedupeerde luchtreizigers kort gezegd wordt uitgelegd hoe zij door middel van de door Lennoc ontwikkelde software financiële claims op grond van de Verordening geldend kunnen maken.

2.12. [C] is in september 2009 begonnen met het schrijven van een business plan voor de door hem en [A] op te richten onderneming, aangeduid als ProBe IT. [C] en [A] hebben op 14 oktober 2009 de business case aan de hand van sheets gepresenteerd aan de broers [D] en [E] (hierna: de gebroeders [F]) en [G] (hierna: [G]), zijnde potentiële investeerders in de beoogde onderneming van [C] en [A]. Op de sheets van de presentatie staat onder meer vermeld:

"

• ProBe IT biedt een platform aan partners in Europa om op een eenvoudige manier hun klanten te assisteren bij het claimen van hun rechten bij de luchtvaartmaatschappijen.

• Wij hebben de blauwdruk voor een slimme tool ontwikkeld waardoor de klant en de partner geen onnodige handelingen hoeven te verrichten en er niet geclaimd hoeft te worden op vluchten die daarvoor niet in aanmerking komen.

(…)

• Het platform moet live komen wanneer de meeste claims te verwachten zijn. Dit is in juli, augustus en september.

(…)

• Wij willen deze periode in 2010 graag meepikken en daarom hebben wij ons als doel gesteld om op 1 januari 2010 van start te gaan".

2.13. [A], [C], [G] en de gebroeders [F] hebben op 16 november 2009 een geheimhoudingsverklaring ondertekend. In artikel 1 van deze verklaring is bepaald:

"Partijen zijn voornemens elkaar informatie te verstrekken betreffende:

Het platform "ProBe ASP" dat ontwikkeld en ingezet zal worden om toekomstige partners compensatie van luchtvaartmaatschappijen te kunnen laten verhalen voor hun klanten".

2.14. In de tweede versie van het door [C] opgestelde concept van het businessplan van ProBe d.d. 8 december 2009, staat (op pagina 12) onder andere vermeld:

"Een andere interessante groep van potentiële partners zijn verzekeraars. TPBP zou de basis kunnen vormen voor een verzekeringsproduct waarbij de verzekeraar de kosten voor het verkrijgen van de compensatie verzekert. Dit product zou bij uitstek geschikt kunnen zijn voor rechtsbijstandverzekeraars zoals DAS en ARAG."

2.15. Op 18 december 2009 hebben [A], [C] en de gebroeders [F] en San Fermin B.V., de vennootschap waarvan [G] directeur is, een intentieverklaring ondertekend, die gedateerd is op 16 december 2009. In artikel 1 van deze intentieverklaring is bepaald:

"Partijen zijn voornemens per 1 januari 2010, of zo spoedig mogelijk daaropvolgend, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten, gevestigd te Garyp, Nederland, onder de naam ProBe-ASP B.V. (…)".

2.16. [A] heeft Lennoc bij e-mailbericht van 28 december 2009 te kennen gegeven ontslag te nemen per 1 februari 2010.

2.17. [B] heeft [A] bij brief van 31 december 2009 - voor zover van

belang - bericht:

"Hierbij bevestig ik ontvangst van je mail gedateerd 28 december 2009 betreffende je besluit je dienstverband met Lennoc Development BV te verbreken.

(…)

Wij wisten van je droom om van een reeds lang bestaand, door jou bedacht concept, een werkelijk bedrijf te maken. Dat dwingt respect af en wij wensen je veel succes.

Ik bevestig bij deze dat we je beslissing respecteren en je ontslag per 1 februari 2010 aanvaarden en als zodanig met dit schrijven bevestigen.

(…)

[A], ik hoop waarachtig dat je plan gaat slagen. Veel succes."

2.18. [A] heeft [B] bij schrijven van 27 januari 2010, voor zover van belang bericht:

"Kan jij aangeven wanneer de volgende zaken worden afgehandeld;

- Laatste salarisstrook

- Jaaropgave 2009

- Afrekeningsoverzicht opgebouwd vakantiegeld

- Storting laatste salaris (periode 01/2010)

- Storting afrekening opgebouwd vakantiegeld".

2.19. [B] heeft [A] op 27 januari 2010 - in reactie op voornoemd schrijven - onder meer bericht:

"Ik heb [H]gevraagd je eindafrekening te maken. Om dit af te rond heeft hij de originele factuur van je APK keuring nodig. De rekening die je hebt ingestuurd is waarschijnlijk een verwisseling met een andere rekening. Hij komt in ieder niet overeen en maakt het onmogelijk de BTW vereffening te doen. Bovendien staat de factuur op naam van een ander bedrijf. Ook gaarne een opsomming van jouw kant welke dagen je in december/januari prive hebt opgenomen. Verder gaarne uitleg op welke factuur je de maandbedragen telefonie baseert. We kunnen geen aansluiting vinden bij je expense boek.

Zodra deze twee zaken zijn afgerond zal [I] alle documenten verzenden en voor betaling zorg dragen. (…)".

2.20. [A] heeft [B] op 28 januari 2010 - voor zover van belang - bericht:

"Wel kan ik met zekerheid zeggen dat ik in november 2009 5 dagen heb gebruikt privé,

in december 2009, 6 dagen heb gebruikt privé en januari 2010 t/m de 23e 7 dagen in totaal heb gebruikt privé.

Naar aanleiding van jouw opmerking of het eerlijk is dat ik de onderhoudsbeurt, apk en banden declareer terwijl ik weet dat ik ga vertrekken, en jouw opmerking over 40 euro (ik neem aan dat je hier de telefoondeclaratie bedoeld)

Stel ik het volgende voor :

Verreken de dagen privé zoals jij zelf al aangaf met het salaris van januari, en verreken de telefoondeclaratie van december en de declaratie van de apk, etc met het uitstaande vakantiegeld".

2.21. [B] heeft [A] op 28 januari 2010 te Zwolle een vaststellingsovereenkomst ter ondertekening voorgelegd. Deze vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de toenmalige advocaat van Lennoc. In de vaststellingsovereenkomst, waarin "Lennoc BV" als werkgever is aangeduid en [A] als werknemer, is voor zover van belang bepaald:

"A) Werkgever en werknemer verklaren dat de arbeidsovereenkomst zoals die tussen hen

bestaat met onmiddellijke ingang en per datum dezes wordt beëindigd.

Werknemer is op de hoogte van de gevolgen van deze onmiddellijke beëindiging.

B) Werkgever en werknemer verklaren dat zij na beëindiging van de arbeidsovereenkomst,

over en weer, niets van elkaar te vorderen hebben.

C) Werkgever en werknemer verklaren dat zij na beëindiging van de arbeidsovereenkomst,

over en weer, geen verplichtingen jegens elkaar meer hebben.

D) Werkgever en werknemer verklaren dat zij na beëindiging van de arbeidsovereenkomst

geen uitlatingen over elkaar zullen doen in negatieve bewoordingen.

E) Werkgever en werknemer verklaren dat zij elkaar finale kwijting verlenen.

(…)

Door deze overeenkomst te tekenen verklaren partijen dat zij zich aan bovengenoemde bepalingen zullen houden en dat zij op de hoogte zijn van de gevolgen daarvan."

2.22. [A] en [B] hebben de vaststellingsovereenkomst vervolgens ondertekend.

2.23. [A] en [C] hebben op 12 maart 2010 een presentatie gegeven aan de gebroeders [F], [G], [J], de regiomanager van ARAG, en [K], de adjunct-directeur van ARAG, genaamd: "De rechten van vliegtuigpassagiers in goede handen". Op de achtste slide van deze presentatie is een juridische claimbrief weergegeven die, met uitzondering van de eerste zin, qua inhoud gelijk is aan de brief die mr. [L] in opdracht van Lennoc heeft opgesteld en die door EUclaim wordt gebruikt.

2.24. ProBe is op 15 maart 2010 formeel opgericht. [A] en [C] zijn als directeuren van ProBe aangesteld en [M], [G] en [E] zijn als commissarissen van ProBe benoemd.

2.25. Op 16 maart 2010 is ProBe ingeschreven in het handelsregister van de Kamers van Koophandel. Blijkens dit register, waarin als datum van vestiging van ProBe 1 januari 2010 wordt genoemd, luidt de bedrijfsomschrijving van ProBe als volgt:

"Het drijven van een onderneming, die via internet de mogelijkheid om bedrijfssoftware te gebruiken, aanbiedt;

Het ontwikkelen, exploiteren, licenseren, ver(kopen), ver(huren) en onderhouden van software, hardware en daarmee verbandhoudende intellectuele eigendomsrechten, alsmede het verlenen van adviezen en diensten op die daarmee verband houden."

2.26. [C] heeft begin mei 2010 zijn functie als commercieel directeur van ProBe neergelegd. De Raad van Commissarissen van ProBe is vervolgens opgeheven en uitgeschreven uit het handelsregister.

2.27. ARAG heeft in augustus 2010 de dienst "FlightClaimService" gelanceerd. ARAG heeft de software voor deze dienst betrokken van ProBe.

2.28. Het directeurschap van [A] bij ProBe is in februari 2011 beëindigd. [G] is vervolgens als directeur van ProBe aangesteld.

3. Het geschil

3.1. Lennoc vordert - na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [A] en ProBe gebiedt om het gebruik van informatie, documenten en andere gegevens die afkomstig zijn van Lennoc onmiddellijk te staken en gestaakt te houden, daaronder begrepen het gebruik van documenten en software waardoor inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechten van Lennoc, en hen gebiedt om deze informatie en documenten binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan Lennoc te retourneren zonder daarvan zelf nog enige, al dan niet digitale, kopie te houden;

II. [A] en ProBe verbiedt om Lennoc op onrechtmatige wijze concurrentie aan te doen, daaronder in ieder geval begrepen het verrichten van diensten bestaande uit de geautomatiseerde afhandeling van claims van vliegtuigpassagiers gebaseerd op de Verordening, welke diensten zijn gebaseerd op c.q. waarbij gebruik wordt gemaakt van gegevens, documenten en software van Lennoc;

III. ProBe gebiedt om haar dienstverlening aan ARAG Rechtsbijstand waarmee inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechten van Lennoc en/of waarmee onrechtmatig jegens Lennoc wordt gehandeld te staken en gestaakt te houden;

IV. [A] en ProBe veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat [A] en/of ProBe geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met een of meerdere van de onder I. tot en met III. bedoelde ge- en verboden, tot een maximum van € 500.000,-;

V. voor recht verklaart dat [A] en ProBe onrechtmatig jegens Lennoc handelen en hebben gehandeld en dat [A] en ProBe inbreuk plegen en hebben gepleegd op de auteursrechten van Lennoc met betrekking tot de claimbrieven en de software die ten grondslag liggen aan het door Lennoc ontwikkelde platform voor de geautomatiseerde afhandeling van claims van vliegtuigpassagiers gebaseerd op de Verordening;

VI. [A] veroordeelt om, vanwege de overtreding van het geheimhoudingsbeding, aan Lennoc tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 20.000,-, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. [A] veroordeelt om, vanwege de overtreding van het non-concurrentiebeding, aan Lennoc tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 594.000,-, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

VIII. [A] en ProBe hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis.

3.2. ProBe en [A] voeren (elk afzonderlijk) gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Lennoc heeft onder meer aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [A] wanprestatie jegens haar heeft gepleegd, doordat hij het geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding, zoals opgenomen in de overeenkomst van 11 februari 2008, heeft geschonden. Lennoc heeft daartoe - kort gezegd - gesteld dat [A] tijdens en na zijn dienstverband bij haar vertrouwelijke documenten en informatie van Lennoc, waaronder de door haar ontwikkelde software met betrekking tot de vertragingsclaims en de door haar (toenmalige) bedrijfsjurist opgestelde claimbrieven, heeft doorgespeeld aan zijn businesspartner [C]. Deze documenten en informatie zijn volgens Lennoc vervolgens door [A] en [C] gebruikt ten behoeve van het opstarten van een eigen onderneming (ProBe), met het doel om de concurrentie met Lennoc aan te gaan. Door welbewust gebruik te maken van de wanprestatie van [A], heeft ProBe naar de mening van Lennoc onrechtmatig jegens haar gehandeld. Volgens Lennoc hebben [A] en ProBe haar tevens onrechtmatige concurrentie aangedaan en heeft [A] in strijd gehandeld met goed werknemerschap. [A] en ProBe hebben naar de mening van Lennoc voorts inbreuk gemaakt op haar auteursrechten, doordat zij voor de aan ARAG geleverde diensten gebruik hebben gemaakt van haar software en claimbrieven met bijlagen.

4.2. ProBe heeft tegen de vorderingen van Lennoc ten verwere aangevoerd dat Lennoc geen belang heeft bij haar vorderingen, omdat er bijna tweeënhalf jaar is verstreken sinds de beëindiging van het dienstverband van [A] bij Lennoc en de vorderingen van Lennoc enkel gericht zijn op het uitsluiten van concurrentie.

Daarnaast hebben [A] en ProBe tegen de vorderingen van Lennoc (bij afzonderlijke conclusies) - kort gezegd - ten verwere aangevoerd dat [A] niet is gebonden aan het geheimhoudingsbeding en het non-concurrentiebeding en dat Lennoc hierop ook geen beroep mag doen, omdat [A] en Lennoc op 28 januari 2010 een vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten, waarin zij onder andere hebben verklaard dat zij na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben en dat zij finaal jegens elkaar gekweten zijn. [A] en ProBe hebben Lennoc volgens eigen zeggen ook geen onrechtmatige concurrentie aangedaan en evenmin inbreuk gemaakt op de auteursrechten van Lennoc. Zij hebben - kort gezegd - aangevoerd dat de software die [A] in opdracht van ProBe voor ARAG heeft ontwikkeld, een toepassing is van de door hen ontwikkelde SAP-Killer en dat deze software een geheel eigen karakter heeft (specifiek toegespitst op de wensen van ARAG) en derhalve niet kan worden vergeleken met de software voor vertragingsclaims die [A] in dienst van Lennoc heeft ontwikkeld en die door EUclaim wordt gebruikt. Deze stelling wordt volgens [A] en ProBe ondersteund door het feit dat er een team van tien personen gedurende zes maanden met de ontwikkeling van de software bezig is geweest. Ten slotte voeren [A] en ProBe aan dat de modelbrieven die door ARAG worden gehanteerd, door de juristen van ARAG zijn opgesteld en derhalve geen kopieën van de claimbrieven van Lennoc betreffen.

4.3. ProBe heeft de rechtbank verzocht om de vorderingen van Lennoc jegens haar en [A] afzonderlijk te beoordelen, omdat zij en [A] niet met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Lennoc heeft gesteld dat een dergelijke afzonderlijke beoordeling niet aan de orde is, nu [A] en ProBe in haar visie wel vereenzelvigd kunnen worden, omdat [A] de oprichter van ProBe is en omdat ProBe [A] niet in vrijwaring heeft opgeroepen in de onderhavige procedure. De gedragingen en de wetenschap aan de zijde van [A], dienen volgens Lennoc dan ook te worden toegerekend aan ProBe.

4.4. De rechtbank overweegt dat blijkens vaste jurisprudentie van vereenzelviging, waarbij voorbij wordt gegaan aan het identiteitsverschil tussen een rechtspersoon en één of meer andere bij die rechtspersoon betrokken personen (zie onder meer HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698), slechts onder uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn. Gelijk ProBe heeft aangevoerd, is de enkele vaststelling dat iemand gedurende een bepaalde periode bedrijfsleider, directeur of (mede)eigenaar van een bedrijf is geweest, onvoldoende om de kennis van deze persoon aan dat bedrijf toe te rekenen (zie HR 5 december 2003, NJ 2004, 506). De enkele omstandigheid dat [A] medeoprichter van ProBe is, levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet een uitzonderlijke omstandigheid zoals hiervoor bedoeld op, temeer niet nu ProBe onweersproken heeft aangevoerd dat [A] geen centrale en dominante positie binnen ProBe heeft gehad. De omstandigheid dat ProBe [A] niet in vrijwaring heeft opgeroepen in de onderhavige procedure levert naar het oordeel van de rechtbank - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - evenmin een uitzonderlijke omstandigheid op die tot vereenzelviging van [A] en ProBe dient te leiden. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil - overeenkomstig het verzoek van ProBe - het identiteitsverschil tussen [A] en ProBe dan ook in acht nemen en de vorderingen van Lennoc jegens [A] en ProBe afzonderlijk beoordelen, in die zin dat de rechtbank de gedragingen en de wetenschap aan de zijde van [A] niet zal toerekenen aan ProBe.

4.5. ProBe heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat Lennoc geen belang heeft bij haar vorderingen. De rechtbank zal aan dit verweer voorbijgaan, nu het enkele tijdsverloop sinds de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen Lennoc en [A]

niet reeds impliceert dat Lennoc geen belang (meer) heeft bij haar vorderingen. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de vorderingen van Lennoc niet alleen zijn gegrond op de arbeidsovereenkomst, maar ook op andere grondslagen. Lennoc heeft voorts gemotiveerd betwist dat zij haar vorderingen enkel uit concurrentieoverwegingen heeft ingesteld.

4.6. Partijen verschillen van mening over de vraag of het geheimhoudingsbeding en het non-concurrentiebeding, zoals opgenomen in de overeenkomst van 11 februari 2008, thans nog gelding hebben tussen Lennoc en [A] en meer in het bijzonder over de vraag of uit de vaststellingsovereenkomst van 28 januari 2010 kan worden afgeleid dat Lennoc afstand heeft gedaan van deze bedingen. Lennoc heeft in het kader van deze discussie allereerst gesteld dat zij geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst, nu uit de kop van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat deze overeenkomst tussen Lennoc B.V. en [A] is gesloten. De rechtbank volgt Lennoc niet in haar stelling. In punt A) van de vaststellingsovereenkomst is - gelijk [A] en ProBe hebben aangevoerd - immers bepaald dat de tussen werkgever en werknemer bestaande arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt beëindigd. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst tussen Lennoc B.V. en [A] reeds per 1 februari 2008 en aldus geruime tijd voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is beëindigd, zodat met de in punt A) genoemde “bestaande arbeidsovereenkomst" niet de reeds beëindigde arbeidsovereenkomst tussen Lennoc B.V. en [A] kan zijn bedoeld. Omdat ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wel een arbeidsovereenkomst bestond tussen Lennoc en [A], en [B], de directeur van Lennoc, ter zitting namens Lennoc heeft verklaard dat de vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de toenmalige advocaat van Lennoc en dat hij deze overeenkomst aan [A] heeft voorgelegd omdat Lennoc van hem af wilde, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat Lennoc partij is bij de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank beschouwt de vermelding van Lennoc B.V. als werkgever in de kop van de vaststellingsovereenkomst dan ook als een kennelijke verschrijving of vergissing.

4.7. Lennoc heeft in het kader van voornoemde discussie - onder verwijzing naar de correspondentie die partijen voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben gevoerd - tevens gesteld dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten ter beëindiging van het geschil tussen partijen omtrent de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. Volgens Lennoc zijn zij en [A], anders dan [A] en ProBe hebben aangevoerd, dan ook enkel overeengekomen afstand te doen van de over en weer bestaande financiële rechten en plichten. Lennoc heeft betoogd dat er tussen haar en [A] geen verschil van mening bestond omtrent de werking van het geheimhoudings- en non-concurrentiebeding en dat de vaststellingsovereenkomst derhalve geen betrekking heeft op deze bedingen, daar vaststellingsovereenkomsten enkel zien op punten waarover een geschil of onzekerheid bestaat tussen partijen. Lennoc heeft gesteld dat zij ook niet de bedoeling heeft gehad om afstand te doen van de bedingen.

4.8. Partijen verschillen derhalve van mening over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst d.d. 28 januari 2010 en de vraag of door de vaststellingsovereenkomst voornoemde bedingen teniet zijn gegaan, met als gevolg dat Lennoc zich daar niet (meer) op kan beroepen. De rechtbank overweegt dat deze vraag niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract, maar dat het voor de beantwoording van die vraag ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex)). Ook een vaststellingsovereenkomst dient overeenkomstig deze maatstaf te worden uitgelegd (zie HR 11 september 2009, NJB 2009, 1618). Het gaat er hierbij om wat, gelet op de feitelijke omstandigheden, de meest voor de hand liggende uitleg is.

4.9. De rechtbank stelt vast dat in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk is bepaald dat partijen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, dat zij geen verplichtingen jegens elkaar hebben en dat zij elkaar finale kwijting verlenen. Deze bepalingen zijn niet expliciet beperkt tot financiële rechten en plichten. Noch is in de vaststellingsovereenkomst een uitzondering opgenomen voor het geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding, die partijen op 11 februari 2008 zijn overeengekomen. De rechtbank overweegt dat [B] ter zitting heeft verklaard dat hij in het gesprek waarin hij de vaststellingsovereenkomst ter ondertekening heeft voorgelegd aan [A], aan de orde heeft gesteld dat hij [A] niet wilde zien bij concurrenten. [B] heeft vervolgens kennelijk geen aanleiding gezien in de vaststellingsovereenkomst op te nemen dat de bedingen buiten het bereik van de vaststellingsovereenkomst zouden vallen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank voor zijn, althans het risico van Lennoc komt, temeer nu Lennoc [A] - gezien de beschuldigingen van zijn ex-werkgever T.Made die Lennoc heeft "afgekocht" met een schadevergoeding - als onbetrouwbaar heeft bestempeld en Lennoc er van op de hoogte was dat [A] een eigen onderneming zou beginnen en dat op basis van de SAP-Killer een toepassing voor vertragingsclaims zou kunnen worden gemaakt. ProBe heeft immers onweersproken aangevoerd dat [B] [A] tijdens zijn afscheidsborrel heeft gevraagd of op basis van de SAP-Killer ook een toepassing voor vertragingsclaims gemaakt zou kunnen worden, en dat [A] die vraag vervolgens bevestigend heeft beantwoord. [B] heeft ter zitting ook verklaard dat hij [A] de vaststellingsovereenkomst heeft voorgelegd, nadat hij erachter kwam dat hij "pootje werd gelicht" en er daardoor iets in hem brak. Voor zover [B] met het "pootje lichten" heeft bedoeld dat hij erachter was gekomen dat [A] zich met ProBe op software voor vertragingsclaims richtte, van welke interpretatie de rechtbank in het proces-verbaal van de zitting van 11 juli 2012 is uitgegaan, dan kan uit de verklaring van [B] ook de wetenschap van de mogelijkheden van de SAP-Killer op het gebied van software voor vertragingsclaims worden afgeleid.

De rechtbank neemt bij haar oordeel ook in aanmerking dat de vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de advocaat van Lennoc, dat [A] geen juridische bijstand heeft gehad op het moment dat de vaststellingsovereenkomst hem ter ondertekening werd voorgelegd en dat Lennoc en [A] niet hebben onderhandeld over de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank acht tevens van belang de omstandigheid dat [A] door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst minder heeft gekregen dan waar hij volgens eigen zeggen recht op had. [A] heeft ter zitting immers verklaard dat hij afstand heeft gedaan van één maandsalaris, vakantiegeld en een onkostenvergoeding van ongeveer € 850,-, hetgeen niet voor de hand zou liggen als daar niets tegenover zou staan, temeer niet nu [A] de arbeidsovereenkomst reeds had opgezegd per 1 februari 2010 en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aldus geen reden was om de vaststellingsovereenkomst te sluiten en het non-concurrentiebeding ook maar een beperkte duur (van één jaar) had. De slotsom luidt dat Lennoc door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zich niet (meer) kan beroepen op het geheimhoudingsbeding en het non-concurrentiebeding. Dit geldt ook voor zover Lennoc heeft willen betogen dat [A] vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst inbreuk heeft gemaakt op deze bedingen, nu partijen in de vaststellingsovereenkomst hebben verklaard dat zij na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst "niets van elkaar te vorderen hebben" en dat "zij elkaar finale kwijting verlenen".

Dat voornoemde bedingen zijn opgenomen in een afzonderlijke overeenkomst, zoals Lennoc heeft aangevoerd, doet niet af aan het vorenstaande. Nog daargelaten de omstandigheid dat de aard en de bewoordingen van de bedingen in de afzonderlijke overeenkomst erop wijzen dat deze onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst, heeft Lennoc door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst jegens [A] ook afstand gedaan van alle over en weer bestaande rechten en plichten en aldus ook van de bedingen in de overeenkomst van 11 februari 2008. Voor zover Lennoc nog heeft aangevoerd dat het niet haar bedoeling is geweest om afstand te doen van het geheimhoudingsbeding en het non-concurrentiebeding, dan faalt ook dit verweer. De rechtbank is namelijk van oordeel dat [A] er - gelet op het vorenstaande - gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat partijen door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst elkaar finale kwijting verleenden en dat hij niet meer gebonden was aan deze bedingen en Lennoc derhalve hierop ook geen beroep meer zou (kunnen) doen.

4.10. Lennoc heeft subsidiair gesteld - voor het (zich thans voordoende) geval dat de rechtbank zou oordelen dat het geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding geen gelding zouden hebben - dat de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is wegens dwaling en bedrog. Lennoc heeft daartoe betoogd dat zij de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben gesloten, indien zij er wetenschap van zou hebben gehad dat [A] met het door hem opgerichte bedrijf ProBe de concurrentie met haar zou aangaan en dat het op de weg van [A] had gelegen om hiervan mededeling te doen. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling en bedrog reeds afstuit op de omstandigheid dat de uitleg (rechtsoverweging 4.9.) van de vaststellingsovereenkomst luidt dat Lennoc het geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding niet buiten het bereik van de vaststellingsovereenkomst heeft laten vallen en dit voor eigen rekening en risico van Lennoc komt.

4.11. Gelet op het vorenstaande komen de onder VI. en VII. van [A] gevorderde dwangsommen, die Lennoc heeft gegrond op de schending van het geheimhoudings- en het non-concurrentiebeding, niet voor toewijzing in aanmerking. Ook de overige vorderingen van Lennoc zullen worden afgewezen, voor zover deze gegrond zijn op de stelling dat [A] in strijd heeft gehandeld met het geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding en daardoor met goed werknemerschap. Voor zover de vorderingen van Lennoc zijn gegrond op de stelling dat ProBe onrechtmatig heeft gehandeld door [A] aan te zetten tot schending van de bedingen en door misbruik te maken van de schending hiervan, moeten deze vorderingen - gelet op het vorenstaande - het lot delen van voornoemde vorderingen.

4.12. Tussen partijen is voorts in geschil of [A] Lennoc onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan en zo ja, of ProBe hiervan heeft geprofiteerd. De rechtbank overweegt dat een werknemer op grond van het recht op vrije arbeidskeuze in beginsel vrij is om bij een andere werkgever in dienst te treden dan wel voor zichzelf te beginnen en de voormalig werkgever te beconcurreren, alsmede om daarbij gebruik te maken van de kennis en ervaring die hij bij zijn voormalig werkgever heeft opgedaan. Van onrechtmatige werknemersconcurrentie is pas sprake indien de voormalig werknemer zich schuldig maakt aan het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalig werkgever dat hij in het kader van de arbeidsovereenkomst mee heeft helpen opbouwen, met de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg (zie HR 9 december 1955, NJ 1956, 157).

4.13. Nog los van de vraag of [A] daadwerkelijk vertrouwelijke informatie en documenten van Lennoc heeft gebruikt bij het opstarten van ProBe, hetgeen [A] en ProBe uitdrukkelijk hebben betwist, strandt het beroep op onrechtmatige concurrentie naar het oordeel van de rechtbank reeds omdat Lennoc niet dan wel onvoldoende heeft gesteld dat [A] stelselmatig en substantieel afbreuk heeft gedaan aan haar duurzame bedrijfsdebiet. Lennoc heeft immers slechts gesteld dat [A] haar voormalig klant ARAG heeft benaderd en dat ARAG dezelfde dienst van ProBe afneemt, als die ARAG in het verleden van EUclaim heeft afgenomen. Nog daargelaten dat [A] deze stelling uitdrukkelijk heeft betwist, kan uit deze stelling geen "stelselmatige afbreuk" van het bedrijfsdebiet van Lennoc worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan de relatie die tussen Lennoc dan wel EUclaim en ARAG heeft bestaan ook niet als duurzaam worden beschouwd, nu Lennoc heeft gesteld dat zij dan wel EUclaim slechts op ad hoc basis heeft samengewerkt met ARAG en dat EUclaim in de periode van augustus 2008 tot november 2010 ongeveer twintig vertragingsclaims voor ARAG heeft ingediend, zodat ook op die grond geen sprake kan zijn van onrechtmatige concurrentie. Daarnaast heeft ProBe ter zitting verklaard dat EUclaim inmiddels meer dan 53.000 vertragingsclaims behandelt, hetgeen [B] ter zitting heeft bevestigd, terwijl ARAG slechts rond de 2.500 vertragingsclaims behandelt. Zo er al sprake zou zijn van een afbreuk van het bedrijfsdebiet van Lennoc, dan betreft dit aldus geen "substantiële afbreuk". Aldus zal de rechtbank de vordering onder II. van Lennoc, die strekt tot het verbieden van [A] en ProBe om Lennoc onrechtmatige concurrentie aan te doen, daaronder begrepen het verrichten van diensten bestaande uit de geautomatiseerde afhandeling van vertragingsclaims gebaseerd op de Verordening, afwijzen. Lennoc heeft naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij het uitspreken van een verbod voor mogelijk toekomstig onrechtmatig handelen, nu dergelijk handelen reeds op grond van de wet verboden is. Gelet op het vorenstaande komen de vorderingen van Lennoc onder III. en IV, die strekken tot het gebieden van ProBe om op straffe van verbeurte van dwangsommen de dienstverlening aan ARAG te staken en gestaakt te houden, evenmin voor toewijzing in aanmerking, voor zover deze vorderingen zijn gegrond op de stelling dat [A] en ProBe Lennoc onrechtmatige concurrentie hebben aangedaan. Hetzelfde lot treft de onder V. gevorderde verklaring voor recht dat [A] en ProBe onrechtmatig jegens Lennoc hebben gehandeld.

4.14. Lennoc heeft gesteld dat [A] en ProBe in strijd hebben gehandeld met haar auteursrechten, doordat [A] op 25 november 2009 achtentwintig claimbrieven, die door haar voormalig bedrijfsjurist zijn opgesteld en waarop een auteursrecht ten gunste van haar rust, integraal heeft doorgestuurd aan [C] en doordat één van deze brieven vervolgens is gebruikt in de presentatie die [A] en [C] op 12 maart 2010 voor ARAG hebben gehouden. De brieven die ARAG thans voor haar Flight Claim Service gebruikt, betreffen volgens Lennoc ook een bewerking of nabootsing in gewijzigde vorm van voornoemde brieven. Lennoc heeft met betrekking tot de claimbrieven van ARAG subsidiair aangevoerd dat deze afbreuk doen aan de geschriftenbescherming die haar ten aanzien van haar eigen claimbrieven toekomt.

4.15. [A] en ProBe hebben onder meer ten verwere aangevoerd dat op de claimbrieven van Lennoc, gelet op de aard daarvan, geen auteursrecht rust, temeer niet nu Lennoc deze brieven sinds oktober 2009 tegen een kleine vergoeding publiekelijk aanbiedt aan derden. Indien er wel een auteursrecht op de claimbrieven zou rusten of indien de claimbrieven onder de geschriftenbescherming vallen, dan is volgens [A] en ProBe geen sprake van schending van dit auteursrecht en de geschriftenbescherming, omdat de claimbrieven die ARAG thans gebruikt, zijn opgesteld door de juristen van ARAG en deze brieven aldus geen kopie betreffen van de claimbrieven die door de bedrijfsjurist van Lennoc zijn opgesteld. Dat de claimbrieven van Lennoc en ARAG onderling gelijkenis vertonen, komt naar de mening van [A] en ProBe omdat de brieven over dezelfde inhoudelijke materie gaan.

4.16. Gelet op dit debat is de kern van het geschil de vraag of Lennoc auteursrechten heeft op de claimbrieven die door haar voormalig bedrijfsjurist zijn opgesteld, en zo ja, of [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op deze auteursrechten. De rechtbank overweegt dat het auteursrecht ingevolge artikel 1 van de Auteurswet het uitsluitend recht is van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld. Onder een dergelijk werk vallen blijkens artikel 10 lid 1, sub 1 van de Auteurswet onder andere geschriften. Een werk kan alleen auteursrechtelijke beschermd zijn in de zin van de artikelen 1 en 10 van de Auteurswet, indien het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het een persoonlijke stempel van de maker draagt (zie HR 4 januari 1991, NJ 1991, 608). Het vereiste van "eigen, oorspronkelijk karakter" houdt in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk. De eis dat het werk het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus een voortbrengsel is van de menselijke geest (zie HR 30 mei 2008, NJ 2008, 556).

4.17. De rechtbank is van oordeel dat op de claimbrieven van Lennoc geen auteursrecht rust, nu deze brieven weinig oorspronkelijk zijn. De brieven bevatten immers met name een weergave van de rechten en aanspraken die passagiers van een vertraagde vlucht op grond van de Verordening en de jurisprudentie hebben. Reeds daarom dienen de vorderingen van Lennoc te worden afgewezen, voor zover zij gegrond zijn op de door haar gestelde auteursrechtelijke inbreuk op haar claimbrieven. De overige verweren die [A] en ProBe hebben aangevoerd tegen voornoemde stelling van Lennoc behoeven derhalve geen bespreking meer.

4.18. De rechtbank overweegt als volgt met betrekking tot de vraag of aan de claimbrieven van Lennoc geschriftenbescherming toekomt. Geschriftenbescherming komt toe aan geschriften die niet voldoen aan de criteria voor auteursrechtelijke bescherming, mits die geschriften openbaar gemaakt zijn dan wel zijn bestemd om openbaar gemaakt te worden (zie onder meer HR 8 februari 2002, NJ 2002, 515). De rechtbank is van oordeel dat het beroep van Lennoc op de geschriftenbescherming reeds afstuit op de omstandigheid dat Lennoc haar stelling dat [A] en ProBe zich schuldig hebben gemaakt aan het door ontlening overnemen van de inhoud van haar claimbrieven - gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door [A] en ProBe - niet dan wel onvoldoende hebben onderbouwd. [A] en ProBe hebben immers aangevoerd dat zij de claimbrieven van Lennoc niet hebben aangeleverd aan ARAG, maar dat de juristen van ARAG zelf claimbrieven hebben opgesteld. Dat de claimbrieven van Lennoc en ARAG inhoudelijk gelijkenis vertonen is naar het oordeel van de rechtbank niet verwonderlijk en onvermijdbaar, nu de (op de Verordening en de jurisprudentie gegronde) rechten van passagiers die een vertraagde vlucht hebben gehad daarin zijn opgenomen. De claimbrieven van ARAG maken naar het oordeel van de rechtbank ook om die reden geen inbreuk op de geschriftenbescherming die op de claimbrieven van Lennoc rust, zodat Lennoc zich tegen het gebruik hiervan ook niet kan verzetten.

4.19. Lennoc heeft tevens gesteld dat ARAG inbreuk heeft gemaakt op haar auteursrechten, omdat de bijlage die bij de standaard eerste claimbrief van ARAG wordt gevoegd - met uitzondering van de gehanteerde kleur in het eerste blok - een getrouwe kopie is van de bijlage die wordt gehanteerd door het platform van Lennoc en waarop een auteursrecht rust. Omdat ARAG de bijlage volgens Lennoc van ProBe heeft gekregen en ProBe de bijlage op haar beurt van [A] heeft gekregen, hebben [A] en ProBe de bijlage naar de mening van Lennoc verveelvoudigd en hebben zij ook in strijd gehandeld met haar auteursrechten.

4.20. [A] en ProBe hebben betwist dat er een auteursrecht rust op de bijlage bij de claimbrieven van Lennoc en indien er wel een auteursrecht op deze bijlage zou rusten, dat zij hierop inbreuk hebben gemaakt. De bijlage die ProBe heeft geïncorporeerd in het voor ARAG ontwikkelde maatwerkgedeelte van de software gebaseerd op de SAP-Killer, is volgens [A] en ProBe namelijk opgesteld en aangeleverd door ARAG. [A] en ProBe hebben aangevoerd dat ARAG over de bijlage bij de eerste claimbrief van Lennoc kon beschikken, doordat ARAG in het verleden enkele claims van haar verzekerden heeft doorverwezen naar EUclaim en voorts omdat deze bijlage vrijelijk beschikbaar is.

4.21. De rechtbank is van oordeel dat voor zover er al een auteursrecht zou rusten op de bijlage die Lennoc bij haar eerste claimbrief heeft gevoegd en ARAG hierop inbreuk zou hebben gemaakt, Lennoc niet dan wel onvoldoende feiten heeft aangedragen voor haar stelling dat [A] en ProBe inbreuk op haar auteursrecht hebben gemaakt door deze bijlage te verveelvoudigen. De enkele omstandigheid dat ARAG een soortgelijke bijlage als Lennoc gebruikt en deze bijlage deel uitmaakt van de software die ARAG van ProBe heeft betrokken, impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat ARAG de bijlage van Lennoc van ProBe heeft gekregen en dat ProBe de bijlage op haar beurt in handen heeft gekregen via [A]. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat [A] en ProBe onweersproken hebben aangevoerd dat ARAG zelf reeds over voornoemde bijlage van Lennoc beschikte, omdat zij in het verleden vertragingsclaims van haar verzekerden heeft laten afhandelen door EUclaim. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vorderingen van Lennoc afwijzen, voor zover deze zijn gegrond op de stelling dat [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op haar auteursrechten ten aanzien van de bijlage bij de door haar gehanteerde eerste claimbrieven. Nu ARAG niet in de onderhavige procedure betrokken is, behoeft de vraag er daadwerkelijk een auteursrecht rust op de bijlage en of ARAG met de door haar gebruikte bijlage bij de claimbrieven daadwerkelijk inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Lennoc, verder geen bespreking.

4.22. Lennoc heeft voorts gesteld dat [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op haar auteursrechten, doordat zij de software voor vertragingsclaims die ProBe aan ARAG heeft aangeleverd, hebben ontleend aan de software van Lennoc. De software van ProBe, die ARAG thans gebruikt, heeft volgens Lennoc namelijk een identieke functionaliteit als de door haar ontwikkelde software die via EUclaim wordt aangeboden. Lennoc heeft hierbij verwezen naar de bijlage bij de claimbrieven van ARAG, die evenals de bijlage bij haar claimbrieven, automatisch wordt gegenereerd door de gebruikte software. Lennoc heeft tevens ter onderbouwing van haar stelling betoogd dat het haar - onder leiding van [A] - vijf jaren heeft gekost om de software voor vertragingsclaims (door) te ontwikkelen, terwijl ProBe in staat was om binnen vier maanden software voor vertragingsclaims aan ARAG te leveren.

Lennoc heeft betwist dat [A] en ProBe een SAP-Killer hebben ontwikkeld en dat een specifieke toepassing daarvan software voor vertragingsclaims betreft, die op maat is gemaakt voor ARAG. Uit de presentatie die [C] en [A] in maart 2010 voor ARAG hebben gehouden, volgt naar de mening van Lennoc ook dat ProBe op dat moment reeds een platform voor het geautomatiseerd verwerken van vertragingsclaims had ontwikkeld en dat een dergelijk platform aldus niet vanaf mei 2011 pas specifiek voor ARAG is ontwikkeld.

Het is naar de mening van Lennoc aan [A] en ProBe om te bewijzen dat zij de software die zij aan ARAG hebben aangeleverd niet hebben ontleend aan de door haar ontwikkelde software.

4.23. [A] en ProBe hebben betwist dat zij inbreuk hebben gemaakt op de eventuele auteursrechten op de software van Lennoc en hebben in dit kader het volgende aangevoerd. De effectieve ontwikkeling van het platform van Lennoc, waar goeddeels twee personen aan hebben gewerkt, is niet een kwestie van jaren, maar een kwestie van maanden geweest. [A] heeft in opdracht van ProBe en met behulp van de heer [N] (hierna: [N]) en het bedrijf Qubiz S.R.L. (hierna: Qubiz) een geheel nieuwe software applicatie ontwikkeld voor het automatiseren van bedrijfsprocessen, genaamd de SAP-Killer. De ontwikkeling van de technische kant van de SAP-Killer heeft zes maanden gekost en hieraan is met een team van tien mensen gewerkt. ProBe heeft ter onderbouwing van dit betoog bij conclusie van dupliek (als productie T) een verklaring van de heer [O], de directeur van Qubiz, overgelegd, waarin onder meer staat vermeld dat dit laatstgenoemde bedrijf van januari 2010 tot augustus 200 heeft gewerkt aan de SAP-Killer. Als productie U respectievelijk productie 5 bij de afzonderlijke conclusies van dupliek van ProBe en [A] zijn vervolgens maandelijkse werkrapporten over de maanden maart 2010 tot half augustus 2010 van Qubiz overgelegd, waarop ProBe als klant staat genoemd en de SAP-Killer als onderwerp.

Op basis van de SAP-Killer is volgens [A] en ProBe vervolgens voor ARAG een toepassing gemaakt ten behoeve van diensten voor vertragingsclaims, waarbij de gebruikte technologie, methodologie en workflow, alsmede de vormgeving zijn doorontwikkeld in samenwerking met de afdeling marketing van ARAG en geheel zijn toegespitst op de wensen van ARAG. ProBe heeft als productie O bij haar conclusie van antwoord ook een brief overgelegd van ARAG, waarin ARAG onder meer bevestigt dat de kern van de samenwerking tussen ARAG en ProBe is dat ProBe haar software ter beschikking stelt en verder op maat maakt naar de wensen van ARAG en dat ARAG daarmee vervolgens vertragingsclaims behandelt. ProBe en [A] hebben voorts bij hun conclusies van dupliek, als productie R, respectievelijk productie 3, een verklaring overgelegd van [N], waaruit volgt dat hij als software architect samen met [A] van januari tot en met mei 2010 aan de SAP-Killer heeft gewerkt en dat in mei 2010 een start is gemaakt met een eerste toepassing van de SAP-Killer voor ARAG. In de presentatie die in maart 2010 voor ARAG is gehouden staat volgens [A] en ProBe weliswaar vermeld dat er een platform is ontwikkeld, maar hiermee is volgens hen niet de software voor vertragingsclaims bedoeld, maar de SAP-Killer.

ProBe en [A] hebben voorts aangevoerd dat een verschil tussen de software van Lennoc en ProBe is dat de applicatie van ProBe een voorkant met een "plug in" kent, waarbij de klant zijn vluchtgegevens, datum en e-mailadres opgeeft, alsmede een registratiemodule en een klantenportaal die volledig op maat gemaakt zijn voor ARAG, terwijl het platform van Lennoc een Calculator kent, die uit veel meer stappen bestaat. Of de software van Lennoc en ProBe al dan niet identiek is dient volgens ProBe en [A] te worden beoordeeld aan de hand van de broncodes van de software.

4.24. De rechtbank is van oordeel dat er een auteursrecht rust op de door Lennoc ontwikkelde software, nu niet gesteld of gebleken is dat de software is ontleend aan een ander werk en niet in geschil is dat de software het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en aldus van creatieve keuzes. Dat het ontwikkelen van de software volgens ProBe "rocket science" is en aldus niet ingewikkeld is, doet naar het oordeel van de rechtbank - wat er verder ook zij van de juistheid van deze stelling - niet af aan de oorspronkelijkheid van de software en de persoonlijk stempel daarop van Lennoc. Lennoc is ingevolge artikel 4 van de Auteurswet auteursrechthebbende, nu zij onweersproken heeft gesteld dat zij als maker van de software kan worden aangemerkt en dat voor zover T.Made als maker moet worden aangemerkt, T.Made de auteursrechten bij overeenkomst van maart 2007 aan Lennoc B.V. heeft overgedragen en Lennoc B.V. de auteursrechten vervolgens aan haar heeft overgedragen op het moment dat zij werd opgericht.

4.25. De rechtbank is van oordeel dat Lennoc op grond van artikel 150 Rv dient te bewijzen dat [A] en ProBe de door ProBe gebruikte software hebben ontleend aan haar software en dat zij aldus inbreuk hebben gemaakt op haar auteursrechten. De rechtbank ziet - anders dan Lennoc heeft betoogd - geen aanleiding om voorshands uit te gaan van het vermoeden van inbreuk en om [A] en ProBe tegenbewijs te laten leveren tegen dit vermoeden. Voor het aannemen van een dergelijk vermoeden is slechts plaats indien sprake is van een bepaalde mate van overeenstemming tussen werken (zie HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164). Niet reeds het enkele feit dat tussen een werk waarvoor auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen en een als inbreukmakend bestreden voortbrengsel punten van overeenstemming bestaan, wettigt het vermoeden dat het laatste de vrucht is van bewuste of onbewuste ontlening. Daartoe is een mate van overeenstemming vereist die van een zodanige aard en omvang is dat, indien het bedoelde vermoeden niet wordt ontzenuwd, geoordeeld moet worden dat van een ongeoorloofde verveelvoudiging in auteursrechtelijke zin sprake is. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van vorenbedoelde overeenstemming komt het erop aan of het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt (zie HR 29 november 2002, NJ 2003, 17). De rechtbank is van oordeel dat van vorenbedoelde mate van overeenstemming tussen de software van Lennoc en de software die [A] voor ProBe heeft ontwikkeld, niet is gebleken. De enkele omstandigheid dat de software van zowel Lennoc als ProBe geschikt zijn voor hetzelfde doel, namelijk het automatiseren van bedrijfsprocessen ten behoeve van vertragingsclaims, is daartoe onvoldoende. Gelijk [A] en ProBe hebben aangevoerd, is het aanbieden van software op het gebied van vertragingsclaims op zichzelf staand niet auteursrechtelijk beschermd. Nu de broncodes van de software van Lennoc en ProBe niet in het geding zijn gebracht en Lennoc ook niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe haar software tot stand is gekomen, overweegt de rechtbank dat uit de totaalindrukken van de software van Lennoc en ProBe niet kan worden afgeleid dat de software te weinig van elkaar verschilt en dat de software van ProBe daarom niet als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.

4.26. De rechtbank is van oordeel dat Lennoc onvoldoende feiten heeft aangevoerd voor haar stelling dat [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten die op haar software rusten, in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door [A] en ProBe. De rechtbank overweegt daartoe dat [A] en ProBe voldoende onderbouwd hebben aangevoerd dat [A] in opdracht van ProBe en met behulp van de heer [N] en het bedrijf Qubiz binnen zes maanden daadwerkelijk de technische kant van een SAP-Killer heeft ontwikkeld en dat een specifieke toepassing hiervan de zelfstandig ontwikkelde en op maat gemaakte software voor vertragingsclaims voor ARAG betreft. Nu Lennoc enkel heeft volstaan met de stelling dat de functionaliteiten van de software van ProBe volkomen identiek is aan haar software en zij deze stelling niet nader heeft toegelicht, terwijl [A] en ProBe gemotiveerd hebben betwist dat voornoemde software volkomen identiek is en zij bovendien onderbouwd hebben aangevoerd dat het logisch is dat de functionaliteiten van de software overeenkomen - zoals de automatische generatie van (de bijlage bij) de claimbrieven - omdat de software hetzelfde doel dient, namelijk het geautomatiseerd afhandelen van vertragingsclaims, is de rechtbank van oordeel dat hetgeen Lennoc ter onderbouwing van haar stelling aanvoert, geen schending van de auteursrechten van Lennoc oplevert. Voor bewijslevering is geen plaats, gelet op het vorenoverwogene.

4.27. De slotsom luidt dat [A] en ProBe geen inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten van Lennoc, zodat de rechtbank de vorderingen onder I. en IV. van Lennoc, die ertoe strekken dat [A] en ProBe op straffe van verbeurte van dwangsommen wordt geboden het gebruik van voornoemde documenten en software waardoor inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechten van Lennoc te staken en gestaakt te houden en deze documenten en software te retourneren aan Lennoc, zal afwijzen. Omdat Lennoc voorts niet heeft geconcretiseerd op welke informatie, documenten en andere gegevens het onder I. gevorderde gebod verder ziet, zal de rechtbank de vordering onder I. voor het overige als onvoldoende gespecificeerd afwijzen.

4.28. Gelet op het vorenstaande komen het onder III. ten laste van ProBe gevorderde gebod van Lennoc om de dienstverlening aan ARAG waarmee inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechten van Lennoc te staken en gestaakt te houden en de onder IV. ter zake van dit gebod gevorderde dwangsommen, evenmin voor toewijzing in aanmerking. Voorts zal ook de onder V. gevorderde verklaring voor recht dat [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten van Lennoc met betrekking tot de claimbrieven en de software van Lennoc, worden afgewezen.

4.29. Lennoc zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.414,00

- salaris advocaat € 10.320,00 (4 punten × tarief VII (€ 2.580,-))

Totaal € 11.734,00

De kosten aan de zijde van ProBe worden tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 568,00

- salaris advocaat € 1.808,00 (4 punten × tarief II (€ 452,-))

Totaal € 2.376,00.

4.30. Overeenkomstig de vordering van ProBe, zal Lennoc tevens worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten van ProBe, te berekenen vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis.

5. De beslissing

De rechtbank,

5.1. wijst de vorderingen van Lennoc af,

5.2. veroordeelt Lennoc in de proceskosten van [A], tot op heden vastgesteld op

€ 11.734,00,

5.3. veroordeelt Lennoc in de proceskosten van ProBe, tot op heden vastgesteld op

€ 2.376,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3. uitgesproken kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, mr. M. Sanna en mr. A. Tilma en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2012.?