Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX8756

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
17/880197-12 PROM
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwerping beroep op noodweerexces. Door het vloeren van het slachtoffer was het gevaar in principe geweken en was de aanval beëindigd zodat er geen noodzaak meer bestond voor verdachte zich te verdedigen. Daarnaast bood dit verdachte voldoende gelegenheid buiten bereik van de ander te komen.

Er kan van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging sprake zijn indien op het tijdstip van de aan verdachte verweten gedraging de wederrechtelijke aanranding weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Daarbij moet aannemelijk zijn dat de hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest bij de overschrijding van de grenzen.

Uit de geschetste omstandigheden en de door verdachte ten overstaan van de politie en ter zitting afgelegde verklaring, blijkt de rechtbank niet dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging als hiervoor bedoeld. Verdachte verklaart in feite niets hierover; hij zegt niet meer dan dat hij dacht dat hij het ding uit de hand van het slachtoffer moest schoppen want als het slachtoffer op ging staan, kon hij hem weer achterna komen. Dit wijst eerder op een berekenende aktie dan op een hevige gemoedsbeweging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14a
Wetboek van Strafrecht 14b
Wetboek van Strafrecht 14c
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880197-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 september 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Leeuwarden, De Marwei, te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 11 september 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Pieters, advocaat te Sneek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 mei 2012,

te Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met kracht in/tegen diens gezicht, althans tegen diens hoofd heeft geschopt en/of getrapt, (zulks terwijl die [slachtoffer] reeds weerloos op de grond lag),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 13 mei 2012,te Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel(te weten een gebroken [boven]kaak en/of [een] gebroken jukbe[e]n[en] heeft toegebracht, door deze opzettelijk en met kracht in/tegen

diens gezicht, althans op/tegen diens hoofd te trappen en/of te schoppen.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 140,64 aan materiële schade en tot een door de rechtbank naar goede justitie te bepalen bedrag aan immateriële schade;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte2, voor zover inhoudende:

Op 13 mei 2012 heb ik in Wolvega3 op straat ruzie gehad met [slachtoffer]. [slachtoffer] kwam op mij af. Ik deed mijn arm om hem heen en veegde met mijn voet zijn voeten weg zodat hij voorover op de grond viel. Direct daarna heb ik hem een trap gegeven. De trap raakte hem in zijn gezicht. Op het moment van het raken van de trap lag hij al helemaal languit op de grond of was hij net nog aan het vallen.

2. De verklaring van verdachte4 voor zover inhoudende:

(V = verbalisant A = aangever)

V: [slachtoffer] heeft aangifte gedaan.

A: Ik heb hem (lees: [slachtoffer]) een trap gegeven en gevloerd. Ik heb hem tegen zijn hoofd getrapt toen hij op de grond lag. Ik trok hem met mijn arm in zijn nek, naar de grond toe. Toen hij naar voren viel gaf ik hem een trap, ik raakte hem tegen zijn hoofd.

3. De verklaring van aangever [slachtoffer]5, voor zover inhoudende:

(V = verbalisant A = aangever)

V: Ik ga met je praten over geweldpleging, gepleegd zondag 13 mei 2012 omstreeks 05:00 uur in het centrum van Wolvega. Jij werd daarvan het slachtoffer.

A: We hebben even gewacht op [getuige 1], toen ze zich bij ons aansloot, liepen we verder richting bakkerij De Vliegende Hond. Toen we daar liepen hoorde ik [verdachte] van afstand schreeuwen. Voordat ik het wist stonden we aan elkaar te trekken en te duwen. Het leek voor mij opgelost, het werd rustiger. Ik heb de trap niet aan zien komen.

V: Wat gebeurde er nog meer?

A: Ik dacht dat het gesust was. Hij pakte me beet en trapte mijn voeten onder mijn lichaam weg, ik viel daardoor op de grond. Ik wilde opstaan van de grond af. Toen kwam een echte trap. Ik heb zelf maar één trap gevoeld. Ik zag meteen het bloed uit mijn neus komen.

V: Hoe viel je op de grond?

A: [verdachte] haalde mijn voeten onder mij weg, voor mijn gevoel kukelde ik voorover. Ik probeerde me met mijn handen af te zetten om weer te gaan staan. Ik kreeg de kans daar niet voor. Uit de richting waar [verdachte] stond kwam die trap. [verdachte] stond voor mij. Ik heb de trap niet zien aankomen. Hij pakte mij bij mijn schouders en zette zijn voeten om mijn voeten waardoor ik viel.

V: Je voelt de dreun in je gezicht en dan?

A: Ik had toen een gigantische pijn aan mijn neus. Toen ik bij Uncle Sam zat drukte ik op de tanden van mijn boven gebit, dat ging alle kanten op. Dat zat toen niet helemaal lekker. Dat deed op dat moment geen pijn. Alleen mijn neus deed erg pijn. In het ziekenhuis toen er foto's waren gemaakt, toen bleek dat mijn bovenkaak, mijn neus, mijn jukbenen en mijn oogkassen kapot waren.

4. De verklaring van [getuige 2]6, voor zover inhoudende:

(V = verbalisant A = aangever)

V: Ik ga je nader als getuige horen in verband met de mishandeling van [slachtoffer].

A: Ineens zag ik dat [verdachte] met een voet, achter een voet van [slachtoffer] haakte. Ik zag dat [slachtoffer] voorover op de grond viel en volgens mij, althans daar staat me iets van bij, raakte [slachtoffer] met zijn buik en gezicht de grond. Toen [slachtoffer] op de grond lag zag ik dat [verdachte], de op de grond liggende [slachtoffer], die op dat moment probeerde om overeind te komen, een schop midden in zijn gezicht gaf. Ikzelf heb één schop gezien.

V: Op welk moment schopte [verdachte], [slachtoffer]?

A: Ik zag dat [verdachte], [slachtoffer] schopte, direct op het moment dat [slachtoffer] op de grond lag.

V: Kan het dan zijn dat hij de schop al inzette, toen [slachtoffer] aan het vallen was?

A: Dat kan heel goed. Ik zag dat [verdachte] zijn been, volgens mij zijn rechter, naar achteren uithaalde en vervolgens [slachtoffer] een flinke trap tegen zijn hoofd gaf. Dat uithalen van dat been, zou tijdens de val kunnen zijn geweest, maar [slachtoffer] werd geraakt, toen hij op de grond lag.

5. De verklaring van [getuige 1]7, voor zover inhoudende:

(opmerking verbalisant: Ik heb wat vragen voor jou omtrent een mishandeling van vannacht met [slachtoffer].)

Ik hoorde schreeuwen van beide jongens en ik zag dat [verdachte], [slachtoffer] op de grond gooide. Hij werd niet eerder geschopt dan toen hij echt languit op de grond lag.

Ik zag dat [verdachte] voluit trapte tegen het aangezicht van [slachtoffer]. Ik zag dat hij zijn been naar achteren haalde en vervolgens weer naar voren bracht en met de voet tegen het hoofd van [slachtoffer] trapte.

Het opzet

De raadsman heeft in de eerste plaats gesteld dat verdachte niet gericht naar het gezicht schopte van [slachtoffer] en dat dit tot vrijspraak zou moeten leiden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Er kan ook sprake zijn van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet. Er is voorwaardelijk opzet aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. Daarbij geldt dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Of de gedraging die aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht (vgl HR 24 februari 2004, LJN AO1498).

Uit de stukken en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring komt naar voren dat verdachte, terwijl hij tegenover het slachtoffer stond, een hand in de nek van het slachtoffer heeft gelegd en vervolgens met zijn voet de voeten van het slachtoffer onder hem uit heeft geschopt. Het slachtoffer viel hierdoor voorover. Verdachte heeft vervolgens uitgehaald met zijn been en het slachtoffer een trap gegeven. De trap raakte het slachtoffer terwijl deze al op de grond lag of nog net bezig was voorover te vallen. Voor de beoordeling van het opzet maakt dit geen verschil. Verdachte stelt dat het zijn bedoeling was tegen de hand van het slachtoffer te schoppen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet goed heeft gezien of en zoja hoe het slachtoffer lag toen hij hem trapte. Ook heeft hij niet gezien waar de hand van het slachtoffer op dat moment was. Vlak voor het wegschoppen van zijn benen had het slachtoffer zijn hand voor zijn lichaam, aldus verdachte.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat de kans dat de toch min of meer ongericht gegeven trap het slachtoffer in het gezicht zou raken aanmerkelijk is te achten nu het slachtoffer, die tegenover verdachte stond, voorover viel of direct met het hoofd voor verdachte lag. Het kan niet anders of verdachte moet zich daar, gezien de omstandigheden, ook van bewust zijn geweest. Aldus kan bewezen worden geacht dat verdachte het slachtoffer opzettelijk in het gezicht heeft geschopt of getrapt.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of er sprake was van opzet gericht op de dood van het slachtoffer. Het is een algemene ervaringsregel dat het schoppen tegen het hoofd kan leiden tot schedelfracturen, bloedingen onder de schedel en kwetsuren van het strottenhoofd of de nekwervels die de dood kunnen veroorzaken. Dit is in deze zaak niet anders en klemt temeer nu uit de bewijsmiddelen, met name het ontstane letsel, af te leiden is dat het een krachtige trap vol tegen het aangezicht betrof. Bovendien werd deze trap gegeven op een moment dat het slachtoffer niet in staat was de trap af te weren of te ontwijken. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn. Door niettemin genoemd geweld uit te oefenen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedragingen zouden kunnen leiden tot de dood van het slachtoffer. Aldus was bij verdachte sprake van opzet op de dood.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 13 mei 2012, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met kracht in/tegen diens gezicht, heeft geschopt of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair: Poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft gesteld dat verdachte al tot twee keer toe van het slachtoffer was weggelopen en dat hij, toen hij het slachtoffer gevloerd had, bang was dat deze voor de derde keer achter hem aan zou gaan en dat dit een hevige gemoedsbeweging bij verdachte teweeg heeft gebracht. Verdachte heeft in een opwelling een trap gegeven als poging om het mes dat hij bij het slachtoffer meende te zien, weg te trappen en dit kan onder die omstandigheden gezien worden als noodweerexces dat tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door het vloeren van het slachtoffer was het gevaar in principe geweken en was de aanval beëindigd zodat er geen noodzaak meer bestond voor verdachte zich te verdedigen. Daarnaast bood dit verdachte voldoende gelegenheid buiten bereik van de ander te komen. Er kan van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging sprake zijn indien op het tijdstip van de aan verdachte verweten gedraging de wederrechtelijke aanranding weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Daarbij moet aannemelijk zijn dat de hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest bij de overschrijding van de grenzen.

Uit de geschetste omstandigheden en de door verdachte ten overstaan van de politie en ter zitting afgelegde verklaring, blijkt de rechtbank niet dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging als hiervoor bedoeld. Verdachte verklaart in feite niets hierover; hij zegt niet meer dan dat hij dacht dat hij het ding uit de hand van het slachtoffer moest schoppen want als het slachtoffer op ging staan, kon hij hem weer achterna komen. Dit wijst eerder op een berekenende aktie dan op een hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu -ook overigens- niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie en het (beknopte) reclasseringsadvies;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft iemand tegen het gezicht getrapt. Deze trap heeft geleid tot ernstig letsel bij het slachtoffer en deze mag van geluk spreken dat hij het er levend af heeft gebracht. De rechtbank tilt zwaar aan dit feit. Verdachte heeft hiermee in ernstige mate de grenzen van het toelaatbare overschreden.

Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Zo heeft hij in 2008 een transactie voldaan in verband met het plegen van een mishandeling en heeft hij in maart 2012 een transactie aangeboden gekregen naar aanleiding van een vermeende mishandeling. Uit het beknopte reclasseringsadvies blijkt dat verdachte een bewogen verleden achter de rug heeft, waarbij contacten met de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering aan de orde waren. Ook heeft hij in een vrijwillig kader contact gehad met Bureau Jeugdzorg. Verdachte volgt een opleiding aan het Friesland College. Problemen op het gebied van middelengebruik kunnen niet worden uitgesloten. Verdachte stelt zich volgens de reclassering weinig responsief en vermijdend op en intrinsieke motivatie om contacten met de reclassering en/of andere vormen van hulpverlening aan te gaan ontbreekt. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De psychiater die verdachte heeft onderzocht in het kader van een trajectconsult heeft geen aanleiding gezien om het opstellen van gedragsdeskundige rapportage te adviseren. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden geëist, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren. De rechtbank kan zich vinden in dit voorstel en zal de officier van justitie dan ook volgen in zijn eis.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade ad €140,64 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade ad € 4.300,00 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt dat het slachtoffer een bepaalde rol heeft gespeeld bij de aanleiding tot de trap die het letsel heeft veroorzaakt. Naar burgerlijk recht heeft medeschuld van het slachtoffer een matigende invloed op de hoogte van het toe te kennen bedrag aan immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat -gezien het door de benadeelde opgelopen letsel- in ieder geval gesteld kan worden dat de door verdachte veroorzaakte schade die voor vergoeding in aanmerking komt op minimaal € 2.000,00 gewaardeerd kan worden. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank acht de behandeling en waardering van het meer-gevorderde dusdanig complex dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank zal dan ook bepalen dat dit deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro) aan immateriële schade en een bedrag van € 140,64 (zegge: éénhonderd veertig euro en vierenzestig eurocent) aan materiële schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2012 .

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.140,64, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. Y. Huizing, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2012.

Mr. Huizing is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

********************************************************************************

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met registratienummer [nummer], gesloten op 11 juni 2012.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2012.

3 Het is een feit van algemene bekendheid dat de plaats Wolvega is gelegen in de gemeente Weststellingwerf.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 13 mei 2012, pagina 57 en 61.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], d.d. 23 mei 2012, pagina 24, 26 en 27.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], d.d. 15 mei 2012, pagina 33, 35 en 36.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], d.d. 13 mei 2012, pagina 41, 42 en 43.