Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX7508

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
400274 CV EXPL 12-5512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak: Deurwaarder werkzaam in opdracht oorspronkelijk eisende partij voert geen adresverificatie uit en vermeldt in brief aan oorspronkelijk gedaagde partij onjuist bedrag aan hoofdsom na titel. Kosten verzet voor rekening oorspronkelijk eisende partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 400274 CV EXPL 12-5512

vonnis van de kantonrechter d.d. 4 september 2012

inzake

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in verzet,

gemachtigde: mr H.L. Thiescheffer,

tegen

de stichting STICHTING WOONFRIESLAND,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: VNR – NGC Gerechtsdeurwaarders.

Partijen zullen hierna [eiser] en WoonFriesland worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verzetdagvaarding,

- de conclusie van antwoord in verzet,

- de conclusie van repliek in verzet.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. Tussen partijen kan, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, van het volgende worden uitgegaan.

2.1. WoonFriesland heeft [eiser] gedagvaard in verband met het bestaan van een huurachterstand, betrekkelijk tot de door hem van WoonFriesland gehuurde woning aan het adres [adres]te [woonplaats]. Bij die dagvaarding is tevens (onder meer) ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Het dagvaardingsexploot is niet in persoon aan [eiser] betekend.

2.2. Nadat op 13 maart 2012 tussen partijen een toewijzend verstekvonnis was gewezen – strekkend tot onder meer betaling van bedragen ad € 1.131,06 aan achterstallige huur tot en met 29 februari 2012 en ad € 178,50 aan buitengerechtelijke kosten – heeft WoonFriesland dit verstekvonnis op 17 april 2012 aan [eiser] doen betekenen. Die betekening is niet in persoon geschied.

2.3. Nadat de gemachtigde van WoonFriesland de datum van de voorgenomen ontruiming had aangezegd bij brief van 20 april 2012, gericht aan het adres [adres]te [woonplaats], heeft de ontruiming op 2 mei 2012 plaatsgehad. In zoverre is vorenbedoeld verstekvonnis tenuitvoergelegd.

2.4. Op 8 juni 2012 heeft WoonFriesland [eiser] een afrekening gezonden – gericht aan het adres [adres 2]te [woonplaats] – waarin zij [eiser] een bedrag ad in totaal € 7.537,48 in rekening brengt betreffende (onder meer) huur (blijkbaar tot en met 2 mei 2012), mutatiekosten en een voorschotnota van de ontruimende deurwaarder.

2.5. De gemachtigde van WoonFriesland heeft [eiser] op 12 juni 2012 een brief gezonden – gericht aan het adres [adres 2]te [woonplaats] – waarin zij [eiser] meedeelt dat "onderstaande vordering nog tegen u in behandeling is". Daarin wordt als "hoofdsom na titel incl. incassokosten" een bedrag ad € 7.715,98 genoemd.

2.6. Nadat [eiser] zich tot zijn gemachtigde had gewend en deze het verstekvonnis bij de gemachtigde van WoonFriesland had opgevraagd heeft [eiser] op 25 juni 2012 kennis genomen van het verstekvonnis.

2.7. Op 10 juli 2012 is de verzetdagvaarding aan WoonFriesland betekend.

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] vordert te worden ontheven van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken in meerbedoeld verstekvonnis van 13 maart 2012 en hij concludeert tot (onder meer) afwijzing van de vordering van WoonFriesland.

[eiser] stelt zich – op grond van hetgeen daaromtrent hierboven bij de vaststaande feiten is vermeld – op het standpunt dat hij het verzet tijdig heeft ingesteld. Als verweer tegen de oorspronkelijke vorderingen van WoonFriesland voert [eiser] aan, dat hij, omdat hij in financiële zin niet aan zijn verplichtingen jegens WoonFriesland kon voldoen, de door hem van WoonFriesland gehuurde woning aan een derde heeft onderverhuurd. [eiser] stelt dat hij zelf nooit in de woning heeft gewoond, maar dat hij op het adres [adres 2]te [woonplaats] woonachtig is gebleven. Volgens [eiser] heeft er kennelijk geen adresverificatie plaatsgehad voordat er werd gedagvaard. [eiser] was er niet mee bekend dat er een huurachterstand is ontstaan en hij veronderstelt dat zijn onderhuurder zeer waarschijnlijk is gestopt met het betalen van huur. [eiser] heeft voor het eerst op 8 juni 2012 kennis genomen van het feit dat er een huurachterstand bestond. Het is [eiser] onduidelijk hoe groot de achterstand is omdat hij dat niet uit de diverse in de brieven genoemde bedragen kan afleiden. [eiser] betwist uitdrukkelijk dat hij is gehouden tot voldoening van een bedrag ad € 4.655,- ter zake van mutatieschade, nu hij niet in de gelegenheid is gesteld om het gehuurde in oorspronkelijke staat te brengen. [eiser] betwist dat hij met WoonFriesland of haar gemachtigde contact heeft gehad betreffende een betalingsregeling. Het is [eiser] evenmin bekend wanneer de huurovereenkomst is geëindigd.

Bij conclusie van repliek in verzet gaat [eiser] in op hetgeen WoonFriesland bij haar conclusie van antwoord in verzet heeft gesteld. Daarbij stelt hij, dat het hem, nu WoonFriesland de mutatieschade kennelijk als onderdeel van het verstekvonnis beschouwt, ontgaat waarom dat verweer buiten de rechtsstrijd tussen partijen zou staan. Volgens [eiser] is zijn ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzet gedane beroep op artikel 6 EVRM gerechtvaardigd.

Het standpunt van WoonFriesland

3.2. WoonFriesland heeft de stellingen van [eiser] bij verzetdagvaarding als volgt weerlegd. Primair stelt WoonFriesland, dat het recht van verzet is gekoppeld aan een termijn van 4 weken na de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Het vonnis wordt, in geval van ontruiming van onroerende zaken, geacht te zijn tenuitvoergelegd nadat de ontruiming heeft plaatsgehad. Volgens WoonFriesland is de verzettermijn daarom op 2 mei 2012 gaan lopen en liep deze af op 30 mei 2012. Omdat de verzetdagvaarding pas op 10 juli 2012 is betekend, is [eiser] daarin niet-ontvankelijk, aldus WoonFriesland. In het beroep van [eiser] op artikel 6 EVRM, omdat hij niet wist van het bestaan van een huurachterstand en een ontruiming, kan WoonFriesland zich niet vinden. [eiser] heeft bij ondertekening van de huurovereenkomst expliciet woonplaats gekozen op het adres van het gehuurde en WoonFriesland heeft hem daarom op grond van die woonplaatskeuze gedagvaard. Omdat [eiser] zich vervolgens niet heeft gehouden aan hetgeen in de artikelen 7.4 en 7.5 van de huurvoorwaarden is opgenomen, heeft hij zelf het risico in het leven geroepen dat hij geen kennis kon dragen van de hem betekende stukken en van de ontruiming. WoonFriesland acht het hoogst onwaarschijnlijk dat [eiser] niet van de ontruiming wist, omdat de adressen [adres 2]en [adres]in [woonplaats] slechts 1,2 kilometer van elkaar zijn verwijderd. [eiser] kan zijn wijze van handelen niet op WoonFriesland afwentelen, aldus WoonFriesland. WoonFriesland wijst er op dat [eiser] van het bestaan van huurachterstand op de hoogte was, omdat hij op 20 maart 2012 telefonisch contact met de gemachtigde van WoonFriesland heeft opgenomen teneinde een betalingsvoorstel betreffende de achterstallige huur te doen. Ten slotte geeft WoonFriesland aan op grond waarvan zij, kort gezegd, de toewijzing van buitengerechtelijke kosten in het verstekvonnis gerechtvaardigd acht.

De ontvankelijkheid van het verzet

4.1. WoonFriesland verwijt, blijkens hetgeen zij stelt, [eiser], dat deze het over zichzelf heeft afgeroepen dat hij van het bestaan van de huurachterstand noch van de ontruiming van de woning op 2 mei 2012 wist, omdat hij – zo begrijpt de kantonrechter – bij het sluiten van de huurovereenkomst expliciet domicilie gekozen heeft op het adres van het gehuurde en vervolgens zijn uit de huurovereenkomst en de daarbij behorende voorwaarden voortvloeiende verbintenissen niet is nagekomen door de betreffende woning te onderverhuren aan een derde en als gevolg van een en ander geen stukken ontving. De conclusie van WoonFriesland is dan ook dat het beroep van [eiser] op artikel 6 EVRM niet kan slagen en dat het verzet te laat is ingesteld.

4.2. De kantonrechter deelt het standpunt van WoonFriesland niet. Allereerst valt op – en [eiser] heeft daarop, naar het oordeel van de kantonrechter, terecht gewezen – dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat de gemachtigde van WoonFriesland, alvorens [eiser] te dagvaarden, een adresverificatie heeft gedaan. Van een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder mag dat worden verwacht. Daaraan doet niet af dat [eiser], zoals WoonFriesland stelt, bij het sluiten van de huurovereenkomst expliciet domicilie heeft gekozen op het adres van het gehuurde. Het door WoonFriesland bedoelde punt 6 van de huurovereenkomst bepaalt niet méér dan dat WoonFriesland voor de uitvoering van de huurovereenkomst woonplaats kiest in het gehuurde. Geenszins is daaruit af te leiden dat de gevolgen van deze woonplaatskeuze zich mede uitstrekken tot handelingen die noodzakelijk zijn om een civiele procedure als de onderhavige in te leiden. Daarbij komt, dat het als min of meer gebruikelijk moet worden beschouwd dat een gerechtsdeurwaarder voorafgaand aan het dagvaarden van een natuurlijk persoon een adresverificatie bij de gemeentelijke basisadministratie verricht en de daarmee gemoeide kosten vervolgens – op grond van het bepaalde bij artikel 9, eerste lid onder a Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders – aan de voet van het dagvaardingsexploot vermeldt. In het onderhavige geval ontbreekt de betreffende vermelding in het oorspronkelijke dagvaardingsexploot. Blijkbaar heeft de exploterende deurwaarder het niet nodig gevonden om de juistheid van het hem door WoonFriesland opgegeven adres van [eiser] te verifiëren, maar het nalaten daarvan kan hij niet aan [eiser] tegenwerpen. Betreffende een vordering met een voor een gedaagde partij aanzienlijk belang als onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde diende de exploterende deurwaarder, naar het oordeel van de kantonrechter, "voor de goede verrichting van de ambtshandeling" – zoals vorenbedoeld artikellid vermeldt – zekerheidshalve een adresverificatie te doen.

4.3. Zoals hierboven onder 2 al is weergegeven staat vast dat dagvaarding noch verstekvonnis in persoon aan [eiser] is betekend. Van het verrichten van een handeling door [eiser] waaruit moet worden afgeleid dat deze op de hoogte was van bestaan en inhoud van de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling is, anders dan WoonFriesland kennelijk meent, niet gebleken. Weliswaar kan, anders dan [eiser] kennelijk meent, uit de brief van WoonFriesland van 8 juni 2012 én uit de brief van 12 juni 2012 van de gemachtigde van WoonFriesland worden afgeleid dat er sprake is (of was) van het bestaan van een huurachterstand, maar dat WoonFriesland respectievelijk de gemachtigde van WoonFriesland bij vorenbedoelde brieven een exemplaar van het verstekvonnis had gevoegd is niet gebleken. Wel is de kantonrechter het met [eiser] eens, dat uit geen der beide brieven ondubbelzinnig kan worden afgeleid om welke bedragen het ten aanzien van de huurachterstand ging. De inhoud van de betreffende brieven levert in ieder geval in onvoldoende mate de bekendheid van [eiser] met (de inhoud van) het verstekvonnis op. Daarvoor is de inhoud ervan te summier.

4.4. Ten aanzien van de brief van 12 juni 2012 van de gemachtigde van WoonFriesland aan [eiser] merkt de kantonrechter het volgende op. Volstrekt onbegrijpelijk acht de kantonrechter, op grond waarvan de gemachtigde van WoonFriesland meent dat de "hoofdsom na titel incl. incassokosten" een bedrag ad € 7.715,98 beloopt. Immers, WoonFriesland beschikt met het verstekvonnis over een executeerbare titel voor een "hoofdsom incl. incassokosten" voor een bedrag van € 1.309,56 (zijnde € 1.131,06 aan hoofdsom, te weten huurachterstand tot en met 29 februari 2012, en € 178,50 aan buitengerechtelijke kosten) vermeerderd met de geliquideerde proceskosten ad € 677,64 tot aan de datum van het verstekvonnis. Kennelijk heeft de gemachtigde van WoonFriesland voor het gemak maar meteen de mutatieschade en het mogelijk nog resterende gedeelte van de niet betaalde huurtermijnen tot aan het einde van de huur op 2 mei 2012 meegenomen – waartoe hij mogelijk de afrekening van WoonFriesland van 8 juni 2012 heeft gebruikt –, maar over een executeerbare titel daarvoor beschikt hij niet. De betreffende vermelding in de brief van 12 juni 2012 is daarom niet alleen apert onjuist, maar ook geheel misplaatst.

4.5. Zowel het nalaten van een adresverificatie als de hiervoor bedoelde onjuiste vermelding van het bedrag aan hoofdsom na titel levert een ernstig verwijt aan de gemachtigde van WoonFriesland op, waarbij de kantonrechter van oordeel is dat de aldus door de gemachtigde van WoonFriesland als gerechtsdeurwaarder gehanteerde handelwijze niet ten nadele van [eiser] mag worden uitgelegd.

4.6. De stelling van WoonFriesland die er op neerkomt dat [eiser] bekend zou zijn geweest met het bestaan van de huurachterstand omdat hij op 20 maart 2012 telefonisch contact met de gemachtigde van WoonFriesland heeft opgenomen met een betalingsvoorstel, is door [eiser] gemotiveerd betwist. Vervolgens heeft WoonFriesland de betreffende stelling niet nader onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Uit de door WoonFriesland overgelegde brief van haar gemachtigde van 21 maart 2012 blijkt de juistheid van die stelling in ieder geval niet.

4.7. De kantonrechter komt daarom, op grond van het een en ander, tot het oordeel dat het in het verweer van [eiser] vervatte beroep op artikel 6 EVRM – waartoe nog zij verwezen naar HR 25 februari 2000, NJ 2000,509 en HR 16 januari 2004, NJ 2005,191 – gehonoreerd dient te worden.

4.8. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat [eiser] het verzet tijdig heeft ingesteld.

De beoordeling van het verzet

5.1. Anders dan ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzet geldt, dat [eiser] wel verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn kennelijke onwetendheid betreffende het bestaan van de huurachterstand en de gevolgen daarvan, waaronder de ontruiming van de door hem van WoonFriesland gehuurde woning. Uit zijn stellingen kan immers worden afgeleid dat hij erkent de bepalingen van de huurovereenkomst en de daarvan deel uitmakende voorwaarden niet te zijn nagekomen, nu hij zelf heeft aangegeven dat hij de woning aan een derde in onderhuur heeft gegeven. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] met de betreffende bepaling onbekend was. [eiser] heeft slechts gesteld dat hij is gaan onderverhuren omdat hij in financiële zin niet aan zijn verplichtingen jegens WoonFriesland uit de huurovereenkomst kon voldoen.

Dat [eiser], zoals hij heeft gesteld, geen stukken betreffende het bestaan van de huurachterstand hebben bereikt heeft hij, gelet op het vorenstaande, eveneens aan zichzelf te wijten. Voorzover hij (de gemachtigde van) WoonFriesland op dit punt een verwijt heeft willen maken van het niet verifiëren van zijn woonadres, slaat [eiser] de plank mis. De gemachtigde van WoonFriesland mag in het incassostadium afgaan op de hem door zijn opdrachtgever, in casu WoonFriesland, verstrekte gegevens. Hij is slechts bevoegd tot het doen van een adresverifiatie indien hij als gerechtsdeurwaarder een ambtshandeling moet verrichten. Het verzenden van sommatiebrieven kan niet als een ambtshandeling worden beschouwd. Wel kunnen de kosten van het opstellen en verzenden van deze sommatiebrieven worden beschouwd als redelijkerwijs gemaakte kosten die voortvloeien uit pogingen tot incasso van de vordering buiten rechte. Daarmee stuit het verweer van [eiser] tegen de mede gevorderde buitengerechtelijke kosten af.

5.2. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de gevorderde huurachterstand – nu [eiser] de juistheid van het uit dien hoofde gevorderde bedrag onvoldoende gemotiveerd heeft betwist – alsook de mede gevorderde vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten bij meerbedoeld verstekvonnis op terechte gronden is toegewezen.

Ditzelfde geldt ten aanzien van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met de daarmee samenhangende vorderingen betreffende huurderving en schadevergoeding. Zowel de omvang van de huurachterstand als het in strijd met de bepalingen van de huurovereenkomst aan een derde onderverhuren van de woning levert een tekortkoming zijdens [eiser] op van dusdanige omvang, dat de toewijzing van deze vorderingen in het verstekvonnis op terechte gronden is uitgesproken.

5.3. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat het verstekvonnis van 13 maart 2012 in zijn geheel kan worden bekrachtigd.

De kosten

6. De kantonrechter ziet in al hetgeen hierboven is overwogen aanleiding om de kosten van het geding in verzet voor rekening van WoonFriesland te brengen. Weliswaar wordt het verstekvonnis van 13 maart 2012 bekrachtigd, maar gelet op hetgeen de gemachtigde van WoonFriesland als executerende deurwaarder [eiser] in zijn brief van 12 juni 2012 heeft meegedeeld, kan worden geoordeeld dat [eiser] op terechte gronden zijn verzet heeft ingesteld.

Bij het vaststellen van het aan [eiser] toekomende bedrag aan salaris gemachtigde wordt uitgegaan van 2 procespunten en van het bedrag dat in vorenbedoelde brief van 12 juni 2012 ter zake van "hoofdsom na titel incl. incassokosten" is vermeld, ofwel van € 250,- per procespunt.

Beslissing

De kantonrechter:

op het verzet

bekrachtigt het tussen partijen op 13 maart 2012 gewezen verstekvonnis in zijn geheel;

veroordeelt WoonFriesland in de kosten van het verzet, tot op deze uitspraak aan zijde van [eiser] begroot op € 76,17 aan verschotten en op € 500,- aan salaris gemachtigde;

bepaalt dat WoonFriesland van laatstgenoemde bedragen een bedrag ad € 76,17 zal voldoen aan de griffier.

Aldus gewezen door mr J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 37