Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX6728

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
374928 \ CV EXPL 11-9252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verlenen volmacht, gerechtvaardigd vertrouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 374928 \ CV EXPL 11-9252

vonnis van de kantonrechter d.d. 31 augustus 2012

inzake

[A],

en

[B],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. A.C. Zillinger Molenaar,

tegen

de coöperatieve vereniging

COÖPERATIEVE RABOBANK NOORDOOST FRIESLAND U.A.,

statutair gevestigd te Dokkum, kantoorhoudende te Damwoude,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [A c.s.] en Rabobank worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 april 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast

- de comparitie van partijen d.d. 12 juni 2012

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2. Op 26 mei 2006 is [C] door een ongeval overleden. [C] had geen testament. De wettelijke erfgenamen van [C] zijn [A c.s.], zijn ouders.

2.3. [C] woonde sinds maart 2004 samen met [D] (hierna te noemen: [D]). Zij hadden geen samenlevingscontract.

2.4. [C] had ten tijde van zijn overlijden op zijn eigen naam een betaalrekening (3461.72.640) bij Rabobank (hierna: de betaalrekening). Daarnaast had hij ten tijde van zijn overlijden bij Rabobank gezamenlijk met [D] een zogenaamde en/of betaalrekening (3622.30.048) en een doorlopend krediet (3363.49.102). De betaalrekening was gekoppeld aan de internetbankierovereenkomst van [D]. Omdat [C] en [D] naast deze gezamenlijke producten een gezamenlijke huishouding vormden was er bij Rabobank sprake van een zogeheten bancaire - administratieve - eenheid, hetgeen inhoudt dat ze in de systemen van Rabobank gekoppeld waren.

2.5. Artikel 13, lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden van de Rabobank bepaalt in geval van overlijden van een cliënt:

"2. Na het overlijden van de cliënt kan de bank verlangen dat degene(n) die stelt/stellen bevoegd te zijn (rechts)handelingen met betrekking tot de nalatenschap van de cliënt te verrichten ten bewijze daarvan een verklaring van erfrecht, afgegeven door een Nederlandse notaris, en/of andere door de bank acceptabel geoordeelde documenten aan de bank overlegt/overleggen."

2.6. Na het overlijden van [C] hebben [A c.s.] [D] mondeling gevolmachtigd over de betaalrekening te beschikken. [A c.s.] hebben haar toestemming verleend om de betaalrekening te gebruiken voor de financiële afwikkeling rondom de begrafenis en om vervolgens de betaalrekening op te heffen.

2.7. [D] heeft Rabobank kort na het overlijden meegedeeld dat [A c.s.] de erfgenamen zijn en dat zij door [A c.s.] gemachtigd was om over de betaalrekening te beschikken. Zij heeft Rabobank niet kenbaar gemaakt dat ze slechts gemachtigd was de betaalrekening te gebruiken voor de financiële afwikkeling rondom de begrafenis en het vervolgens opheffen van de betaalrekening.

2.8. Na het overlijden van [C] is de tenaamstelling van de betaalrekening meerdere keren gewijzigd. Onmiddellijk na het overlijden heeft Rabobank op 31 mei 2006 de tenaamstelling gewijzigd in "erven [C]". Op verzoek van [D] is in de periode juli 2007 tot en met begin maart 2008 de tenaamstelling gewijzigd in [C].

2.9. Nadat op 3 maart 2008 een bedrag van € 10.719,23, zijnde het restant van het saldo van de betaalrekening, is overgemaakt van de betaalrekening naar de rekening van [A c.s.] heeft [D] aan [A c.s.] meegedeeld dat de betaalrekening was opgeheven en heeft zij aan Rabobank meegedeeld dat zij van [A c.s.] het rekeningnummer van de betaalrekening mocht blijven aanhouden. Op verzoek van [D] is de tenaamstelling van de betaalrekening in maart 2008 vervolgens gewijzigd in " [D]".

2.10. In juli 2008 is op verzoek van [D] de tenaamstelling gewijzigd in "Erven [C]". [D] gaf hiervoor als reden dat het rekeningnummer en de tenaamstelling anders niet meer corresponderen met de opgave bij de fiscus.

2.11. Tijdens een bezoek bij Rabobank in de eerste week van november 2009 van [A c.s.] is [A c.s.] gebleken dat de betaalrekening niet was opgeheven. Tijdens dit bezoek hebben [A c.s.] aangegeven dat zij [D] na het overlijden van [C] een beperkte volmacht hebben gegeven. Bij een op 6 november 2009 verzonden e-mail heeft een medewerker van Rabobank een andere medewerker het volgende meegedeeld:

"[E],

Ik heb afgelopen week bezoek gehad van [B] ivm ervendossier van zoon [C]. Zij vroeg of er nog een rekening bij de Rabobank liep op zijn naam. Dit klopt, betreft reknr. 3461.72.640. Ze had verklaring van erfrecht bij haar waar op staat dat zij gemachtigd is om de nalatenschap te beheren. Daarnaast had ze de vraag of ze alle overzicht van alle bankmutaties kon krijgen vanaf het moment van overlijden tm vandaag. De afschriften zijn nl altijd naar vriendin in [woonplaats] gegaan. Dit contact is niet goed meer, zij wil de afschriften niet overleggen. Mw gaf ook aan dat vriendin indertijd een volmacht had gekregen over de rekening van hun om betalingen mbt overlijden uit te voeren, maar zij is geen erfgename en mag de rekening niet opheffen."

2.12. De betaalrekening is vervolgens in december 2009 door Rabobank bevroren.

2.13. [A c.s.] hebben over de handelwijze van Rabobank op 5 augustus 2010 een klacht bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) ingediend. De klacht is op 31 januari 2011 door het Kifid ongegrond bevonden.

Het standpunt van [A c.s.]

3.1. [A c.s.] vorderen dat Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van € 11.383,80 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2009 alsmede de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten ter verkrijging van het adres van gedaagde.

3.2.1. [A c.s.] voeren hiertoe aan dat zij [D] na het overlijden van hun zoon [C] mondeling toestemming hebben verleend om de betaalrekening te gebruiken voor de financiële afwikkeling rondom de begrafenis, met de uitdrukkelijke voorwaarde dat de volmacht alleen deze handelingen betrof en dat na afwikkeling de rekening zou moeten worden opgeheven. Na overschrijving op 3 maart 2008 van een bedrag van € 10.719,23 van de betaalrekening naar een rekening van [A c.s.] meenden [A c.s.] dat de betaalrekening was opgeheven.

3.2.2. [A c.s.] hebben Rabobank na het overlijden van [C] niet geïnformeerd over de mondelinge volmacht. [A c.s.] hebben Rabobank eerst in november 2009 geïnformeerd over de inhoud van de volmacht, nadat zij in november, tijdens een bezoek aan Rabobank, waren geïnformeerd over het feit dat de betaalrekening niet was opgeheven. Vervolgens hebben [A c.s.] geconstateerd dat [D] ongeautoriseerd misbruik heeft gemaakt van de betaalrekening door in de periode van 27 november 2006 tot en met 2 november 2009 in totaal een bedrag van € 11.383,80 naar haar eigen rekening overgemaakt te hebben.

3.2.3. Rabobank is aansprakelijk voor de door [A c.s.] geleden schade van € 11.383,80 omdat Rabobank de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden doordat zij:

(I) tussen 27 november 2006 en 2 november 2009 overboekingsopdrachten van [D] ten laste van de betaalrekening heeft uitgevoerd, terwijl zij daartoe niet gemachtigd was;

(II) de tenaamstelling van het rekeningnummer een aantal keren op verzoek van [D] heeft gewijzigd, terwijl [D] daartoe niet was gemachtigd;

(III) zich er niet genoegzaam van heeft overtuigd of [D] wel geautoriseerd was tot die opdrachten;

(IV) onzorgvuldig heeft gehandeld door de afschriften niet naar [A c.s.] te sturen.

3.3. [A c.s.] betwisten dat Rabobank gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de schijn dat [D] middels een volledige volmacht was gemachtigd door [A c.s.] over de betaalrekening te mogen beschikken. Rabobank heeft in deze verzuimd de betaalrekening onmiddellijk na het overlijden van [C] te blokkeren totdat duidelijk was wie gerechtigd was over de rekening te beschikken, heeft niet om een schriftelijke volmacht verzocht en heeft geen enkele controle op inhoud en omvang van de mondelinge volmacht toegepast en is enkel afgegaan op een mondelinge verklaring van [D]. [A c.s.] betwisten dat zij onmiddellijk na het overlijden met een medewerkster van Rabobank hebben gesproken over de door hen gegeven mondelinge volmacht.

Het standpunt van Rabobank

4.1. Rabobank betwist dat zij aansprakelijk is voor de door [A c.s.] geleden schade en concludeert dat de vordering van [A c.s.] dient te worden afgewezen. Zij stelt hiertoe dat zij gerechtvaardigd heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen dat [D] gevolmachtigd was over de betaalrekening te mogen beschikken. Kort na het overlijden van [C] heeft [D] meegedeeld dat zij door [A c.s.], de erfgenamen van [C], (mondeling) gevolmachtigd was om het beheer over de rekening te voeren en dat zij alles in overleg met [A c.s.] deed. [D] heeft Rabobank verzocht om zonder te veel formaliteiten en rompslomp één en ander te kunnen afwikkelen. In een telefonisch onderhoud tussen een medewerker van Rabobank en de erfgenaam [A] is deze volmacht genoemd. Na het overlijden van [C] hebben er vervolgens diverse transacties plaatsgevonden, zoals het betalen van begrafeniskosten en notariskosten en zijn verzekeringsgelden bijgeschreven.

Rabobank stelt hiertoe vervolgens dat [D] sinds 2004 met [C] samenwoonde, dat zij bij Rabobank een bancaire eenheid vormden en [D] bij leven de bankzaken regelde, [C] haar had toegestaan via internetbankieren transacties te verrichten en er van de onderhavige rekening gezamenlijke lasten werden afgeschreven en/of verrekend.

Omdat de betaalrekening ten tijde van het overlijden een gering saldo vertoonde en er bovendien een schuld was (doorlopend krediet), Rabobank de personen in kwestie en de situatie/verhoudingen goed kende en het ongeval waarbij [C] om het leven kwam een grote emotionele impact had op de kleine dorpsgemeenschap, heeft Rabobank waar mogelijk aan het verzoek van [D], om zonder te veel formaliteiten en rompslomp één en ander af te kunnen wikkelen, voldaan.

4.2. Omdat [D] aan Rabobank had meegedeeld dat [A c.s.] de erfgenamen zijn en zij een volmacht had en er bovendien sprake was van een gering saldo op de onderhavige betaalrekening en een schuld op het doorlopend krediet werd een verklaring van erfrecht niet nodig geacht. Een verklaring van erfrecht kan op grond van artikel 13 van de Algemene Bankvoorwaarden worden verlangd, dit is echter niet verplicht gesteld. Omdat Rabobank de betrokkenen en de verhoudingen kende is ook geen schriftelijke volmacht verlangd.

4.3. Rabobank stelt dat [D] vóór het overlijden een volmacht had om beschikkingshandelingen over de rekening uit te voeren. Rabobank erkent dat normaliter en conform procedure een volmacht direct bij overlijden vervalt en een eventuele koppeling van de rekening met de internetbankierovereenkomst van de gevolmachtigde direct zou worden verwijderd. Omdat [D] van [A c.s.] een volmacht had heeft Rabobank de koppeling met de internetbankierovereenkomst van [D] laten bestaan en de rekening na het overlijden niet geblokkeerd.

4.4. Omdat [D] gemachtigd was en aangegeven had alles in overleg met [A c.s.] te doen is Rabobank de rekeningafschriften naar het adres van [D] (tot aan het overlijden van [C] het gezamenlijke adres van [C] en [D]) blijven sturen.

4.5. Rabobank stelt vervolgens dat de bevoegdheid om over te gaan tot een wijziging van de tenaamstelling besloten lag in de door [A c.s.] aan [D] gegeven volmacht.

4.6. Rabobank bevestigt dat op 3 maart 2008 het resterende saldo ad € 10.719,23 is overgeboekt naar [A c.s.] en is zij er toen van uitgegaan dat de ervenrekening daarmee was afgewikkeld. [D] heeft Rabobank meegedeeld dat zij van [A c.s.] het rekeningnummer mocht blijven aanhouden. Rabobank heeft hier haar medewerking aan verleend. Rabobank stelt vervolgens dat vanaf maart 2008 [D] de gerechtigde is tot de betaalrekening.

4.7. Rabobank voert aan dat als er geld op de onderhavige rekening wordt overgemaakt dat toekomt aan [A c.s.] het op de weg ligt van [D] om dit geld aan [A c.s.] te doen toekomen. Rabobank stelt vervolgens dat [A c.s.] [D] moeten aanspreken voor gelden waarvan zij stellen dat die [A c.s.] toekomen.

4.8. Rabobank stelt bovendien dat het op de weg van [A c.s.] had gelegen om, na ontvangst van het resterende saldo in maart 2008, na te gaan of [D] alles goed had afgehandeld en of zij de rekening opgeheven had.

4.9. Rabobank voert aan dat het op de weg van [A c.s.] lag om Rabobank van de exacte inhoud van de volmacht op de hoogte te stellen en verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad (HR 19 februari 2010, NJ 2010/115). [A c.s.] hebben Rabobank niet op de hoogte gebracht van het feit dat zij [D] beperkt hebben gevolmachtigd tot een aantal handelingen/transacties.

4.10. Rabobank betwist dat alle gelden die op het rekeningnummer zijn bijgeschreven ook volledig aan de erfgenamen toekomen.

De beoordeling van het geschil

5.1. Het gaat in deze procedure om de vraag of Rabobank onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat aan [D] door [A c.s.] een toereikende volmacht was verleend om na het overlijden van [C] te mogen beschikken over de betaalrekening en dat daardoor door [A c.s.] op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan, zoals bepaald in artikel 3:61 lid 2 BW. De kantonrechter merkt hierbij op dat op grond van het eerste lid van artikel 3:61 BW een volmacht uitdrukkelijk of stilzwijgend kan worden verleend.

5.2.1. De kantonrechter constateert dat Rabobank onbetwist heeft gesteld dat [D] kort na het overlijden van [C] op 26 mei 2006 aan haar heeft meegedeeld dat [A c.s.] de erfgenamen van [C] zijn en dat [D] door [A c.s.] gevolmachtigd was over de betaalrekening te beschikken en dat zij daarbij Rabobank niet op de hoogte heeft gesteld van de voorwaarden waaronder zij door [A c.s.] gevolmachtigd was.

5.2.2. Vervolgens heeft [D] in de periode na het overlijden van [C] onder andere betalingen verricht die tot de afwikkeling van de nalatenschap behoren, zoals het betalen van de nota's aan de uitvaartvereniging en notaris en zijn er verzekeringsuitkeringen in verband met het overlijden van [C] op de betaalrekening bijgeschreven. Op 3 maart 2008 is het op dat moment aanwezige saldo overgemaakt aan de erfgenamen [A c.s.] en is de betaalrekening op naam van [D] gesteld. De kantonrechter concludeert dat Rabobank uit deze omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat er sprake moet zijn geweest van een door [A c.s.] aan [D] verstrekte onbeperkte volmacht - tot en met de afwikkeling van de betaalrekening - omdat eerdergenoemde betalingen en op de betaalrekening gestorte uitkeringen niet zonder medewerking van de erfgenamen hebben kunnen plaatsvinden (zie ook HR 19 februari 2010, NJ 2010/115 en HR 3 februari 2012, LJN BU4909). De kantonrechter concludeert hieruit vervolgens dat [A c.s.] op de hoogte moeten zijn geweest van het bestaan van de betaalrekening en kennelijk in de handelwijze van [D] hebben bewilligd. Binnen de aan [A c.s.] toe te rekenen schijn van volmacht valt dan eveneens de bevoegdheid van [D] om de tenaamstelling van de rekening te wijzigen van "erven [C]" naar "[C]".

5.2.3. De stelling van Rabobank, dat de volmacht kort na het overlijden in een telefoongesprek tussen de erfgenaam [A] en een medewerker van Rabobank is genoemd, is uitdrukkelijk betwist door [A c.s.] Wat hier ook van zij, de kantonrechter oordeelt dat Rabobank reeds op grond van de onder 5.2.2. genoemde omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat er sprake was van een toereikende volmacht. De kantonrechter merkt hierbij op dat het op de weg van de erfgenamen [A c.s.], als beheerders van de nalatenschap van [C], had gelegen om aan te geven dat de onderhavige volmacht beperkt was en dat de bij Rabobank opgewekte schijn, dat het hier geen beperkte volmacht betrof, voor risico van [A c.s.] dient te komen, nu zij de situatie dat [D] kon beschikken over de betaalrekening hebben laten voortduren en pas in de eerste week van november 2009, bijna twintig maanden na de overboeking van het restant saldo op 3 maart 2008, bij Rabobank hebben geïnformeerd naar de status van de betaalrekening en pas op dat moment mededeling hebben gedaan over de omvang van de door hen aan [D] verleende volmacht.

5.2.4. De kantonrechter oordeelt voorts dat Rabobank op grond van het onder 2.5. geciteerde artikel 13 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden van de Rabobank niet verplicht was een volmacht te laten overleggen en dat in deze dan ook niet onzorgvuldig is gehandeld door Rabobank door zulks niet te doen, te meer nu [D] stelde bevoegd te zijn, zij sinds maart 2004 tot aan zijn overlijden met [C] heeft samengewoond, zij en [C] voor Rabobank een bancaire eenheid vormden en zij bekend waren bij Rabobank.

5.2.5. De kantonrechter oordeelt tenslotte dat na overboeking op 3 maart 2008 van de betaalrekening naar een rekening van [A c.s.] van het restant saldo ad € 10.719,23 Rabobank de betaalrekening redelijkerwijs als afgewikkeld heeft kunnen beschouwen en het Rabobank derhalve toen vrij stond om het rekeningnummer 3461.72.640 toe te wijzen aan [D] en op haar naam te zetten.

5.3. De kantonrechter concludeert derhalve dat Rabobank onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat aan [D] door [A c.s.] een toereikende volmacht was verleend om geheel over de betaalrekening te mogen beschikken en dat Rabobank aldus de op haar rustende zorgplicht niet heeft geschonden. De vordering van € 11.383,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2009, zal daarom worden afgewezen.

5.4. [A c.s.] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten worden aan de zijde van Rabobank vastgesteld op nihil. Rabobank heeft immers geen bijstand gehad van een professionele rechtshulpverlener, terwijl niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Beslissing

De kantonrechter:

6.1. wijst af het gevorderde;

6.2. veroordeelt [A c.s.] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Rabobank vastgesteld op nihil;

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 318