Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX6027

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
AWB 09/76, 11/594, 11/595, 11/596, 11/597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

buitenlandse bankrekening - voortvarendheid navorderingsaanslagen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2084
FutD 2012-2206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummers: AWB 09/76, 11/594, 11/595, 11/596, 11/597.

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde eiseres],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiseres de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en beschikkingen gegeven.

jaar (navorderings)aanslag beschikking procedurenummer

2001 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/597

2002 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 09/76

2003 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/596

2004 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/595

2005 aanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/594

1.2 Verweerder heeft bij - in één geschrift vervatte - uitspraken op bezwaar van 27 november 2008 de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en beschikking heffingsrente en boete gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 6 januari 2009, beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft bij - in één geschrift vervatte - op 28 januari 2011 gedateerde kennisgevingen van de uitspraken op bezwaar de onder punt 1.1 bedoelde (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001, 2003, 2004 en 2005 en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd en de onder punt 1.1 bedoelde boetes gematigd. Bij beschikkingen van 28 februari 2011 heeft verweerder eiseres' bezwaren tegen de onder punt 1.1 bedoelde (navorderings)aanslagen niet-ontvankelijk verklaard en de boetes (ambtshalve) gematigd.

1.4 Eiseres heeft daartegen bij brief van 3 maart 2011, ingekomen bij de rechtbank op 4 maart 2011, beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank naderhand gesplitst in vier zaken en geregistreerd zoals onder punt 1.1 is weergegeven.

1.5 Verweerder heeft verweerschriften ingediend en de - zijns inziens - op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Daarbij heeft verweerder ten aanzien van de volgende stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versie van die stukken. Het betreffen de volgende stukken, waarbij de rechtbank de door verweerder gehanteerde opsomming overneemt:

A. De Belgische aanbiedingsbrief

B. De bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende nota

C. De bij de nota behorende bijlagen B.1, B.2, B.6 en B.9 (de rekeningstandenlijsten en

de adressenlijsten) en het renseignement van eiseres

D. De overige bij de Nota behorende bijlagen

E. Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten

F. Chi-kwadraattoets

G. Berekeningsmethodiek redelijke schatting

H. Memo verhouding meewerkers/weigeraars/ontkenners

I. Draaiboek

J. Memo identificatieproces

K. Toelichting kennisgeving navordering

L. Brief 13-11-2007 toestemming gebruik gegevens voor belastingheffing

1.6 Verweerder heeft bij afzonderlijke brief van 2 oktober 2009 een motivering gegeven van zijn mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versie van de zojuist opgesomde stukken. Van het onder K bedoelde stuk heeft verweerder alsnog een integrale versie als - een ook voor eiseres bestemd - gedingstuk overgelegd. Ten aanzien van de onder F bedoelde stukken heeft verweerder alsnog het proces-verbaal van ambtshandeling overgelegd. In het voor eiseres bestemde exemplaar heeft verweerder de namen van individuele belastingambtenaren geanonimiseerd; uitsluitend de rechtbank mag kennis nemen van de ongeanonimiseerde versie. Naar aanleiding van tussenuitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage en de rechtbank Haarlem heeft verweerder in aanvulling op zijn zojuist bedoelde brief een aantal gewijzigde bijlagen overgelegd en heeft ter zake in een begeleidende brief van 6 januari 2011 een motivering gegeven. Ten aanzien van de onder A, C, D, en L bedoelde stukken heeft verweerder een aantal weggelaten gegevens alsnog vrijgegeven en ten aanzien van de onder C en F bedoelde stukken heeft verweerder aanvullende stukken overgelegd. Voor wat betreft het onder E bedoelde stuk, heeft verweerder aangegeven dat dit bij nader inzien geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, zodat artikel 8:29 van de Awb hiervoor niet geldt. Dit stuk dient slechts - in geanonimiseerde vorm - als bewijs ter onderbouwing van het verweer. De ongeanonimiseerde versie dient volgens verweerder uit de procesdossiers te worden verwijderd. Ten aanzien van de onder H bedoelde stukken heeft verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat dit geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Deze stukken wenst verweerder in het geheel niet over te leggen; deze dienen uit de procesdossiers te worden verwijderd. In de plaats van deze stukken heeft verweerder bij brief van 18 februari 2011 een nieuwe bijlage overgelegd, die integraal ter kennis van eiseres mag worden gebracht. Verweerder heeft in zijn brieven aangegeven dat hij thans alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

1.7 De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de onder punt 1.4 bedoelde brieven van verweerder. Eiseres heeft van deze gelegenheid bij brief van 26 oktober 2009 gebruik gemaakt. Hierbij heeft eiseres de rechtbank verzocht om verweerder te bevelen om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen en de zaak te verwijzen naar een geheimhoudingskamer voor een mondelinge behandeling, teneinde eiseres de gelegenheid te geven haar verzoek nader toe te lichten en zonodig te onderbouwen.

1.8 Ten behoeve van het nemen van deze tussenbeslissing heeft de rechtbank (geheimhoudingskamer) kennisgenomen van de stukken in het procesdossier die aan beide partijen bekend waren. Daarnaast heeft de rechtbank (geheimhoudingskamer) kennisgenomen van de door verweerder overgelegde ongeschoonde stukken als hiervóór genoemd.

1.9 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft in het kader van het vooronderzoek in de zaak 09/76 een inlichtingencomparitie gelast. De comparitiezitting heeft, na afstemming daartoe met partijen, plaatsgevonden op 15 februari 2011 te Leeuwarden. Namens eiseres is daar, zonder bericht aan de rechtbank, niemand verschenen. Namens verweerder zijn daar verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.10 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft op 24 maart 2011 in de zaak 09/76 een beslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb (hierna: de beslissing). De beslissing is op dezelfde dag samen met het onder 1.9 vermelde proces-verbaal, per aangetekend schrijven, aan partijen toegezonden.

1.11 Eiseres heeft bij brief van 31 maart 2011 op de beslissing gereageerd en geen toestemming verleend aan de rechtbank om uitspraak te doen mede op grondslag van de stukken waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, zoals beslist in de onder 1.10 vermelde beslissing.

1.12 Eiseres heeft bij brief van 18 mei 2011 nadere gronden van het beroep ingediend.

1.13 Verweerder heeft daarop bij brief van 17 juni 2011 gereageerd.

1.14 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011 te Leeuwarden. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is daar tevens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.15 Verweerder heeft bij brief van 23 september 2011 drie ambtsedige verklaringen toegestuurd.

1.16 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft op 27 september 2011 in de zaken met de nummers 11/594 tot en met 11/597 een beslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb. De beslissing is op dezelfde dag samen, per aangetekend schrijven, aan partijen toegezonden.

1.17 Bij brief van 3 oktober 2011 heeft eiseres er mee ingestemd om het verhandelde ter zitting op 7 juli 2011 in de zaak 09/76 ook te laten gelden voor de zaken met de nummers 11/594 tot en met 11/597.

1.18 Eiseres heeft bij brief van 20 oktober 2011 gereageerd op de onder 1.15 vermelde verklaringen.

1.19 Partijen hebben voorts nadere stukken ingediend

1.20 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer voor alle onderhavige zaken is hervat op 21 maart 2012. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Ter zitting zijn [A] en [B] als getuigen van eiseres gehoord. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht en deel uitmaakt van de gedingstukken. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

1.21 Van de hiervoor vermelde stukken die door partijen zijn ingediend is over en weer steeds een kopie naar de andere partij verzonden.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiseres is geboren op [datum] 1941 en gehuwd met [echtgenoot].

2.2 In februari 2005 hebben de bevoegde Belgische belastingautoriteiten in het kader van de spontane uitwisseling van informatie op grond van de Richtlijn 77/799/ EEG van

19 december 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (kortweg: de Bijstandsrichtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD/ECD team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1, B2, enzovoorts. B1, B2 en B6 zijn zogenoemde rekeningbestandenlijsten. B9 betreft een adressenlijst.

2.3 In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De gegevens zijn door het Belgische Parket in beslaggenomen bij een huiszoeking bij een verdachte.

2.4 In maart 2007 is binnen de Belastingdienst het project “Bank Zonder Naam” (hierna

het Project) gestart. Doel van het Project was het op projectmatige wijze behandelen van de in 2005 van de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, ten einde de niet aangegeven inkomen- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

2.5 Ten behoeve van het Project is een draaiboek opgesteld.

2.6 Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam van eiseres en haar echtgenote slechts éénmaal in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (BVR) voorkomt.

2.7 In het BVR-systeem zijn alle namen van natuurlijke personen en rechtspersonen die in Nederland wonen of zijn gevestigd opgenomen. Via dit systeem zijn ook historische gegevens te raadplegen. Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed vanuit de gemeentelijke basisadministratie. Indien en voor zover uit de vergelijking met het systeem BVR slechts 1 persoon met de ingevoerde combinatie van voorletters, achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon door verweerder als rekeninghouder aangemerkt.

2.8 Uit renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 volgt dat bij Van Lanschot een rekening werd gehouden op naam van [naamcombinatie eiseres en echtgenoot], met rekeningnummer [nummer]. Het saldo op deze rekening bedroeg op 21 december 1994 in totaal f 46.293,43.Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 1.541,16, f 3.612,27 en f 41.140,00.

Het saldo op deze rekening bedroeg op 5 september 1996 in totaal f 346.183.74. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 8,71 aan current accounts, f 302.100,00 aan bonds, en f 44.075,00 aan investment funds. Het saldo op deze rekening bedroeg op 28 november 1996 in totaal f 358.775,91. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 980,83 aan current accounts, f 313.500,00 aan bonds en f 44.295,08 aan investment funds.

2.9 Verweerder heeft aan eiseres' echtgenoot met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) en een formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: het formulier) gevoegd.

2.10 Eiseres' echtgenoot heeft de verklaring en het formulier ondertekend op 9 maart 2007 en aan verweerder geretourneerd. Op de verklaring heeft hij onder de ná 31 december 1994 aangehouden buitenlandse bankrekeningen ingevuld: "Geen buitenlandse bankrekeningen". Op het formulier heeft hij geschreven: "Er zijn geen bankrekeningen in het buitenland en ook nooit gehad.".

2.11 Verweerder heeft eiseres op 19 november 2007 een brief gestuurd, waarin is vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat eiseres of haar echtgenoot een of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat eiseres niet heeft voldaan aan de informatieverplichting ex artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat verweerder genoodzaakt is voor het opleggen van navorderingsaanslagen IB en/of VB uit te gaan van geschatte bedragen. Verweerder heeft eiseres tevens op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een navorderingsaanslag IB/PVV 2002 op te leggen, alsmede een vergrijpboete.

2.12 Met dagtekening 20 december 2007 heeft verweerder aan eiseres de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en de vergrijpboete opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2002 is berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.738, vermeerderd met een bedrag van € 404 aan heffingsrente. De vergrijpboete bedraagt € 2.021.

2.13 Bij brief van 25 januari 2008 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en de vergrijpboete.

2.14 Bij uitspraak op bezwaar van 27 november 2008 zijn de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en de boetebeschikking gehandhaafd.

2.15 Verweerder heeft eiseres op 20 oktober 2008 een brief gestuurd, waarin is vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat eiseres of haar echtgenoot een of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat eiseres niet heeft voldaan aan de informatieverplichting ex artikel 47 van de AWR en dat verweerder genoodzaakt is voor het opleggen van navorderingsaanslagen IB en/of VB uit te gaan van geschatte bedragen. Verweerder heeft eiseres tevens op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003 en 2004, alsmede vergrijpboetes op te leggen.

2.16 Met dagtekening 25 november 2008 heeft verweerder aan eiseres de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003 en 2004, alsmede de vergrijpboetes opgelegd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2001 is berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.622, vermeerderd met een bedrag van € 558 aan heffingsrente. De vergrijpboete 2001 bedraagt € 1.986. De navorderingsaanslag IB/PVV 2003 is berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.752, vermeerderd met een bedrag van € 347 aan heffingsrente. De vergrijpboete 2003 bedraagt € 2.325. De navorderingsaanslag IB/PVV 2004 is berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.328, vermeerderd met een bedrag van € 319 aan heffingsrente. De vergrijpboete 2004 bedraagt € 2.498.

2.18 Bij brief van 8 december 2008 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003 en 2004, alsmede tegen de vergrijpboete.

2.19 Bij brief van 10 november 2008 heeft verweerder eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2005 af te wijken van eiseres' aangifte en tevens om een vergrijpboete op te leggen.

2.20 Met dagtekening 31 december 2008 heeft verweerder aan eiseres de (definitieve) aanslag IB/PVV 2005, alsmede een vergrijpboete opgelegd. De aanslag IB/PVV 2005 is berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.035, vermeerderd met een bedrag van € 294 aan heffingsrente. De vergrijpboete bedraagt € 2.083.

2.21 Bij brief van 21 januari 2009 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2005 alsmede tegen de vergrijpboete.

2.22 Verweerder heeft bij - in één geschrift vervatte - op 28 januari 2011 gedateerde kennisgevingen van de uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003 en 2004 en de aanslag IB/PVV 2005 gehandhaafd en de vergrijpboetes gematigd met 20%.

Bij beschikkingen van 28 februari 2011 heeft verweerder eiseres' bezwaren tegen de onder punt 1.1 bedoelde (navorderings)aanslagen niet-ontvankelijk verklaard en de boetes (ambtshalve) gematigd. De boete voor 2001 is verminderd tot een bedrag van € 1.588.

De boete voor 2003 is verminderd tot een bedrag van € 1.860. De boete voor 2004 is verminderd tot een bedrag van € 1.998. De boete voor 2005 is verminderd tot een bedrag van € 1.666.

2.23 Verweerder heeft eiseres bij afzonderlijke brieven van 28 januari 2011 een kostenvergoeding toegekend in verband met voormelde bezwaren van in totaal € 120,75 (€ 30,19 per onderhavig jaar).

Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen, alsmede de vergrijpboetes terecht en naar het juiste bedrag aan eiseres zijn opgelegd, en of de aanslag tot het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003 en 2004 en de aanslag IB/PVV 2005 is tevens in geschil of eiseres ontvankelijk is in haar bezwaar.

3.2 Meer in het bijzonder zijn de volgende vragen in geschil:

3.2.1 Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

3.2.2 Zijn de gegevens op rechtmatige wijze verkregen, op een zodanig wijze zoals een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht?

3.2.3 Is eiseres en/of haar echtgenoot op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïdentificeerd?

3.2.4 Is de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd met het gemeenschapsrecht?

3.2.5 Heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

3.2.6 Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zo ja, is er sprake van een redelijke schatting?

3.2.7 Is de boete terecht opgelegd en tot het juiste bedrag vastgesteld? Is er reden tot matiging van de boete?

3.3 Ter zitting heeft eiseres haar grieven met betrekking tot de heffingsrente laten varen.

3.4 Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften in de zaken 11/594 tot en met 11/597

4.1 De rechtbank overweegt dat partijen eenparig verklaren dat de bezwaarschriften tegen de desbetreffende belastingaanslagen en boetebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij hebben aangegeven een inhoudelijk oordeel van de rechtbank op prijs te stellen. De rechtbank ziet geen grond anders te oordelen.

4.2 Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank zal de desbetreffende beroepen gegrond verklaren en de bezwaarschriften tegen de desbetreffende belastingaanslagen en boetebeschikkingen ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot de op de zaak betrekking hebbende stukken

4.3 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet naar behoren heeft voldaan aan de in artikel 8:42 van de Awb vervatte verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Verweerder betwist dat er andere stukken zijn dan die al zijn overgelegd aan de rechtbank, al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb.

4.4 De rechtbank verwijst voor dit punt naar de uitspraak van de geheimhoudingskamer (zie 1.8) waarin is beslist over de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede voor welke van deze stukken met een beroep op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beperkte kennisneming gerechtvaardigd is geacht. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat er geen andere op de zaak betrekking hebbende stukken aanwezig zijn.

4.5 Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij in de gelegenheid moet zijn om te controleren of verweerders stelling dat 74% van de belastingplichtigen die zijn geïdentificeerd en navorderingsaanslagen hebben ontvangen, 'meewerkt', en dat de van hen afkomstige informatie overeenkomt met de gegevens op de rekeningstandenlijsten, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerders stelling dat het verzamelen van de cijfermatige gegevens van al deze personen fysiek vrijwel onmogelijk is, aangezien die gegevens vervat zijn in dossiers van over het gehele land verspreide inspecteurs, wordt onderschreven. De rechtbank onderschrijft eveneens verweerders stelling dat het selecteren van de gegevens van de betreffende groep belastingplichtigen uit de totale gegevens op de rekeningstandenlijsten alsmede het anonimiseren daarvan, een aanzienlijk tijdsbeslag vergt. Verstrekking van de ongeanonimiseerde afdrukken leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de daarop vermelde rekeninghouders en vormt om die reden geen bruikbaar alternatief. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat tussen enerzijds het belang van eiseres bij kennisneming van de door de meewerkende belastingplichtigen verstrekte gegevens en de met betrekking tot deze personen op de rekeningstandenlijsten vermelde informatie en anderzijds de daaraan verbonden (praktische) bezwaren een zodanige wanverhouding bestaat dat eiseres in redelijkheid geen aanspraak op kennisneming van deze gegevens kunnen maken.

Met betrekking tot de rechtmatigheid van het verkregen bewijs

4.6 Eiseres stelt dat het bewijs uit België onrechtmatig is verkregen. Vaststaat dat het bewijs afkomstig is van de Belgische overheid. In zoverre is de situatie vergelijkbaar met die waarbij de Belgische overheid gegevens verstrekte die betrekking hadden op rekeningen aangehouden bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB-Lux).

4.7 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN BA 8179, overwogen dat daarbij geen sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit ook voor het onderhavige geval geldt, nu er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van Van Lanschot en ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld.

4.8 Voor zover eiseres met haar beroep op de Richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (hierna: Bijstandsrichtlijn) heeft bedoeld te stellen dat de informatie van Van Lanschot is verkregen met schending door de Nederlandse Staat en de Belgische Staat van de soevereiniteit van de Staat Luxemburg, faalt die stelling eveneens. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Bijstandsrichtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten en dat belastingplichtigen, zoals eiseres, daaraan geen rechten kunnen ontlenen. In onderhavige zaken is verder geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland, maar van het overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De Bijstandsrichtlijn mist derhalve toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137). De rechtbank zal dan ook geen prejudiciële vragen stellen, zoals eiseres verzoekt.

Met betrekking tot de vaststelling van de identiteit van de rekeninghouder

4.9 Vaststaat dat bij Van Lanschot (de bank) een rekening werd gehouden op naam van [naamcombinatie eiseres en echtgenoot] met rekeningnummer [nummer] (zie 2.8). Tijdens het proces van identificatie bleek dat deze combinatie van persoonsnamen slechts éénmaal in het geautomatiseerde systeem van de belastingdienst BVR (Beheer van Relaties) voorkomt: er is sprake van een unieke naam-naam combinatie. BVR bevat de volgende identificerende gegevens: [echtgenoot], geboren op [datum] 1942 die gehuwd is met [eiseres], geboren op [datum] 1941. Beiden zijn sinds jaren woonachtig aan [adres].

4.10 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze unieke naam-naam combinatie met de daarbij behorende persoonsgegevens aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres en haar echtgenoot moeten worden aangemerkt als degenen op wie het voornoemde renseignement betrekking heeft. Anders dan eiseres stelt, acht de rechtbank de door de verweerder gehanteerde identificatiemethode betrouwbaar. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit het identificatieproces slechts één “hit” naar voren kwam. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van de eiseres achternaam tezamen met de achternaam van haar echtgenoot zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding in het renseignement op iemand anders kan slaan.

4.11 De rechtbank passeert de stelling van eiseres dat Van Lanschot zou hebben verklaard dat de lijsten met renseignementen niet uit de boekhouding afkomstig zouden zijn, nu zij haar stelling niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

4.12 De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op correcte en juiste wijze als rekeninghouder is geïdentificeerd.

Met betrekking tot de onverlengde navorderingstermijn

4.13 Voor de jaren 2002, 2003 en 2004, waarvoor verweerder onder toepassing van de in artikel 16, lid 3, van de AWR vermelde termijn navorderingsaanslagen heeft opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiseres, dat ook voor deze jaren getoetst moet worden aan het communautaire evenredigheidsbeginsel, geen steun vindt in het recht.

Met betrekking tot de verlengde navorderingstermijn

4.14 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruiken van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR en gesteld dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 niet met de vereiste voortvarendheid is opgelegd.

4.15 De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie voor de Europese gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, de volgende regels geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR wegens buiten het zicht van de fiscus gehouden tegoeden in andere landen van de Europese Unie:

2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.

2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.16 Tussen het moment dat de informatie via België bij de FIOD/ECD binnenkwam en het moment dat voor het eerst contact met eiseres' echtgenoot werd opgenomen door hem op 7 maart 2007 een vragenbrief te sturen, is ongeveer twee jaar verstreken. Verweerder heeft aangegeven dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden. Voor de identificatie is gebruik gemaakt van EDP-auditing en zijn 80 bestanden aangemaakt. Na voltooiing van de centraal uitgevoerde sofiëring van de geïdentificeerde rekeninghouders hebben de regiokantoren opdracht gekregen handmatig de identiteitsgegevens te controleren en tevens de desbetreffende aangiftes door te nemen. Nadat bij die handmatige controle twijfels waren ontstaan over de identificatie, zijn alle namen centraal opnieuw gecontroleerd. De voor 27 november 2006 geplande verzending van vragenbrieven aan de geïdentificeerde rekeninghouders is om die reden opgeschort. Verder werd de projectleiding eind november 2006 bekend met de omstandigheid dat de betrokken bank afgeperst zou zijn/worden. Dit is aanleiding geweest voor een extra identificatiecheck op regioniveau alsmede voor een centrale controle op de betrouwbaarheid van renseignementen door middel van een chi-kwadraattoets. Na een vertraging van ruim drie maanden zijn de (eerste) vragenbrieven vervolgens op 7 maart 2007 verzonden.

4.17 De rechtbank is van oordeel dat met een dergelijk proces, wil het zorgvuldig geschieden, naar zijn aard het nodige tijdsbeslag is gemoeid, zeker in een situatie als deze waarin alleen achternamen en soms voornamen of voorletters van personen bekend zijn maar geen adres- of woonplaatsgegevens. De keuze voor een projectmatige aanpak acht de rechtbank ook vanwege de eenheid van beleid en uitvoering begrijpelijk. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid acht de rechtbank de met het identificatieproces gemoeide tijd van ongeveer twee jaar daarvoor niet onredelijk lang.

4.18 Na de ontkenning (zie 2.10) van eiseres' echtgenoot dat zij over enige buitenlandse bankrekening hebben beschikt, heeft verweerder binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar met dagtekening 20 december 2007 aan eiseres de onder 2.12 vermelde navorderingsaanslag opgelegd, welke termijn de rechtbank hierboven onder 4.13 heeft beoordeeld. Voor de thans te beoordelen navorderingsaanslag over 2001, waarbij de verlengde navorderingstermijn is toegepast, ontbrak naar het oordeel van de rechtbank de noodzaak de vaststelling van die navordering aan te houden.

Het evenredigheidsbeginsel dwingt tot aanhoudende voortvarendheid. Gelet op de weigerachtige houding van eiseres had het op de weg van verweerder gelegen ook deze navorderingsaanslag zo spoedig mogelijk na de onder 2.12 vermelde belastingaanslag te formaliseren in plaats van daarmee nog bijna een jaar te wachten. De omstandigheid dat de mogelijkheid bestond dat eiseres lopende bezwaar tegen de onder 2.12 vermelde belastingaanslag alsnog openheid van zaken zouden (kunnen) geven, kan in het licht van het in beginsel inbreukmakende karakter van de verlengde navorderingstermijn niet tot een ander oordeel leiden. In de door verweerder aangevoerde noodzaak tot prioritering van zijn werkzaamheden vindt de rechtbank evenmin een rechtvaardiging, omdat die prioriteitstelling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat de volle periode van 12 jaar voor de aanslagregeling kon worden benut.

4.19 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 moet worden vernietigd. Dit oordeel treft ook de bij deze navorderingsaanslag opgelegde boete.

Met betrekking tot de definitieve aanslag IB/PVV 2005

4.20 De rechtbank concludeert dat de definitieve aanslag IB/PVV 2005 binnen de wettelijke aanslagtermijn van drie jaren na afloop van het kalenderjaar is opgelegd.

Met betrekking tot de inlichtingenverplichting, omkering van de bewijslast en de redelijke schatting

4.21 Verweerder heeft eiseres' echtgenoot verzocht gegevens te verstrekken omtrent het aanhouden van een bankrekening in het buitenland. Na zijn ontkenning een buitenlandse bankrekening te hebben aangehouden is hij daarin blijven volharden. Nu de rechtbank aannemelijk acht dat eiseres en haar echtgenoot beschikten over het op de rekeningstandenlijsten van Van Lanschot vermelde vermogen, is evenzeer aannemelijk dat uit dat vermogen inkomen is genoten en dat dat inkomen, net als het vermogen, niet in de aangifte is vermeld. Bovendien betreft het zowel relatief als absoluut aanzienlijke bedragen. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat over de betrokken jaren niet de vereiste aangiftes zijn gedaan, dat daaraan de gevolgtrekking van artikel 27e, onderdeel a, van de AWR (oud) moet worden verbonden. Dit betekent dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Derhalve is voor de onderhavige jaren sprake van een verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de blote ontkenning sprake was van een buitenlandse bankrekening, niet bewezen dat de belastingaanslagen te hoog zijn.

4.22 Nu eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan, dient te worden beoordeeld of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft een analyse gemaakt van de bekende gegevens van de geïdentificeerde bankrekeninghouders bij Van Lanschot. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat over de periode 21 december 1994 tot en met 5 september 1996 over het gehele bestand van 325 geïdentificeerde personen sprake is van een vermogenstoename van 23,66% op jaarbasis. Dit percentage heeft verweerder (rekening houdend met rente op rente) naar beneden bijgesteld tot 23,55%. Aan de hand van het bekende saldo op de rekening bij Van Lanschot zijn, rekening houdend met een vermogenstoename van 23,55% op jaarbasis, de saldi berekend per ultimo 1995 en 1996. Voor de berekening van de inkomsten over dit vermogen heeft verweerder aangesloten bij het fictieve rendement als bedoeld in artikel 29a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, zijnde 6% van het in buitenlandse beleggingsinstellingen belegde vermogen. Verweerder wijst erop dat de wettelijke rente over de jaren 1995 tot en met 2000 gemiddeld ten minste dit percentage bedroeg. De rechtbank acht de wijze van berekening zoals door verweerder is uiteengezet redelijk. Het standpunt van eiseres dat het rendement van 6% lager zou moeten zijn, gelet op feitelijke rendementen die hij via Google heeft gevonden, verwerpt de rechtbank. Eiseres hebben hun stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet hierop berusten de navorderingsaanslagen naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting. Voor dat geval is toedeling van de helft van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de hoogte daarvan en van de belastingaanslagen niet in geschil.

Slotsom belastingaanslagen

4.23 Het vorenstaande leidt ertoe dat in stand blijven de volgende navorderingsaanslagen: IB/PVV 2002, IB/PVV 2003, IB/PVV 2004 en de definitieve aanslag IB/PVV 2005. De navorderingsaanslag IB/PVV 2001 wordt vernietigd.

Met betrekking tot de boetes

4.24 Uit het overwogene onder 4.23 volgt dat de belastingaanslag IB/PVV 2001 en de gelijktijdig opgelegde boetebeschikking vernietigd dienen te worden. De rechtbank dient thans een oordeel te geven over de juistheid van de resterende boetes.

4.25 Verweerder heeft bij beschikking een vergrijpboete van 100% opgelegd bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002, IB/PVV 2003, IB/PVV 2004 en de primitieve aanslag IB/PVV 2005. De bewijslast, zowel wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, ligt bij verweerder (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324, BNB 2011/206 en Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350, BNB 2011/207).

4.26 Ten aanzien van de opzet is de rechtbank van oordeel dat, indien en voor zover voldoende aannemelijk is dat eiseres in enig jaar tegoeden heeft aangehouden op een buitenlandse bankrekening in een land waar een wettelijk bankgeheim geldt zonder dat eiseres deze tegoeden heeft aangegeven, daarmee ook de opzet op het niet-aangeven aannemelijk is te achten. De rechtbank acht aannemelijk dat het gebruikmaken van een aparte bankrekening in een land met een bankgeheim tot doel strekte die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten te houden, zodat daaruit afgeleid kan worden dat eiseres wist dat ook tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus.

4.27 Uit de renseignementen – waaraan naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van de boeten bewijskracht toekomt – volgt dat eiseres beschikte over een groot tegoed op een bankrekening bij Van Lanschot Bankiers (zie 2.8) zowel direct voorafgaand aan het jaar 1995 (namelijk op 21 december 1994), als ook op meerdere momenten in het jaar daarna (in september en november 1996).

4.28 Ten aanzien van de vraag of aannemelijk kan worden geacht dat eiseres ook nog gedurende de jaren 2002 tot en met 2005 de bankrekening heeft aangehouden ontbreekt rechtstreeks bewijs. Aan de renseignementen met betrekking tot de jaren 1994 en 1996 kan evenwel een vermoeden worden ontleend dat eiseres ook jaren later, dus in 2002 tot en met 2005, nog het beboetbare feit heeft gepleegd. Uit de renseignementen blijkt dat eiseres op 28 november 1996 over een groot tegoed beschikte, te weten f 358.775,91, waarvan een bedrag van f 313.500 aan obligaties. Als algemene ervaringsregel geldt dat een dergelijk groot bedrag in obligaties op een verzwegen bankrekening in een land met een wettelijk bankgeheim voor de lange termijn wordt aangehouden en dat onder lange termijn in ieder geval een periode van de onderhavige negen jaar kan worden begrepen. Verweerder heeft bovendien gemotiveerd gesteld, hetgeen eiseres onweersproken heeft gelaten, dat in de door eiseres en haar echtgenoot wél aangegeven banktegoeden en renten in de periode 1995 tot en met 2005 geen sprake is van een grote vermogenswijziging, zodat mag worden aangenomen dat de in Luxemburg aangehouden tegoeden niet naar een bankrekening zijn overgebracht waarvan het tegoed wel door eiseres is aangegeven. Uit het voorgaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank een zodanig ernstige verdenking voort, dat deze vraagt om uitleg door eiseres. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden (bijvoorbeeld consumptie van het tegoed) aangevoerd of aannemelijk gemaakt om dat vermoeden te ontzenuwen. De omstandigheid dat eiseres telkens heeft gezwegen over de bankrekening en ook telkens heeft geweigerd gegevens omtrent de rekening te verstrekken vormt voor de rechtbank een versterking van de overtuigingskracht van het voorhanden zijnde bewijs.

4.29 De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres met betrekking tot de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 het beboetbare feit heeft begaan door bedragen aan inkomsten en vermogen niet in de aangiften te verantwoorden. Het kan dan niet anders dan dat het aan opzet van eiseres is te wijten dat van haar te weinig belasting is geheven (zie 4.26 en 4.28). Verweerder heeft dan ook terecht boetes van 100% opgelegd.

4.30 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41832, LJN BC 1962, beslist dat bij de beoordeling of de boete passend en geboden is, rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met omkering van de bewijslast. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat, naar het oordeel van de rechtbank, vaststaat dat eiseres rechthebbende is op het tegoed bij Van Lanschot Bankiers. Dit betekent dat eiseres niet in bewijsnood verkeert en de keuze heeft gemaakt de op dit tegoed betrekking hebbende gegevens voor zich te houden en geen openheid van zaken te geven. Eiseres had kunnen voorkomen dat de hoogte van de verschuldigde belasting op basis van een schatting werd vastgesteld. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de onderhavige navorderingsaanslagen zijn vastgesteld met verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar eiseres en zijn gebaseerd op een schatting, derhalve geen aanleiding voor matiging van de boetes. Eiseres' stelling dat, wanneer zij in de bezwaarfase inzage zou hebben gekregen in meer op de zaak betrekking hebbende stukken, zij mogelijk in de bezwaarfase alsnog zou hebben ingekeerd, faalt. Dat eiseres in de bezwaarfase, om haar moverende redenen heeft afgezien van 'inkeer', althans naar de rechtbank haar begrijpt van het alsnog verstrekken van openheid van zaken, is geen reden om thans de opgelegde boete te matigen. De rechtbank acht de opgelegde boetes in beginsel passend en geboden.

4.31 Bij het opleggen van de boetebeschikkingen over de jaren 2003 en 2004 heeft verweerder echter ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat een deel van de heffingskorting reeds was terugbetaald, zoals in zijn verweerschrift en nader ter zitting uiteen is gezet. De oorspronkelijke boetebeschikkingen (zie 2.16) zijn daardoor tot een bedrag van € 750 (2003) en € 783 (2004) te hoog vastgesteld.

4.32 De rechtbank dient voorts te toetsen of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn ten aanzien van alle in geschil zijnde boetes aangevangen op 19 november 2007, nu eiseres uit de aankondiging van een boete voor het jaar 2001 (zie 2.11) kon opmaken dat verweerder ook het ernstige voornemen zou hebben haar over latere jaren te beboeten. Uitgaande van deze aanvangsdatum van de termijn moet worden vastgesteld dat sinds die datum tot de uitspraak van de rechtbank, vier jaar en acht maanden zijn verstreken. Dit brengt mee dat sprake is van een overschrijding van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn met twee jaar en acht maanden. De rechtbank zal om die reden de boeten matigen met 20%. De rechtbank zal daarbij tevens rekening houden met het feit dat verweerder bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2011 al rekening heeft gehouden met een matiging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de boetebeschikkingen betrekking hebbend op de jaren 2003, 2004 en 2005.

4.33 Het overwogene onder 4.31 en 4.32 brengt de rechtbank tot de volgende slotsom.

De boete bij de IB/PVV 2002 moet worden verminderd tot € 1.616 (€ 2.021 minus € 405).

De boete bij de IB/PVV 2003 moet worden verminderd tot € 1.280 ((€ 2.325 minus € 750) minus € 315).

De boete bij de IB/PVV 2004 moet worden verminderd tot € 1.372 ((€ 2.498 minus € 783) minus € 343).

De boete bij de IB/PVV 2005 is door verweerder terecht gematigd tot € 1.666 (€ 2.083 minus 20% is € 417), zodat geen verdere matiging meer behoeft te volgen.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep in die zaken redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.082. De berekening luidt als volgt. Nu wat betreft de zaken 09/76, 09/75 en 11/440 ([echtgenoot]) sprake is van samenhangende zaken, worden deze tevens als één zaak beschouwd (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Nu wat betreft de zaken 11/594 tot en met 11/597 sprake is van samenhangende zaken, worden deze als één zaak beschouwd, waarbij gerekend wordt met een factor 1,5, omdat sprake is van tenminste vier samenhangende zaken (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat verweerder eiseres in deze zaken bij de uitspraak op bezwaar reeds € 120,75 heeft vergoed. Derhalve wordt in totaal voor twee zaken proceskostenvergoeding berekend, waarbij voor één zaak één/derde gedeelte aan eiseres wordt vergoed en twee/derde gedeelte aan [echtgenoot].

Griffierecht

In alle onderhavige zaken is griffierecht geheven, zodat verweerder deze kosten van in totaal € 203 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met nummer 09/76

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de boetebeschikking;

- vermindert de over 2002 opgelegde boete tot € 1.616;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;

in de zaak met nummer 11/597

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- verklaart eiseres ontvankelijk in haar bezwaren;

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2001;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten op bezwaar;

in de zaken met de nummers 11/594, 11/595 en 11/596

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- verklaart eiseres ontvankelijk in haar bezwaren;

- laat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2003 en 2004, de aanslag IB/PVV 2005 en de boetebeschikking 2005 in stand;

- vermindert de over 2003 opgelegde boete tot € 1.581;

- vermindert de over 2004 opgelegde boete tot € 1.698;

- bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

in alle bovenvermelde zaken tezamen

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.082;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 203 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, mr. J.W. Keuning en mr. J.F.H. van den Belt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2012.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.