Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX5916

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
AWB 08/2448, 11/523, 11/524
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

buitenlandse bankrekening - voortvarendheid bij het opleggen van navorderingsaanslagen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2074
FutD 2012-2208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummers: AWB 08/2448, 11/523, 11/524.

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde [gemachtigde eiser],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB) opgelegd en beschikkingen gegeven.

jaar navorderingsaanslag beschikking procedurenummer

1995 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 08/2448

2002 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/523

1996 navorderingsaanslag VB heffingsrente en boete 11/524

1.2 Verweerder heeft bij - in één geschrift vervatte - uitspraken op bezwaar van 22 september 2008 de in deze zaken aan de orde zijnde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente en boete gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 30 oktober 2008, beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank naderhand gesplitst in drie zaken en geregistreerd zoals onder punt 1.1 is weergegeven.

1.3 Verweerder heeft verweerschriften ingediend en de - zijns inziens - op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarbij heeft verweerder ten aanzien van de volgende stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versie van die stukken. Het betreffen de volgende stukken, waarbij de rechtbank de door verweerder in zijn aanvullend verweerschrift van 6 januari 2011 gehanteerde opsomming overneemt:

A. De Belgische aanbiedingsbrief

B. De bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende nota

C. De bij de nota behorende bijlagen B.1, B.2, B.6 en B.9 (de rekeningstandenlijsten en

de adressenlijsten) en het renseignement van eiser

D. De overige bij de Nota behorende bijlagen

E. Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten

F. Chi-kwadraattoets

G. Draaiboek

H. Memo identificatieproces

I. Brief 13-11-2007 toestemming gebruik gegevens voor belastingheffing

1.4 Verweerder heeft bij afzonderlijke brief van 30 oktober 2009 een motivering gegeven van zijn mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versie van de zojuist opgesomde stukken. Ten aanzien van de onder F bedoelde stukken heeft verweerder alsnog het proces-verbaal van ambtshandeling overgelegd. In het voor eiser bestemde exemplaar heeft verweerder de namen van individuele belastingambtenaren geanonimiseerd; uitsluitend de rechtbank mag kennis nemen van de ongeanonimiseerde versie. Naar aanleiding van tussenuitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage en de rechtbank Haarlem heeft verweerder in aanvulling op zijn zojuist bedoelde brief een aantal gewijzigde bijlagen overgelegd en heeft ter zake in een begeleidende brief van 6 januari 2011 een motivering gegeven. Ten aanzien van de onder A, C, D, en I bedoelde stukken heeft verweerder een aantal weggelaten gegevens alsnog vrijgegeven en ten aanzien van de onder C en F bedoelde stukken heeft verweerder aanvullende stukken overgelegd. Voor wat betreft het onder E bedoelde stuk, heeft verweerder aangegeven dat dit bij nader inzien geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, zodat artikel 8:29 van de Awb hiervoor niet geldt. Dit stuk dient slechts - in geanonimiseerde vorm - als bewijs ter onderbouwing van het verweer. De ongeanonimiseerde versie dient volgens verweerder uit de procesdossiers te worden verwijderd. Bij brief van 18 februari 2011 heeft verweerder een nieuwe bijlage (Memo berekening percentage meewerkers, project BZN) overgelegd, die integraal ter kennis van eiser mag worden gebracht. Verweerder heeft in zijn brieven aangegeven dat hij thans alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

1.5 Eisers gemachtigde heeft, vooruitlopend op de onder punt 1.4 eerstbedoelde brief van verweerder, de griffier op 30 oktober 2009 telefonisch meegedeeld dat hij - zoals hij in soortgelijke bij de rechtbank aanhangige zaken reeds schriftelijk heeft gedaan - de rechtbank verzoekt om verweerder te bevelen om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen en de zaak te verwijzen naar een geheimhoudingskamer voor een mondelinge behandeling, teneinde eiser de gelegenheid te geven zijn verzoek nader toe te lichten en zo nodig te onderbouwen.

1.6 Ten behoeve van het nemen van deze tussenbeslissing heeft de rechtbank (geheimhoudingskamer) kennisgenomen van de stukken in het procesdossier die aan beide partijen bekend waren. Daarnaast heeft de rechtbank (geheimhoudingskamer) kennisgenomen van de door verweerder overgelegde ongeschoonde stukken als hiervóór genoemd.

1.7 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie gelast. De comparitiezitting heeft, na afstemming daartoe met partijen, plaatsgevonden op 15 februari 2011 te Leeuwarden. Namens eiser is daar, zonder bericht aan de rechtbank, niemand verschenen. Namens verweerder zijn daar verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft op 24 maart 2011 een beslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb (hierna: de beslissing). De beslissing is op dezelfde dag samen met het onder 1.7 vermelde proces-verbaal, per aangetekend schrijven, aan partijen toegezonden.

1.9 Eiser heeft bij brief van 31 maart 2011 op de beslissing gereageerd en geen toestemming verleend aan de rechtbank om uitspraak te doen mede op grondslag van de stukken waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, zoals beslist in de onder 1.8 vermelde beslissing.

1.10 Eiser heeft bij brief van 18 mei 2011 nadere gronden van het beroep ingediend.

1.11 Verweerder heeft daarop bij brief van 17 juni 2011 gereageerd.

1.12 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011 te Leeuwarden. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is daar tevens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.13 Verweerder heeft bij brief van 23 september 2011 drie ambtsedige verklaringen toegestuurd.

1.14 Eiser heeft hierop bij brief van 20 oktober 2011 gereageerd.

1.15 Partijen hebben voorts nadere stukken ingediend

1.16 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer is hervat op 21 maart 2012. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Ter zitting zijn [A] en [B] als getuigen van eiser gehoord.

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht en deel uitmaakt van de gedingstukken. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

1.17 Van de hiervoor vermelde stukken die door partijen zijn ingediend is over en weer steeds een kopie naar de andere partij verzonden.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser is geboren op [datum] 1946. De partner van eiser is [partner].

2.2 In februari 2005 hebben de bevoegde Belgische belastingautoriteiten in het kader van de spontane uitwisseling van informatie op grond van de Richtlijn 77/799/ EEG van 19 december 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (kortweg: de Bijstandsrichtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD/ECD team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1, B2, enzovoorts. B1, B2 en B6 zijn zogenoemde rekeningbestandenlijsten. B9 betreft een adressenlijst.

2.3 In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De gegevens zijn door het Belgische Parket in beslaggenomen bij een huiszoeking bij een verdachte.

2.4 In maart 2007 is binnen de Belastingdienst het project “Bank Zonder Naam” (hierna het Project) gestart. Doel van het Project was het op projectmatige wijze behandelen van de in 2005 van de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, ten einde de niet aangegeven inkomen- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

2.5 Ten behoeve van het Project is een draaiboek opgesteld.

2.6 Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam en de voorletters van eiser slechts éénmaal in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (BVR) voorkomt.

2.7 In het BVR-systeem zijn alle namen van natuurlijke personen en rechtspersonen die in Nederland wonen of zijn gevestigd opgenomen. Via dit systeem zijn ook historische gegevens te raadplegen. Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed vanuit de gemeentelijke basisadministratie. Indien en voor zover uit de vergelijking met het systeem BVR slechts 1 persoon met de ingevoerde combinatie van voorletters, achternaam naar voren kwam, is deze persoon door verweerder als rekeninghouder aangemerkt.

2.8 Uit renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 volgt dat bij Van Lanschot een rekening werd gehouden op naam van [naam eiser], met rekeningnummer [nummer]. Het saldo op deze rekening bedroeg op 21 december 1994 in totaal f 109.502,1.Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 86,54 en f 18.364. Het saldo op deze rekening bedroeg op 5 september 1996 in totaal f 115.138,95. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 380,29 aan current accounts, f 112.192,50 aan bonds, en f 2.566,16 aan investment funds. Het saldo op deze rekening bedroeg op 28 november 1996 in totaal f 121.089,01. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 380,29 aan current accounts, f 118.125 aan bonds, en f 2.583,72 aan investment funds.

2.9 Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) en een formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: het formulier) gevoegd.

2.10 Eiser heeft de verklaring en het formulier ondertekend op 9 maart 2007 en aan verweerder geretourneerd. Op de verklaring heeft eiser onder de ná 31 december 1994 aangehouden buitenlandse bankrekeningen ingevuld dat hij twee buitenlandse bankrekeningen heeft aangehouden: een bij Sarasin S.A. met nummer [nummer] en een bij Van Lanschot Bank met nummer [nummer]. Voorts heeft eiser diverse bijlagen meegezonden.

2.11 Bij brief van 30 mei 2007 heeft de gemachtigde van eiser onder meer aan verweerder geschreven:

"Cliënt heeft aangegeven dat het totaal gespaarde bedrag en de rente inkomsten aan hem moet worden toegerekend.(…)

De werkelijke toedracht in deze is dat cliënt niet alleen gerechtigd is tot het saldo, maar zijn huidige partner voor 50% medegerechtigd is in het saldo en inkomsten.(…)

In fiscale zin dient dienovereenkomstig naar rato van de gerechtigdheid, aan ieder der partijen het saldo en inkomsten te worden toegerekend.".

2.12 Verweerder heeft eiser op 5 november 2007 een kennisgeving navordering met boete gestuurd betreffende de IB/PVV en VB over de jaren 1995 tot en met 2004. Verweerder heeft eiser op 5 november 2007 tevens een vaststellingsovereenkomst gestuurd, waarbij de na te vorderen belasting, boete en heffingsrente worden vervat in één navorderingsaanslag.

2.13 Bij brief van 14 december 2007 heeft eiser gereageerd op de vaststellingsovereenkomst en daarover een aantal op - en aanmerkingen gemaakt.

2.14 Verweerder heeft eiser op 18 december 2007 een kennisgeving navordering met boete gestuurd. Verweerder heeft eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002, VB 1996, alsmede boetes (verhogingen) en een vergrijpboete op te leggen.

2.15 Met dagtekening 19 december 2007 heeft verweerder aan eiser de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002, VB 1996 en de boetes (verhogingen) en vergrijpboete opgelegd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 1995 is berekend naar een belastbaar inkomen € 32.330 (f 71.247), vermeerderd met een bedrag van € 676 (f 1.491) aan heffingsrente. De boete 1995 bedraagt € 914 (f 2.015). De navorderingsaanslag VB 1996 is berekend naar een belastbaar vermogen van € 118.436 (f 261.000), vermeerderd met een bedrag van € 129 (f 286) aan heffingsrente. De boete 1996 bedraagt € 237 (f 524). De navorderingsaanslag IB. PVV 2002 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.871 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.376, vermeerderd met een bedrag van € 317 aan heffingsrente. De vergrijpboete 2002 bedraagt € 912.

2.16 Bij brief van 8 januari 2008 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen de onder 2.15 vermelde navorderingsaanslagen en boetes.

2.17 Bij uitspraak op bezwaar van 22 september 2008, derhalve in één geschrift vervat, zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002, VB 1996, alsmede de boetes (verhogingen) en de vergrijpboete gehandhaafd.

Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen, alsmede de boetes (verhogingen) en de vergrijpboete terecht, en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2 Meer in het bijzonder is de volgende vraag in geschil: Heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

3.3 Ter zitting heeft eiser zijn grieven met betrekking tot de heffingsrente laten varen.

3.4 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de onverlengde navorderingstermijn

4.1 Voor het jaar 2002, waarvoor verweerder onder toepassing van de in artikel 16, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vermelde termijn navorderingsaanslagen heeft opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser, dat ook voor deze jaren getoetst moet worden aan het communautaire evenredigheidsbeginsel, geen steun vindt in het recht.

Met betrekking tot de verlengde navorderingstermijn

4.2 Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruiken van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR en gesteld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd.

4.3 De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie voor de Europese gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, de volgende regels geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR wegens buiten het zicht van de fiscus gehouden tegoeden in andere landen van de Europese Unie:

2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.

2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.4 Tussen het moment dat de informatie via België bij de FIOD/ECD binnenkwam en het moment dat voor het eerst contact met eiser werd opgenomen door hem op 7 maart 2007 een vragenbrief te sturen, is ongeveer twee jaar verstreken. Verweerder heeft aangegeven dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden. Voor de identificatie is gebruik gemaakt van EDP-auditing en zijn 80 bestanden aangemaakt. Na voltooiing van de centraal uitgevoerde sofiëring van de geïdentificeerde rekeninghouders hebben de regiokantoren opdracht gekregen handmatig de identiteitsgegevens te controleren en tevens de desbetreffende aangiftes door te nemen. Nadat bij die handmatige controle twijfels waren ontstaan over de identificatie, zijn alle namen centraal opnieuw gecontroleerd. De voor 27 november 2006 geplande verzending van vragenbrieven aan de geïdentificeerde rekeninghouders is om die reden opgeschort. Verder werd de projectleiding eind november 2006 bekend met de omstandigheid dat de betrokken bank afgeperst zou zijn/worden. Dit is aanleiding geweest voor een extra identificatiecheck op regioniveau alsmede voor een centrale controle op de betrouwbaarheid van renseignementen door middel van een chi-kwadraattoets. Na een vertraging van ruim drie maanden zijn de (eerste) vragenbrieven vervolgens op 7 maart 2007 verzonden.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat met een dergelijk proces, wil het zorgvuldig geschieden, naar zijn aard het nodige tijdsbeslag is gemoeid, zeker in een situatie als deze waarin alleen achternamen en soms voornamen of voorletters van personen bekend zijn maar geen adres- of woonplaatsgegevens. De keuze voor een projectmatige aanpak acht de rechtbank ook vanwege de eenheid van beleid en uitvoering begrijpelijk. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid acht de rechtbank de met het identificatieproces gemoeide tijd van ongeveer twee jaar daarvoor niet onredelijk lang.

4.6 Na erkenning van eiser op 9 maart 2007 dat hij buiten het zicht van de belastingdienst bij twee buitenlandse bankinstellingen rekeningen heeft aangehouden, heeft hij meegewerkt (zie 2.10). In de daaropvolgende periode heeft eiser inzicht verschaft in het verloop van de op beide rekeningen aangehouden saldi. Uit de onder 2.9 tot en met 2.15 vastgestelde feiten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat grond ontbreekt voor het oordeel dat verweerder in de desbetreffende periode het communautaire evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat eisers uitlating van 30 mei 2007 dat zijn partner voor vijftig procent medegerechtigd is in het saldo en de inkomsten van de rekeningen, onterecht is gedaan, maar wel voor verweerder aanleiding is geweest tot het verrichten van extra onderzoek. De tijd die gepaard is gegaan met inwinnen van gegevens bij eiser, het verwerken van die gegevens, het onderzoeken van de fiscale positie van eisers partner en het opstellen van een vaststellingsovereenkomst, acht de rechtbank niet disproportioneel. Hierin ligt besloten dat de rechtbank het standpunt van de gemachtigde van eiser dat deze periode in totaal maximaal zes maanden zou mogen zijn niet deelt.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verlengde navorderingstermijn terecht heeft gebruikt voor de in dit onderdeel beoordeelde belastingaanslagen.

Slotsom belastingaanslagen

4.8 Het vorenstaande leidt ertoe dat de in geding zijnde belastingaanslagen (voor wat betreft de enkelvoudige belasting) in stand blijven.

Met betrekking tot de boetes

4.9 Verweerder heeft de navorderingsaanslagen IB 1995 en VB 1996 verhoogd met 100% van de enkelvoudige belasting met toepassing van artikel 18 van de AWR (oud) onder de gelijktijdige beslissing dat 50% kwijtschelding zal worden verleend overeenkomstig artikel 21, derde lid, van het Voorschrift administratieve boeten 1993. Verweerder heeft voorts bij beschikking een vergrijpboete van 50% opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2002. De bewijslast, zowel wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, ligt bij verweerder (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324, BNB 2011/206 en Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350, BNB 2011/207).

4.10 Eiser heeft in elk van de onderhavige jaren, naar blijkt uit de door hem aan verweerder overgelegde bankafschriften, tegoeden aangehouden op een buitenlandse bankrekening, zonder dat eiser deze tegoeden heeft aangegeven. De door eiser zelf overgelegde bankafschriften mogen als bewijs voor het opleggen van de boete worden gebruikt. In het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 17 december 1996, Saunders v. UK, BNB 1997/254; hierna: het arrest Saunders) is door het EHRM onderscheid gemaakt tussen (bewijs)materiaal dat wel en dat niet zijn bestaan dankt aan de wil van de beschuldigde. De door eiser aan verweerder verschafte stukken met gegevens vormen materiaal in laatstbedoelde zin. Deze stukken betreffen bovendien een rekening waarvan eiser reeds buiten zijn eigen toedoen als rekeninghouder was geïdentificeerd en zijn derhalve stukken waarvan verweerder het bestaan mocht aannemen; de stukken, die niet van rechtstreeks belang zijn voor de vraag óf eiser het beboetbare vergrijp heeft begaan, zijn door eiser overgelegd nadat de verweerder had aangegeven welke bescheiden hij verlangde. Gelet op het arrest Saunders staat artikel 6, lid 1, EVRM niet eraan in de weg dat ook in het kader van de beoordeling van de boeteoplegging rekening wordt gehouden met dergelijke door verweerder ten behoeve van de vaststelling van de belastingschuld opgevraagde bescheiden, indien deze door de belastingplichtige zijn verstrekt. Gelet op het vorenstaande mochten de door eiser verstrekte bankgegevens voor het opleggen van de onderhavige verhogingen en vergrijpboete worden gebruikt, en is daarmee het bewijs dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan geleverd.

4.11 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eisers opzet was gericht op het niet aangeven van de (inkomsten uit de) desbetreffende tegoeden, omdat aannemelijk mag worden geacht dat het gebruikmaken van een aparte bankrekening in een land met een bankgeheim tot doel strekte die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten te houden, zodat de rechtbank daaruit afleidt dat eiser wist dat ook tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus. De rechtbank is daarom van oordeel dat het aan de opzet van eiser is te wijten dat bij de primitieve aanslagregeling te weinig belasting is geheven. Een boete van 50% is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden. Nu de boetegrondslag bestaat uit de werkelijk genoten rendementen oordeelt de rechtbank dat een matiging vanwege de vaststelling van de boetegrondslag met toepassing van omkering van de bewijslast niet aan de orde is.

4.12 De rechtbank dient voorts te toetsen of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 5 november 2007. Uitgaande van deze aanvangsdatum van de termijn moet worden vastgesteld dat sinds die datum tot de uitspraak van de Rechtbank, vier jaar en acht maanden zijn verstreken. Dit brengt mee dat sprake is van een overschrijding van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn met twee jaar en acht maanden. De rechtbank zal om die reden de boeten matigen met 20% en stelt de boeten (verhogingen) vast op:

€ 731 voor de IB/PVV 1995 (f 1.612 zijnde f 2.014 minus f 403)

€ 190 voor de VB 1996 (f 419 zijnde f 524 minus f 105)

€ 729 voor de IB/PVV 2002 (€ 912 minus € 183)

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1. Nu sprake is van samenhangende zaken worden deze als één zaak beschouwd.).

Griffierecht

Uitsluitend in de zaak met nummer 08/2448 is griffierecht geheven, zodat verweerder uitsluitend deze kosten hoeft te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen ongegrond;

- verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de boetebeschikkingen;

- vermindert de over 1995 opgelegde boete tot € 731 (f 1.612);

- vermindert de over 1996 opgelegde boete tot € 190 (f 419);

- vermindert de over 2002 opgelegde boete tot € 729;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, mr. J.W. Keuning en mr. J.F.H. van den Belt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2012.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.