Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX3566

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/2393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwmarkten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2393

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2012 in de zaak tussen

Bouwmarkt 82 Sneek B.V. en Syjoni Vastgoed B.V.,

beide gevestigd te Sneek,

eiseressen (hierna te noemen: Karwei),

gemachtigde: mr. A. Kaspers, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest Fryslân

(voorheen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek),

verweerder (hierna te noemen: het college),

gemachtigde: M. Sinnema-Grondsma, werkzaam bij de gemeente Súdwest Fryslân.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Praxis Vastgoed B.V., Praxis doe-het-zelf Center B.V. en Corlijnen B.V. (hierna te noemen: Praxis),

gemachtigde: mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college aan Praxis binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee bedrijfspanden ten behoeve van de vestiging van twee Praxis-bouwmarkten, inclusief horecagedeelte, op de percelen Kolenbranderstraat 1 en 3 te Sneek. Bij besluit op bezwaar van 9 juni 2009 heeft het college het besluit van 19 december 2008 herroepen en alsnog binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning geweigerd.

Bij besluit van 17 september 2009 heeft het college aan Praxis binnenplanse ontheffing en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van paviljoen drie (het horecagedeelte) op het perceel Kolenbranderstraat 1 te Sneek. Bij besluit op bezwaar van 1 februari 2010 heeft het college het besluit van 17 september 2009 gehandhaafd. Tegen het besluit op bezwaar van 17 september 2009 heeft Karwei op 19 februari 2010 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 10/412.

Bij uitspraak van 30 maart 2010 (AWB 09/1576), voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 9 juni 2009 vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het door Karwei ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 19 december 2008. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit op bezwaar van 19 oktober 2010 heeft het college het bezwaarschrift van Karwei ongegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen het verlenen van binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van twee bedrijfspanden en het bezwaar gegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen het verlenen van binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor het horecagedeelte. In verband hiermee heeft het college het besluit van 19 december 2008 gedeeltelijk herroepen in die zin dat de vrijstelling en de bouwvergunning voor het horecagedeelte worden geweigerd. Op 24 november 2010 heeft Karwei beroep ingesteld tegen het besluit van 19 oktober 2010. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 10/2393. Praxis heeft zich neergelegd bij het besluit van 19 oktober 2010.

Bij uitspraak van 9 mei 2011 (AWB 11/743 en AWB 11/744) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de verzoeken van Karwei om de besluiten op bezwaar van 1 februari 2010 en 19 oktober 2010 te schorsen, afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb uitspraak te doen in de hoofdzaken (AWB 10/412 en AWB 10/2393).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2012. Namens Karwei is verschenen [naam], bijgestaan door mr. Kaspers. Namens Praxis zijn verschenen [naam] en [naam], werkzaam bij Corlijnen B.V., en [naam], werkzaam bij Praxis Vastgoed B.V., bijgestaan door mr. Van Oosten.

Overwegingen

1. Bij besluit van 21 maart 2012 heeft het college op verzoek van Praxis het besluit van 17 september 2009 ingetrokken. Hierop heeft Karwei het beroep met nummer AWB 10/412 ingetrokken.

2. Op grond van artikel 4, lid A, sub 2, onder d, sub 1, van het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen", waaraan de bouwaanvraag van Praxis is getoetst, was de vestiging van bouwmarkten op het onderhavige percelen niet toegestaan. Om de vestiging van de bouwmarkten mogelijk te maken, heeft het college bij besluit van 19 december 2008, voor zover thans nog van belang, van voornoemd planvoorschrift met toepassing van artikel 4, lid A, sub 2, onder d, sub 3, van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen" binnenplanse vrijstelling verleend.

3. Bij besluit van 14 september 2010 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Sneek het bestemmingsplan "Detailhandel De Hemmen, Sperkhem II, Houkesloot" vastgesteld. Dit plan voorziet in een partiële herziening van de bestemmingsplannen "Bedrijvenpark De Hemmen A7", "Sperkhem II" en "Bedrijventerrein Houkesloot", waarmee wordt beoogd een uniforme regeling voor perifere detailhandel in Sneek te bieden. Bij uitspraak van 30 november 2011 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BU6380) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het bestemmingsplan "Detailhandel De Hemmen, Sperkhem II, Houkesloot" vernietigd, voor zover het betreft artikel 1 van de planregels waarin de definitie van doe-het-zelf producten in bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen A7" wordt vervangen. Voor het overige is het bestemmingsplan "Detailhandel De Hemmen, Sperkhem II, Houkesloot" geaccordeerd.

4. Vast staat en tussen partijen is niet in geding dat de bouwmarkten op basis van het thans geldende bestemmingsplan "Detailhandel De Hemmen, Sperkhem II, Houkesloot" bij recht zijn toegestaan.

Dit roept de vraag op of Karwei nog wel een rechtens te honoreren belang heeft bij een beoordeling van het beroep. Ter zitting heeft Karwei aangevoerd dat één van de bouwmarkten is gebouwd. De andere bouwmarkt is nog niet gebouwd. Volgens Karwei is onduidelijk of het voorheen geldende bestemmingsplan bouwmarkten toestond. Karwei is gebaat bij duidelijkheid op dit punt. Karwei heeft verder aangevoerd dat de bedrijfspanden niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat Karwei (nog steeds) een rechtens te honoreren belang heeft bij een beoordeling van het beroep.

5. Ter zitting heeft Karwei, ter aanvulling op het beroepschrift, een pleitnota overgelegd. Hierin is Karwei ingegaan op de volgende drie onderwerpen: strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), perifere detailhandelsvestigingen en welstand. Desgevraagd heeft Karwei aangegeven dat het beroep zich concentreert op deze drie punten. De rechtbank zal deze drie punten achtereenvolgens bespreken.

6.1 Karwei betoogt dat de verleende vrijstelling tot effect heeft dat de bestemming van de grond kan worden gewijzigd. Het betreft een bedrijfsbestemming die kan worden gewijzigd in een detailhandelsbestemming. De aard van detailhandel is niet te vergelijken met die van bedrijfsdoeleinden. Een perifeer detailhandelsbedrijf zoals een bouwmarkt heeft een wezenlijk andere planologische uitstraling dan een "gewoon" bedrijf.

6.2 Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, zoals die bepaling luidde tot 1 juli 2008, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen. Zoals de AbRS heeft overwogen in haar uitspraak van 9 maart 2011 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BP7100) is voor het buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO slechts plaats indien een vrijstellingsbepaling een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid zonder enige beperking.

Op grond van artikel 4, lid A, sub 1, van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen" heeft de projectlocatie de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Artikel 4, lid A, sub 2, onder d, sub 3, van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen" biedt niet de mogelijkheid om de projectlocatie een bestemming te geven, die ingevolge de doeleindenomschrijving van dat artikel niet is toegestaan. Omdat na het verlenen van de vrijstelling ten behoeve van de bouwmarkten de gronden bestemd blijven voor bedrijfsdoeleinden, leidt het verlenen van de vrijstelling niet tot een planologische relevante wijziging van de bestemming. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat door de vestiging van bouwmarkten de aard van het bedrijventerrein De Hemmen in planologische zin verandert.

Het betoog faalt.

7.1 Karwei betoogt dat op basis van de verleende vrijstelling voor "bedrijfspanden ten behoeve van perifere detailhandelsvestigingen" veel meer gerealiseerd kan worden dan bouwmarkten alleen. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

7.2 De rechtbank stelt vast dat Praxis een bouwvergunning heeft aangevraagd voor het realiseren van twee bedrijfspanden ten behoeve van perifere detailhandelsvestigingen. Een bouwmarkt valt onder het begrip perifere detailhandel. In artikel 4, lid A, sub 2, onder d, sub 3, van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen" is limitatief opgesomd (de gevallen genoemd onder a tot en met d) waarvoor vrijstelling verleend kan worden. Op basis van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen" is dus niet onduidelijk wat op de projectlocatie in planologische zin wel is toegestaan en wat niet is toegestaan.

Het betoog faalt.

8.1 In haar advies van 28 augustus 2007 heeft de welstandscommissie (hierna: de commissie) aangegeven dat het bouwplan niet voldoet aan volgende criteria van het Beeldkwaliteitsplan De Hemmen 2, deelgebieden State-as en Water-as:

- materialisering aan de State-as is combinatie van glas en rode baksteen;

- hoofdentree van de bebouwing aan de Water-as;

- materialisering aan de noordzijde van de Water-as is combinatie van glas, metaal en lichte kleuren: streven naar minimaal 50% glas in geveloppervlak.

Met toepassing van de hardheidsclausule van de welstandsnota heeft de commissie echter wel een positief welstandsadvies afgegeven. Daarbij heeft de commissie in aanmerking genomen dat de gevel aan de Water-as een zijgevel van het gebouw betreft en dat vanwege de gewenste eenheid met de voorgevel van het gebouw een hoofdentree aan deze zijde niet gewenst is en dat het geen bezwaar is dat deze gevel een enigszins gesloten karakter heeft. Verder betreft het een groot gebouw met een afwijkende architectuur met gebogen lijnen in gevels waar baksteen minder goed toepasbaar is. Daarom kan de commissie zich verenigen met de toepassing van bruinrood stukwerk waarvan de uitstraling enigszins vergelijkbaar is. De commissie is dan ook van mening dat vanwege de zeggingskracht en de bijzondere architectuur van de bebouwing het gerechtvaardigd is om van de criteria van het beeldkwaliteitsplan af te wijken.

8.2 Karwei bestrijdt primair dat de hardheidsclausule een afwijking van het beeldkwaliteitsplan mogelijk maakt. Subsidiair is Karwei van mening dat de motivering voor toepassing van de hardheidsclausule ondeugdelijk is.

8.3 Uit hetgeen in 8.1 is aangegeven, blijkt dat de commissie het beeldkwaliteitsplan heeft betrokken bij haar welstandsbeoordeling. De rechtbank volgt dan ook het betoog van het college dat de criteria in het beeldkwaliteitsplan integraal deel uit maken van de welstandsnota. Dit brengt mee dat met toepassing van de in de welstandsnota opgenomen hardheidsclausule ook afgeweken kan worden van de criteria uit het beeldkwaliteitsplan.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, onder meer de uitspraak van 21 maart 2012 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BV9515) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

De rechtbank stelt vast dat Karwei het welstandsadvies van 28 augustus 2007 niet heeft bestreden met een tegenrapport van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Evenmin heeft Karwei gemotiveerd aangevoerd waarom het welstandsadvies in strijd is met de welstandsnota. Tegenover de uitvoerige uiteenzetting waarom met toepassing van de hardheidsclausule toch een positief welstandsadvies gegeven kan worden over het bouwplan, heeft Karwei alleen maar gesteld dat die motivering ondeugdelijk is.

Het onder 8.2 weergegeven betoog faalt.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en door mrs. A.T. de Kwaasteniet en H.D. Tolsma, rechters, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2012.

w.g. griffier

w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.