Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX1648

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/623
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Informatieverzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Veerbootverbinding Harlingen-Terschelling. Zie ook www.rechtspraak.nl, LJN: BX1647.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/623

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2012 in de zaak tussen

B.V. Eigen Veerdienst Terschelling en N.V. ms Spathoek, beiden gevestigd te Formerum,

verzoekster (hierna tezamen: EVT),

gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Amsterdam,

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder (hierna: de minister),

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: B.V. Terschellinger Stoomboot Maatschappij (hierna: TSM), gevestigd te West-Terschelling,

gemachtigde: mr. J.M. Neefe, advocaat te Rotterdam,

Procesverloop

Bij brief van 20 oktober 2011 heeft TSM met verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de minister verzocht om afschriften te ontvangen van de gevoerde correspondentie en de schriftelijke communicatie tussen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (en/of de Inspectie Verkeer en Waterstaat) en EVT met betrekking tot het omvlaggen van ms Spathoek (voorheen ms Schleswig Holstein) en het verzoek van EVT tot certificering van dat schip in Nederland.

Bij brief van 20 december 2011 heeft TSM de minister in gebreke gesteld voor het niet nemen van een besluit op het verzoek van 20 oktober 2011.

Bij brief van 24 januari 2012 heeft TSM beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet nemen van een besluit op het verzoek van 20 oktober 2011. Tevens heeft TSM op 24 januari 2012 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de minister wordt opgedragen binnen drie dagen na de uitspraak op het beroep een beslissing te nemen op het verzoek van 20 oktober 2011. Het beroep en het verzoek zijn geregistreerd onder respectievelijk AWB 12/193 en AWB 12/194.

Op 23 februari 2012 heeft de minister alsnog beslist op het verzoek van 20 oktober 2011. Bij dat besluit heeft de minister het stuk "Compliance with EC Directive 2010/36/EC" (stuk 20) openbaar gemaakt. De minister heeft de openbaarmaking van 19 andere stukken geweigerd.

In haar brief van 1 maart 2012 heeft TSM gemotiveerd uiteengezet waarom zij zich niet kan verenigen met het besluit van 23 februari 2012, voor zover daarbij de openbaarmaking van de stukken 1 tot en met 19 is geweigerd.

Bij brief van 9 maart 2012 heeft EVT bij de minister bezwaar gemaakt tegen de openbaarmaking van stuk 20. Tevens heeft EVT zich bij brief van eveneens 9 maart 2012 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om het besluit van 23 februari 2012 te schorsen. Dit verzoek is geregistreerd onder AWB 12/623.

Het verzoek van EVT is gevoegd met het verzoek van TSM en aan de orde gesteld ter zitting op 26 april 2012, waarbij partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. Namens EVT is verder verschenen [X]. Bij die gelegenheid hebben TSM en EVT te kennen gegeven dat zij in principe bereid zijn om onder leiding van een derde, in het kader van een soort vooroverleg (pre-mediation), te bezien hoe zij hun geschillen, waaronder het onderhavige geschil, het beste kunnen oplossen. In verband hiermee is de behandeling van de verzoeken geschorst.

Medio juni 2012 is duidelijk geworden dat een traject van pre-mediation niet (meer) tot de mogelijkheden behoort. In verband hiermee is het onderzoek op 5 juli 2012 voortgezet en zijn de verzoeken inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn TSM en de minister verschenen bij hun gemachtigden en is namens EVT [X] verschenen.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst, zodat de voorzieningenrechter in de zaken AWB 12/194 en AWB 12/623 afzonderlijk uitspraak doet.

Overwegingen

1. TSM verzorgt onder meer een veerdienst op het traject Harlingen-Terschelling. De Spathoek is van oorsprong een Duits zeeschip met de naam de Schleswig Holstein. EVT heeft het schip gekocht en vervolgens geschikt gemaakt als veerboot voor het traject Harlingen-Terschelling, op basis van de door de minister voorgeschreven eisen. Deze eisen vloeien in hoofdzaak voort uit Richtlijn (EC Directive) 2010/36/EU van de Europese Commissie inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen. Over de eisen waaraan de Spathoek moet voldoen, heeft frequent overleg, correspondentie en communicatie plaatsgevonden tussen EVT, het Ministerie (Inspectie Verkeer en Waterstaat) en het klassenbureau Germanischer Lloyd (GL). Dit bureau heeft destijds de Schleswig Holstein geclassificeerd. Voor de Spathoek is uiteindelijk een certificaat verstrekt. Op basis hiervan is het EVT toegestaan de Spathoek in te zetten als veerboot op het traject Harlingen-Terschelling. De Spathoek vaart sinds 30 maart 2012 op voornoemd traject.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van het verzoek van EVT voorop dat het oordeel van de voorzieningenrechter over een geschil in zijn algemeenheid, daargelaten de mogelijkheid om op basis van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb een eindoordeel te geven, een voorlopig karakter heeft. De bestuursrechter of het betrokken bestuursorgaan, in dit geval de minister, is hieraan niet gebonden. De aard van de onderhavige zaak brengt echter mee dat een oordeel, inhoudende dat stuk 20 openbaar gemaakt kan worden, feitelijk gezien een eindoordeel inhoudt. Indien de voorzieningenrechter tot dit oordeel zou komen, wordt het (nog langer) voeren van de hoofdzaak, in dit geval het bezwaarschrift van EVT van 9 maart 2012, zonder betekenis.

Met die procedure kan EVT wel bereiken dat het besluit tot openbaarmaking van stuk 20 ongedaan wordt gemaakt, maar EVT kan met deze procedure niet meer bereiken dat het feitelijk openbaar gemaakte stuk 20 weer geheim gemaakt wordt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt dit mee dat het verzoek van EVT, dat feitelijk gezien neerkomt op het (verder) geheim houden van stuk 20, alleen dan afgewezen kan worden indien buiten twijfel is dat er geen gronden zijn om openbaarmaking van stuk 20 te weigeren.

4. EVT betoogt dat de minister openbaarmaking van stuk 20 moet weigeren, omdat dit stuk niet valt onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van 20 oktober 2011. Dit stuk bestond nog niet ten tijde van het Wob-verzoek. EVT is voorts van mening, indien aangenomen moet worden dat stuk 20 wel valt onder de reikwijdte van het Wob-verzoek, dat dit stuk bedrijfsgevoelige informatie bevat. Openbaarmaking van stuk 20 zorgt bovendien voor een onevenredige benadeling van EVT en onevenredige bevoordeling van TSM. Door openbaarmaking van stuk 20 heeft TSM inzicht in de technische specificaties van de Spathoek en kan zij als grote speler in de markt de positie van EVT flink beïnvloeden.

5. Na met toestemming van partijen onder toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de stukken 1 tot en met 20 overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6. Bij brief van 20 december 2011 heeft TSM haar Wob-verzoek nader gepreciseerd door te verwijzen naar een artikel uit de Leeuwarder Courant van 18 december 2011. Tevens is verwezen naar de brief van de minister van 23 augustus 2011. In deze brief is aangegeven dat de minister in verband met de certificering van de Spathoek het volledige normenkader in kaart wenst te brengen, waarna zal worden bezien of aan dat normenkader kan worden voldaan en de benodigde certificaten door het klassenbureau Germanischer Lloyd kunnen worden afgegeven. In de brief van 6 februari 2012 heeft TSM de minister gewezen op de pleitnota die EVT op 31 januari 2012 heeft overgelegd tijdens de hoorzitting in het kader van een bezwaarschriftprocedure tegen een ander Wob-besluit van de minister. In die pleitnota wordt onder punt 14 het document "Spathoek Compliance" genoemd. Tegen deze achtergrond heeft de minister naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangenomen dat het Wob-verzoek mede betrekking heeft op stuk 20. Over dit stuk kon ook een beslissing genomen worden, omdat dit stuk, zoals de minister heeft aangegeven, in de laatste week van januari 2012, dus vóór het moment waarop is beslist op het Wob-verzoek, gereed is gekomen.

Het betoog dat stuk 20 niet valt onder de reikwijdte van het Wob-verzoek faalt derhalve.

7. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 11 april 2012 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BW1548) zijn bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn.

Verder dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat stuk 20 geen bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob bevat. Het stuk vermeldt de eisen waaraan een schip als de Spathoek moet voldoen om in aanmerking te kunnen worden gebracht voor een certificaat, op basis waarvan het als veerboot ingezet mag worden op een veerverbinding op de Waddenzee. Stuk 20 bevat geen enkele wetenswaardigheid over de Spathoek zelf of merknamen van materialen en/of apparatuur. De minister heeft aangegeven dat het in stuk 20 vermelde normenkader zal gelden als toetskader bij de beoordeling van toekomstige gevallen, waarbij een initiatiefnemer een bestaand zeeschip wil gaan inzetten als veerboot op de Waddenzee. Het stuk draagt dus een algemeen karakter is niet toegesneden op alleen maar de Spathoek. Dat de certificeringprocedure voor de Spathoek door de minister is aangegrepen voor het opstellen van algemene regels (normenkader) die ook voor toekomstige, vergelijkbare gevallen gelden, maakt dit niet anders.

Het betoog dat stuk 20 geheim moet blijven in verband met het gestelde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob faalt derhalve.

8. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge de Wob eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheden betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

De voorzieningenrechter ziet niet in welke actuele belangen zich tegen verstrekking van stuk 20 verzetten. EVT heeft weliswaar aangevoerd dat het TSM er alleen maar om is te doen om een procedure te starten tegen de certificering van de Spathoek, maar TSM kan het aanwenden van rechtsmiddelen tegen die beslissing niet worden ontzegd. Bovendien behoort het tot het risico van EVT dat zij in rechte kan worden betrokken door TSM, zeker nu het elkaars concurrenten betreft, die niet alleen actief zijn in dezelfde branche, maar ook omdat zij beiden een veerdienst tussen Harlingen en Terschelling onderhouden. De mogelijkheid dat EVT van een eventuele procedure nadeel zou ondervinden, betekent niet dat sprake zou zijn van onevenredige benadeling als gevolg van de openbaarmaking. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de AbRS-uitspraak van 1 december 2012 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BO5702). Ook overigens biedt hetgeen EVT heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat zij door openbaarmaking van stuk 20 onevenredig zal worden benadeeld. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat TSM nogmaals, in aanvulling op hetgeen TSM heeft toegezegd tijdens de zitting op 20 december 2011, in het kader van de behandeling van het verzoek van EVT met nummer AWB 11/2869, heeft toegezegd dat TSM geen leveranciers van materialen en apparatuur, verwerkt en opgenomen in de Spathoek, en investeerders in de Spathoek zal benaderen. EVT is er niet in geslaagd de voorzieningenrechter er van te overtuigen dat TSM deze toezeggingen geen gestand heeft gedaan of dat niet in de toekomst zal blijven doen. Overigens dient hier herhaald te worden dat stuk 20 geen merknamen bevat. Evenmin bevat dit stuk namen van investeerders in de Spathoek.

Het betoog dat stuk 20 geheim moet blijven in verband met het gestelde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob faalt derhalve.

9. De voorzieningenrechter is niet gebleken van andere, in de Wob genoemde, gronden die zich verzetten tegen de openbaarmaking van stuk 20.

10. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van EVT moet worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.

w.g. griffier

w.g. voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.