Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX1535

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
390761 - CV EXPL 12-3257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsperikelen bij de kantonrechter. Vraag of er sprake is van een consumentenkredietovereenkomst als bedoeld in artikel 7:57 e.v. BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 390761 \ CV EXPL 12-3257

vonnis van de kantonrechter in het bevoegdheidsincident d.d. 26 juni 2012

inzake

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

gemachtigde: mr. A.H.P. Roling (ARAG),

tegen

de besloten vennootschap

FRIESLAND BANK ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. B.W.G. van der Velden.

Partijen zullen hierna "[eiser 1] c.s." en "FBA" worden genoemd.

Procesverloop

1.1. [eiser 1] c.s. hebben bij dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair: voor recht verklaart dat FBA jegens [eiser 1] c.s. een onrechtmatige daad heeft begaan en FBA veroordeelt tot betaling aan [eiser 1] c.s. van een schadevergoeding van € 39.066,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair: voor recht verklaart dat FBA jegens [eiser 1] c.s. toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen en FBA veroordeelt aan [eiser 1] c.s. te betalen een schadevergoeding van € 39.066,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair: FBA veroordeelt in de kosten van het geding.

1.2. FBA heeft bij incidentele conclusie van FBA een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. [eiser 1] c.s. hebben een antwoordconclusie in het incident genomen.

1.3. Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

Motivering

De vaststaande feiten

In dit incident zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [eiser 1] c.s. hebben in 1998, aan de hand van een voorstel inzake een financierings-aanvraag, met Friesland Bank N.V. (hierna: Friesland Bank) een overeenkomst van geldlening onder hypothecaire zekerheid gesloten voor een bedrag van f 94.896,- (thans: € 43.061,93). [eiser 1] c.s. hebben in dat verband een onderhandse schuldbekentenis ondertekend.

2.2. Tevens hebben [eiser 1] c.s., op advies van FBA, een lijfrenteverzekering (door partijen aangeduid als beleggingsverzekering) gesloten bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V. (hierna te noemen: Delta Lloyd). De verzekering staat bekend onder de naam "Delta Life". [eiser 1] c.s. hebben van FBA een schriftelijke bevestiging van deze verzekering ontvangen d.d. 12 maart 1998, tezamen met de verzekeringspolis. De looptijd van de verzekering bedraagt 15 jaar. Deze eindigt per 20 maart 2013. Jaarlijks is er een inleg verschuldigd van f 7.398,- (thans: € 3.357,07). De totale inleg bedraagt daarmee € 50.365,05.

2.3. De inleg van de lijfrenteverzekering is voor 100% belegd in het Delta Lloyd Mix Fonds. Op 20 maart 2013 zal de in de verzekering opgebouwde waarde worden uitgekeerd.

2.4. Het bedrag van de geldlening van € 43.061,93 is bij Delta Lloyd in depot gestort en is belegd in het Delta Lloyd Investment Fund. De bedoeling is dat met het belegde depotbedrag voldoende rendement wordt gekweekt om de totale inleg van de lijfrenteverzekering te kunnen voldoen.

2.5. Het depot is sinds 13 juli 2009 leeg. Sinds 20 maart 2009 hebben [eiser 1] c.s. de beleggingsverzekering premievrij gemaakt.

2.6. [eiser 1] c.s. hebben op 7 augustus 2009 Friesland Bank aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser 1] c.s. lijden als gevolg van de gekozen beleggingsconstructie. FBA heeft haar aansprakelijkheid terzake betwist.

De standpunten van partijen in het incident

3.1. FBA heeft bij incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid aangevoerd dat de kantonrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het geding, nu de vorderingen van [eiser 1] c.s. een waarde vertegenwoordigen van

€ 39.066,73, terwijl de kantonrechter op grond van artikel 93 sub a Rv slechts bevoegd is om kennis te nemen van waardevorderingen tot een bedrag van € 25.000,-. De zaak dient daarom te worden verwezen naar de sector civiel recht van de rechtbank, onder veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van het incident, aldus FBA.

3.2. [eiser 1] c.s. hebben bij conclusie van antwoord in het incident aangevoerd dat de kantonrechter op grond van artikel 93 sub c Rv jo. artikel 3 Wck bevoegd is om te oordelen over krediettransacties waarbij de kredietsom onder het bedrag van € 40.000,- ligt. De vordering van [eiser 1] c.s. is lager dan dit bedrag, zodat het door FBA opgeworpen bevoegdheidsverweer moet worden verworpen, met veroordeling van FBA in de kosten van het incident.

De beoordeling in het incident

4.1. Uit artikel 93 sub c Rv vloeit voort dat de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende een kredietovereenkomst, als bedoeld in de Wck, met een kredietsom van ten hoogste € 40.000. Echter, de Wck is bij 'Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2000/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66)' met ingang van 25 mei 2011 gewijzigd en er is een nieuwe titel 2A 'consumentenkredietovereenkomsten' aan boek 7 BW toegevoegd. Bij de beoordeling van zijn bevoegdheid zal de kantonrechter artikel 2 lid 1 Wck zo lezen, alsof die wetsbepaling van toepassing is in de gevallen dat Titel 7:2A BW van toepassing is (m.n. artikel 7:57 en 7:58 BW). Voor de competentie van de kantonrechter betekent een en ander dat de kantonrechter bevoegd is in alle kredietzaken tot € 25.000,- en daarnaast in alle zaken met een kredietsom van € 40.000,-, waarbij het gaat om een kredietovereenkomst als bedoeld in Titel 7:2A BW.

4.2. Ingevolge artikel 7:57 lid 1 sub c BW wordt onder een consumentenkredietovereenkomst verstaan een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten respectievelijk goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt. Verder is in artikel 7:58 lid 2 aanhef en sub a bepaald dat titel 2A van Boek 7 BW niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een andere vergelijkbare zekerheid op een registergoed, dan wel door een recht op een registergoed tegen voor hypothecaire financiering door de betrokken kredietgever gebruikelijke voorwaarden.

4.3. Tegen deze achtergrond dient de vraag te worden beantwoord of er in het onderhavige geval sprake is van een consumentenkredietovereenkomst, als hiervoor bedoeld. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4. Er is hier naar het oordeel van de kantonrechter allereerst sprake van een kredietovereenkomst met een consument die valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 aanhef en sub a BW, nu de onderhavige kredietovereenkomst is gewaarborgd door een hypotheekrecht voor Friesland Bank. Daarnaast beloopt de verleende kredietsom een bedrag van meer dan € 40.000,-, reden te meer waarom de kredietovereenkomst niet onder de (hiervoor nader aangeduide) reikwijdte van artikel 93 sub c Rv valt. Daarnaast is naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige sprake van een samenstel van overeenkomsten - de kredietovereenkomst en de lijfrenteverzekering - waarbij de lijfrenteverzekering de meest kenmerkende overeenkomst is (in dit geval: "beleggen met geleend geld"). Het - op haar beurt eveneens belegde - krediet dient om de inleg voor de lijfrenteverzekering - die wordt belegd in participaties - te voldoen, waarna bij het einde van de verzekering de tegenwaarde van de aan de polis toegekende participaties aan de verzekerde wordt voldaan.

4.5. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat er geen sprake is van een vordering die voortspruit uit een kredietovereenkomst als bedoeld in artikel 93 sub c Rv. Uit dien hoofde is de kantonrechter derhalve niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser 1] c.s. De vordering moet dan ook worden aangemerkt als een "gewone waardevordering". Nu de vordering van [eiser 1] c.s. een bedrag van € 25.000,-- overstijgt, zal de kantonrechter zich ingevolge het bepaalde in artikel 72 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onbevoegd verklaren van de vordering kennis te nemen en de zaak op grond van het bepaalde in artikel 73 Rv ter verdere berechting verwijzen naar de sector civiel recht, afdeling handel, van de rechtbank te Leeuwarden in de stand waarin deze zich bevindt.

4.6. [eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incident worden verwezen.

Beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

5.1. verstaat dat de zaak behandeld dient te worden door de sector civiel recht, afdeling handel, van de rechtbank te Leeuwarden;

5.2. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van woensdag 11 juli 2012 te 10.00 uur van de sector civiel recht, afdeling handel;

5.3. verstaat dat ter zake griffierecht een bedrag van € 437,00 aan [eiser 1] c.s. reeds in rekening is gebracht en is voldaan;

5.4. wijst partijen er op dat zij voor wat betreft het vervolg van de procedure niet meer zelf proceshandelingen kunnen verrichten, maar dat zij zich hierbij door een advocaat moeten laten vertegenwoordigen;

5.5. veroordeelt [eiser 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van FBA vastgesteld op € 150,00 aan salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119