Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX1379

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
379684 CV EXPL 12-294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling geldsom. Geen vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Aan debiteur had eerder een deugdelijke specificatie van de openstaande vorderingen moeten worden verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/252

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 379684 CV EXPL 12-294

vonnis van de kantonrechter d.d. 11 juli 2012

inzake

de naamloze vennootschap DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr N.E. van Uitert.

Partijen zullen hierna De Friesland en [gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek,

- de akte zijdens De Friesland houdende uitlating producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In dit geding kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

[gedaagde] is door middel van een zogeheten basisverzekering bij De Friesland overeenkomstig de bepalingen van de Zorgverzekeringswet tegen ziektekosten verzekerd. Uit hoofde van deze verzekering is [gedaagde] jegens De Friesland premieplichtig.

De bepalingen van de Zorgverzekeringswet leggen de verzekerde een jaarlijks bedrag ter zake van verplicht eigen risico op in het geval dat deze gebruik maakt van de door de verzekering gedekte zorg.

Tussen partijen hebben eerder civiele procedures als de onderhavige gediend. Ook thans dient tussen hen nog een andere procedure, in welke eveneens heden vonnis wordt gewezen.

Het standpunt van De Friesland

3.1. De Friesland vordert in dit geding betaling van een bedrag ad € 533,76 in hoofdsom, vermeerderd met rente, tot 23 december 2011 berekend op € 26,67, en met buitengerechtelijke kosten ad € 178,50. De Friesland baseert haar vordering op de stelling dat [gedaagde] de nominale premies over de maanden januari, februari, mei en juni 2009 onbetaald heeft gelaten, evenals een tweetal bij wege van verplichte eigenrisicobedragen door [gedaagde] verschuldigde bedragen over het jaar 2009.

Reagerend op het verweer van [gedaagde] stelt De Friesland bij repliek het volgende. Naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van [gedaagde] heeft de gemachtigde van De Friesland deze op 9 september 2011 een opgave gezonden van de openstaande vorderingen. Daarbij zijn tevens specificaties van de gevorderde premieperioden gevoegd. Tijdens zijn bezoek op 25 mei 2010 aan Bos Incasso heeft [gedaagde] er geen blijk van gegeven dat hij niet wist waar de vordering op zag. Indien [gedaagde] niet begreep waarvoor hij werd aangeschreven had het op zijn weg gelegen hieromtrent bij De Friesland of bij Bos Incasso te informeren.

Bij haar akte houdende uitlating producties heeft De Friesland nog gesteld, dat de door [gedaagde] bij dupliek bedoelde brief van 26 mei 2008 en de door hem bedoelde dossiers niets van doen hebben met de onderhavige vordering. De Friesland begrijpt niet waarom de gemachtigde van [gedaagde] in haar brief van 8 september 2011 stelt dat haar gemachtigde niet heeft aangegeven op welke perioden de vorderingen van De Friesland betrekking hebben.

Het standpunt van [gedaagde]

3.2. [gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd. Daartoe stelt hij bij antwoord, dat in de bij de dagvaarding gevoegde sommaties niet is aangegeven waarop de vordering betrekking heeft. Het had op de weg van De Friesland gelegen om dat aan te geven, te meer omdat partijen in meerdere procedures verwikkeld waren en zijn. Het vermelden van dossiernummers is niet voldoende, aldus [gedaagde]. [gedaagde] wenst in de gelegenheid te worden gesteld om betalingsbewijzen in het geding te brengen.

Bij dupliek legt [gedaagde] een aantal stukken over en stelt hij vast dat De Friesland geen overzicht heeft verstrekt van verrichte betalingen. [gedaagde] heeft echter wel betalingen verricht. Bij zijn talloze telefonische contacten met De Friesland en met Bos Incasso heeft [gedaagde] telkens aangegeven dat hij door de bomen het bos niet meer zag. Tussen partijen is al jaren onduidelijkheid over premiebetalingen, hetgeen tot meerdere procedures heeft geleid. Op zijn verzoeken tot opheldering heeft [gedaagde] alleen sommaties ontvangen. [gedaagde] is van mening dat, nu De Friesland zelf niet exact voor ogen heeft welke vorderingen nog open staan, op grond van de hoofdregel "wie stelt bewijst" de vorderingen moeten worden afgewezen. Subsidiair concludeert [gedaagde] tot afwijzing van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

De beoordeling van het geschil

4.1. Het verweer van [gedaagde] kan niet leiden tot afwijzing van de door De Friesland gevorderde hoofdsom. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2. Anders dan (de gemachtigde van) [gedaagde] kennelijk meent, is het aan [gedaagde] om te stellen en zonodig te bewijzen dat hij geheel of gedeeltelijk aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. [gedaagde] slaat de plank mis indien hij uitgaat van de door hem bij dupliek bedoelde, maar niet bestaande hoofdregel. Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat de partij die zich beroept op door hem gestelde feiten of rechten de bewijslast daarvan draagt.

Omdat [gedaagde] een bevrijdend verweer heeft gevoerd – hij beroept zich immers op door hem verrichte betalingen – is het aan hem het verrichten van die betalingen aan te tonen. [gedaagde] heeft in deze procedure tot tweemaal toe – bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek – gelegenheid gehad tot het in het geding brengen van betalingsbewijzen. Hij heeft daarom zijn tegen de gevorderde hoofdsom gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd, zodat het moet worden verworpen. Aan (verdere) bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

4.3. Dat het [gedaagde] blijkbaar onduidelijk is waarover het in casu gaat, is een omstandigheid die, voorzover die onduidelijkheid de gevorderde hoofdsom betreft, geheel voor zijn rekening komt en die hij De Friesland niet kan tegenwerpen. Het moge weliswaar zo zijn dat bij [gedaagde], blijkbaar als gevolg van de omstandigheid dat De Friesland haar vorderingen periodiek aan haar incassogemachtigde, Bos Incasso, uit handen geeft en dat Bos Incasso vervolgens, bij het niet slagen van de incasso, de betreffende vorderingen op haar beurt overdraagt aan de procesgemachtigde van De Friesland, onduidelijkheid komt te bestaan over de perioden waarop de vordering ziet, maar voor de beoordeling van de al dan niet toewijsbaarheid van de gevorderde hoofdsom is dat niet van belang.

4.4. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel, dat de door De Friesland gevorderde hoofdsom kan worden toegewezen.

4.5. De verschuldigdheid van wettelijke rente over de hoofdsom is door [gedaagde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat ook de daarop ziende nevenvordering toewijsbaar is.

4.6. Ten aanzien van de nevenvordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt als volgt overwogen. Anders dan hierboven bij 4.3 ten aanzien van de gevorderde hoofdsom is overwogen, is het aan De Friesland, althans aan haar (incasso)gemachtigde om, indien een debiteur verzoekt om duidelijkheid – dat [gedaagde] dit talloze malen heeft gedaan, zoals hij heeft gesteld, is door De Friesland onvoldoende gemotiveerd betwist –, deze duidelijkheid aan de debiteur te verschaffen. Uit de in dit geding overgelegde producties kan niet anders worden afgeleid dan dat de eerste deugdelijke specificatie van de openstaande vorderingen (aan de gemachtigde van [gedaagde] op haar verzoek) is verstrekt op 9 september 2011.

Dat De Friesland haar vorderingen gefaseerd ter incasso uit handen geeft, is een omstandigheid die [gedaagde] op geen enkele wijze regardeert. [gedaagde] behoeft daarvan geen (financieel) nadeel te ondervinden. Ditzelfde geldt ten aanzien van de wijze waarop de gemachtigden van De Friesland met deze (deel)vorderingen omgaan. Juist in omstandigheden als de onderhavige – het bestaan van diverse (deel)vorderingen – is het verstrekken van voldoende informatie aan de debiteur noodzakelijk.

Geoordeeld wordt daarom, dat aan De Friesland, hoewel vast staat dat de incassogemachtigde van De Friesland buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, geen vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten laste van [gedaagde] toekomt. De daarop ziende vordering wordt daarom afgewezen.

4.7. Ten slotte is de kantonrechter van oordeel, dat, nu deze procedure noodzakelijk is geworden als gevolg van het betalingsgedrag van [gedaagde] en voorts omdat [gedaagde] als de voor het merendeel in het ongelijk te stellen partij moet worden beschouwd, [gedaagde] in de kosten van het geding moet worden veroordeeld.

De proceskosten aan de zijde van De Friesland worden begroot op:

- explootkosten € 90,64

- overige kosten € 7,-

- griffierecht € 437,-

- salaris gemachtigde € 200,- (2 punten x tarief € 100,-)

totaal € 734,64.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan De Friesland van een bedrag groot € 560,43 (zegge: vijfhonderdzestig euro en drieënveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 533,76 vanaf 23 december 2011 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan zijde van De Friesland begroot op € 734,64;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 37