Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX1354

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
382314 CV EXPL 12-704
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Concentratie van verweer, in persoon procederende partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 382314 CV EXPL 12-704

vonnis van de kantonrechter d.d. 4 juli 2012

inzake

de vennootschap onder firma MEDIA INNOFAITH,

gevestigd te Alkmaar,

eiseres,

gemachtigde: Swier c.s. Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde],

wonende en zaakdoende te [woonplaats],

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna Media Innofaith en [eiser]worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek,

- de rolbeschikking van 23 mei 2012,

- de akte na rolbeschikking zijdens Media Innofaith.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

Het standpunt van Media Innofaith

2. Media Innofaith vordert in dit geding betaling van een bedrag ad € 354,62 in hoofdsom, vermeerderd met rente, tot 17 januari 2012 berekend op € 11,88, en met buitengerechtelijke kosten ad € 75,-. Media Innofaith baseert haar vordering op de stelling dat zij met [eiser]een overeenkomst heeft gesloten, inhoudende het in opdracht en voor rekening van [eiser]plaatsen van bedrijfsgegevens van [eiser]op de website Bedrijvenbranche.nl, en dat [eiser]het bedrag van de hem op 11 januari 2011 toegezonden factuur onbetaald heeft gelaten.

Reagerend op het verweer van [eiser]stelt Media Innofaith bij repliek het volgende. Op de geluidsopname, welke Media Innofaith als productie overlegt, is duidelijk te horen dat [eiser]opdracht verstrekt voor de vermelding op de website. [eiser]heeft tijdens dat gesprek nimmer aangegeven niet akkoord te willen gaan en hij heeft ook niet getracht het gesprek te onderbreken. De hem door Media Innofaith gestelde vragen heeft [eiser]bevestigend beantwoord. Blijkens de opname bestond er bij [eiser]de wil om een overeenkomst met Media Innofaith te sluiten. Voorzover zich verwarring bij [eiser]heeft voorgedaan is die niet aan Media Innofaith te wijten, nu zij zich niet in andere hoedanigheid heeft voorgedaan. Van omstandigheden die een geslaagd beroep door [eiser]op dwaling rechtvaardigen is volgens Media Innofaith niet gebleken.

Bij haar akte na rolbeschikking stelt Media Innofaith primair dat [eiser]handelt in strijd met artikel 128 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Subsidiair stelt zij dat de door [eiser]overgelegde afdruk geen bewijs oplevert van zijn stelling dat de vermel-ding niet op de website heeft gestaan omdat deze de door [eiser]bedoelde zoekterm niet bevat. Media Innofaith stelt dat zij de vermelding van [eiser]heeft gereactiveerd en zij legt een afdruk van de webpagina waarop de gegevens van [eiser]zichtbaar zijn.

Het standpunt van Ten Berge

3. Bij antwoord heeft [eiser]zich verweerd met de stelling dat hij Media Innofaith geen opdracht heeft verstrekt en dat hij geen overeenkomst met Media Innofaith heeft gesloten. Volgens [eiser]bestond het eerste contact met Media Innofaith uit het door Media Innofaith toezenden van haar factuur. Aan de deurwaarder heeft [eiser]toezending van een geluidsopname gevraagd. Van de opname herinnert [eiser]zich niets. Volgens [eiser]is hij slachtoffer geworden van een opdringerig bedrijf dat heeft geprobeerd hem op een brutale manier een abonnement te verkopen.

Bij dupliek handhaaft [eiser]zijn verweer. Hij voegt daaraan toe, dat op de geluidsopname niet is te horen dat hij een overeenkomst sluit. [eiser]betwist de betrouwbaarheid van de opname. Indien het bestaan van een overeenkomst wordt aangenomen betwist [eiser]dat Media Innofaith aan haar verplichtingen uit die overeenkomst heeft voldaan. [eiser]legt een afdruk van de website van Media Innofaith over. Op 8 februari 2012, dus voor het einde van de overeenkomst op 10 februari 2012, kon er geen vermelding van [eiser]worden gevonden.

De beoordeling van het geschil

4.1. De kantonrechter verwerpt het door Media Innofaith bij akte na rolbeschikking primair gedane beroep op het bepaalde bij artikel 128, derde lid, Rv. Weliswaar heeft Ten Berge, door bij conclusie van dupliek een nieuw verweer op te werpen, niet voldaan aan de bij voormeld wetsartikel bedoelde bepaling betreffende het concentreren van verweer, maar van Ten Berge, zijnde een in persoon procederende natuurlijke persoon, behoeft in redelijkheid niet te worden verwacht dat hij bekend is met het aan het voeren van verweer verbonden vereiste van het concentreren daarvan bij conclusie van antwoord. Daar komt bij, dat Media Innofaith door de kantonrechter bij vorenbedoelde rolbeschikking in de gelegenheid is gesteld om op dat nieuwe verweer te reageren en dat zij van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt.

4.2. Het door [eiser]gevoerde verweer leidt niet tot afwijzing van de gevorderde hoofdsom. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3. [eiser]heeft betwist dat hij met Media Innofaith een overeenkomst heeft gesloten. Uit hetgeen hij heeft gesteld leidt de kantonrechter af, dat [eiser]voornamelijk heeft bedoeld te stellen dat het door Media Innofaith bedoelde telefoongesprek, waarvan deze een geluidsopname in het geding heeft gebracht, niet heeft plaatsgehad.

De kantonrechter verwerpt dat verweer. Nadat Media Innofaith de geluidsopname – die door de kantonrechter is beluisterd – had overgelegd, heeft [eiser]onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij de persoon is die in het betreffende gesprek antwoord geeft op de hem gestelde vragen. Van enige reactie zijdens [eiser]die er op zou kunnen wijzen dat [eiser]niet de wil had een overeenkomst met Media Innofaith te sluiten is niet gebleken. Dat [eiser]het slachtoffer is geworden van een opdringerig bedrijf dat heeft geprobeerd hem een abonnement te verkopen, zoals hij heeft gesteld, is op geen enkele wijze gebleken. Ook al mocht bij Ten Berge, zoals hij in de door hem overgelegde brief van 24 mei 2011 aan de gemachtigde van Media Innofaith gerichte brief heeft aangegeven, verwarring zijn ontstaan betreffende de aanbieder van de hem geleverde diensten, dan nog kan [eiser]dat bezwaarlijk aan Media Innofaith tegenwerpen. Dat Media Innofaith zich niet in andere hoedanigheid heeft voorgedaan is door [eiser]niet weersproken. Ten slotte is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan [eiser]een gerechtvaardigd beroep op dwaling kan doen.

Uitgangspunt bij de beoordeling is daarom het bestaan tussen partijen van de door Media Innofaith gestelde overeenkomst.

4.4. Dit zo zijnde moet thans het subsidiaire, door [eiser]bij dupliek opgeworpen verweer worden besproken. Dit verweer komt er op neer, dat Media Innofaith niet heeft voldaan aan de voor haar uit de gesloten overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot plaatsing.

4.5. [eiser]heeft daartoe aangevoerd, dat hij, kort gezegd, op 8 februari 2012, dus voor het einde van de overeenkomst op 10 februari 2012, gebruikmakend van de zoekterm "[woonplaats]", de gegevens van zijn bedrijf niet op de website van Media Innofaith heeft kunnen vinden. Media Innofaith heeft er, ter weerlegging van dit verweer, op gewezen dat op de door [eiser]overgelegde afdruk niet te zien is met welke zoekterm [eiser]de op die afdruk vermelde resultaten heeft verkregen.

4.6. Deze weerlegging snijdt hout. Op geen enkele wijze is uit de door [eiser]overgelegde afdruk de door hem gebruike zoekterm af te leiden. De afdruk kan daarom niet tot bewijs van zijn stelling dienen. Ander bewijs is door [eiser]niet aangeboden, zodat zijn desbetreffende verweer moet worden verworpen.

4.7. Een en ander leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom.

4.8. Tegen de vorderingen tot vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten is door [eiser]niet op zelfstandige gronden verweer gevoerd, zodat ook deze kunnen worden toegewezen.

4.9. [eiser]moet als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van Media Innofaith worden begroot op:

- explootkosten € 76,17

- overige kosten € 7,50

- griffierecht € 109,-

- salaris gemachtigde € 120,- (2 punten x tarief € 60,-)

totaal € 312,67.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [eiser]tot betaling aan Media Innofaith van een bedrag groot € 441,50 (zegge: vierhonderdeenenveertig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 354,62 vanaf 17 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [eiser]in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan zijde van Media Innofaith begroot op € 312,67;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 37