Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BX1296

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
370219 - CV EXPL 11-7901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Goed hulpverlenerschap. Ontbreken causaal verband tussen het vermeende onrechtmatig handelen en de door [eiser] gestelde schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 171
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 370219 \ CV EXPL 11-7901

vonnis van de kantonrechter d.d. 29 juni 2012

inzake

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.R. Gans,

tegen

de stichting

STICHTING ZORGGROEP NOORDERBREEDTE,

gevestigd te Leeuwarden,

F. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te Goutum,

K. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te Goutum,

gedaagden,

gemachtigde: mr. A.H. Wijnberg,

Partijen zullen hierna [eiser] en Zorggroep Noorderbreedte c.s. worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2. [eiser] is tot aan zijn pensionering werkzaam geweest in het Medisch Centrum Leeuwarden, hierna te noemen MCL. Het MCL was onderdeel van Stichting Zorggroep Noorderbreedte.

2.3. [eiser] was als KNO-arts werkzaam in maatschapverband. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren eveneens werkzaam als KNO-arts en maakten net als [eiser] deel uit van de maatschap. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maken daarnaast deel uit van een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen het MCL en het UMCG met de naam 'Werkgroep Hoofd/Halsoncologie', verder te noemen het Hoofd/Hals-team. [eiser] maakte geen deel uit van dat team.

2.4. Patiënt [A] is in juli 2005 door [gedaagde sub 1] onderzocht. [gedaagde sub 1] heeft toen de diagnose (poliepen) bij [A] gemist. Begin oktober is [A] door de huisarts doorverwezen naar [eiser]. [A] heeft [eiser] op 10 oktober 2005 bezocht. [eiser] heeft biopten afgenomen die aan het laboratorium zijn aangeboden zonder "HH" kenmerk. Op 15 november 2005 heeft hij voor diagnostisch onderzoek onder algehele narcose weefsel weggenomen.

2.5. [eiser] heeft een adenocarcinoom (een kwaadaardig gezwel) van het rechtergedeelte van de neus vastgesteld. Hij heeft op 23 november 2005 met [A], besproken dat het weefsel niet goed was en dat advies zou worden gevraagd aan het Hoofd/Hals-team. [eiser] heeft verder met [A] afgesproken -op grond van de peroperatieve bevindingen- dat vooralsnog gekozen zou worden voor een expectatief "watch and scan"-beleid. Dit hield in dat een controleafspraak zou plaatsvinden op een termijn van acht weken, op 23 januari 2006.

2.6. Op 13 december 2005 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A], [gedaagde sub 1] en de klachtenfunctionaris van het MCL, naar aanleiding van de door [A] tegen [gedaagde sub 1] ingediende klacht wegens de gemiste diagnose. [gedaagde sub 1] heeft [A] op die dag medegedeeld dat hij nabehandeld moest worden.

2.7. [A] heeft op 14 december 2005 geprobeerd om telefonisch contact op te nemen met [eiser]. [A] heeft hierna op een zeker moment telefonisch contact gehad met [gedaagde sub 2]. Op 15 december 2005 is [A] op het spreekuur geweest van [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] heeft aan [A] gevraagd om een afspraak te maken voor een MRI-scan op 16 december 2005.

2.8. [A] is op 27 december 2005 opnieuw geopereerd, omdat uit de MRI-scan was gebleken dat er nog weefsel aanwezig was waarvan niet duidelijk was of dit kwaadaardig was. [eiser] is niet geïnformeerd over de operatieve behandeling.

2.9. [A] heeft op 17 september 2006 een klacht tegen (onder meer) [eiser] ingediend bij de klachtencommissie van het MCL. Deze klacht is voor zover het [eiser] betrof ongegrond verklaard.

2.10. [A] heeft vervolgens een klacht tegen [eiser] ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege.

2.11. [eiser] heeft op 9 november 2007 een brief aan het Regionaal Tuchtcollege gestuurd. Hierin staat voor zover relevant vermeld dat al op 10 oktober 2005 het 'niet pluis' gevoel aanwezig was en dat zijn uitgangspunt in deze situaties is dat de patiënt een maligniteit heeft totdat het tegendeel is bewezen.

2.12. Het Regionaal Tuchtcollege heeft op 18 november 2008 de klacht (deels) gegrond verklaard. Voor zover van belang heeft het Regionaal Tuchtcollege het volgende overwogen.

"(…) Het College is (…) van oordeel dat verweerder ([eiser] -toevoeging rechtbank) als behandelend specialist, nadat de diagnose adenocarcinoom was gesteld, is tekortgeschoten in zijn voorlichtende taak ten opzichte van klager over het verdere traject en tevens in de regie ten opzichte van de betrokken collega-artsen. In zijn brief aan de huisarts na de diagnose geeft verweerder aan dat hij het endoscopisch beeld van de neus in de tijd zal volgen en dat controle zal plaatsvinden na de feestdagen. Ook geeft hij aan dat hij klager in de hoofd-halsbespreking zal brengen ter advisering. Hieruit kan niet duidelijk worden opgemaakt dat klager als patiënt wordt overgedragen aan dokter [gedaagde sub 2] voor verdere behandeling, zodat verweerder formeel nog steeds als hoofdbehandelaar gezien kan worden. Klager heeft dit ook zo begrepen. (…) Verweerder had klager, maar ook de betrokken collega-artsen, duidelijk moeten maken wie de regie over het verdere verloop van de behandeling had en dit goed met klager en zijn collega's moeten communiceren. Vooral in een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van twee ziekenhuizen en verschillende artsen, is communicatie met de patiënt, maar ook met de collega-artsen, essentieel. (…) Het College acht het klachtenonderdeel dat de communicatie slecht is verlopen gegrond (…)

2.13. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege heeft op 16 februari 2010 beslist en voor zover relevant het volgende overwogen.

"(…)Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de arts ([eiser] -toevoeging rechtbank) onder de hiervoor geschetste omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het tekortschieten in de communicatie met klager en in het intercollegiale overleg. De arts, die in overleg met [gedaagde sub 2] een expectatief beleid volgde, had ervan uit mogen gaan dat hij door zijn collegae, met wie hij sinds vele jaren in goede verstandhouding en vertrouwen samenwerkte, hem met hun afwijkende bevindingen op de hoogte zouden hebben gesteld, zodat een en ander met klager afgestemd had kunnen worden. Nu zijn collegae de regie over de behandeling van klager zonder de arts daarover te informeren hebben overgenomen, kan de arts ook niet worden verweten dat hij niet duidelijk over de regievoering heeft gecommuniceerd."

2.14 [A] heeft op 29 juni 2007 een brief geschreven waarin voor zover van belang staat vermeld: "Bovendien heeft hij mij niet verteld dat hij mij zou overdragen aan het Hoofd-Hals team. (…)"

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] vordert -samengevat- dat Zorggroep Noorderbreedte c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, des dat de een betalend de ander tot het beloop van de betaling zal zijn bevrijd, aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.524,30 vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

3.2. [eiser] legt de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag. Volgens [eiser] heeft hij in medisch opzicht alleszins verantwoord gehandeld door op 10 oktober 2005 blinde biopten (zonder "HH" kenmerk) af te nemen. Er was namelijk geen ernstige verdenking op maligniteit. Op 23 november 2005 heeft [eiser] voor het laatst contact gehad met [A]. Voordien, noch nadien (in ieder geval tot 13 december 2005) is geen sprake geweest van enige verstoorde verhouding tussen [eiser] en [A]. [eiser] heeft [gedaagde sub 2] op 23 november 2005 geïnformeerd en met hem overleg gehad over het voeren van expectatief beleid. [gedaagde sub 2] heeft het dossier meegenomen ter verdere bespreking in het Hoofd/Hals-team. Gezien deze met [gedaagde sub 2] namens het Hoofd/Hals-team gemaakte afspraak is [eiser] er van uitgegaan -en mocht hij ervan uitgaan- dat hij door [gedaagde sub 2] of een van de anderen van het Hoofd/Hals-team omtrent de verdere gang van zaken zou worden geïnformeerd. Op 12 december 2005 moet het met [gedaagde sub 2] besproken beleid in het Hoofd/Hals-team zijn gewijzigd. Dit blijkt uit hetgeen [gedaagde sub 1] daags daarop aan [A] heeft medegedeeld, namelijk dat binnen het Hoofd/Hals-team zou zijn besloten tot heroperatie en bestraling. Alhoewel deze mededeling voortijdig was en van een definitieve beslissing nog geen sprake was, is het deze mededeling geweest die [A] boos heeft gemaakt. Het is deze mededeling die de directe aanleiding is geweest voor de verder door hem genomen (klacht- en tuchtrechterlijke) stappen. [A] heeft naar aanleiding hiervan op 14 december 2005 telefonisch contact opgenomen. [eiser] had het medisch dossier niet meer onder zich, hetgeen reden voor de secretaresse is geweest om ervoor te zorgen dat [gedaagde sub 2] telefonisch contact zou hebben met [A]. [gedaagde sub 2] heeft dit ook gedaan, hetgeen bevestigt dat toen al sprake is geweest van overdracht van het medisch dossier. [eiser] is er niet van op de hoogte gesteld dat [A] had gebeld. Hij is er evenmin van op de hoogte gebracht dat op 19 en 21 december 2005 het definitieve besluit is genomen binnen het Hoofd/Hals-team om tot operatie over te gaan. Op 27 december 2005, de dag van de heroperatie, heeft vervolgens de toevallige ontmoeting plaats gevonden tussen [eiser] en [A], waaruit [eiser] voor het eerst heeft moeten constateren dat [gedaagde sub 2] heeft besloten tot een wijziging van het behandelbeleid. Achteraf is geconstateerd dat voor deze operatie geen medische noodzaak bestond. Als [gedaagde sub 2] van te voren contact had gehad met [eiser] dan zou hij zonder meer aan de orde hebben gesteld of hier wel een noodzaak toe bestond. Deze mogelijkheid is hem ontnomen.

3.3. [eiser] stelt dat in artikel 7:453 BW is bepaald dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de zorg van een goed hulpverlener in acht moeten nemen. Zij moeten handelen als goed hulpverlener in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hadden [A] op de juiste wijze moeten informeren, onder meer over het feit dat zij de behandeling hadden overgenomen. Zij hebben dat niet gedaan. Deze normschending jegens [A] brengt mee dat zij ook een norm jegens [eiser] hebben geschonden.

Volgens [eiser] is in de gedragsregels (van de Koninklijke Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunde, verder te noemen het KMG) het begrip "de zorg van een goed hulpverlener" nader uitgewerkt. Deze gedragsregels zijn tevens van toepassing op de relatie arts/collegae. De arts dient ten opzichte van collegae bereid te zijn tot openheid en communicatie. Volgens [eiser] is het handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in strijd met de hiervoor genoemde norm(en) en aldus in strijd met hetgeen van hen als redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener zou mogen worden verwacht. Ook afgezien van voornoemde norm is hun handelwijze in het algemeen strijdig met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus als onzorgvuldig te kwalificeren. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verzuimd om [eiser] en [A] op juiste wijze te informeren. Hiermee hebben zij [eiser] de mogelijkheid ontnomen om tijdig in te grijpen. Volgens [eiser] blijkt uit de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege dat van zijn kant geen sprake is van onjuist handelen, maar dat hij enkel door [A] tuchtrechtelijk is aangesproken voor fouten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet gehandeld zoals van een mede-maat had mogen worden verwacht. De verhouding tussen maten wordt bepaald door een vergaande redelijkheid- en billijkheidsnorm. Maten moeten elkaar kunnen vertrouwen. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake geweest.

3.4. Volgens [eiser] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehandeld in hun hoedanigheid van leden van het Hoofd/Hals-team. Stichting Noorderbreedte is voor hun handelen (mede) verantwoordelijk op grond van het bepaalde in artikel 6:171 BW. [A] is namelijk overgenomen als patiënt door het Hoofd/Hals-team en niet door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als mede-maten. De directies van de twee ziekenhuizen zijn een formeel samenwerkingsverband aangegaan. Dit brengt mee dat sprake is van een functioneel verband zoals in artikel 6:171 BW is vereist.

3.5. Volgens [eiser] dienen de door hem gemaakte kosten van juridische bijstand te worden vergoed. Hij is in een tuchtrechtelijke procedure beland door fouten die zijn gemaakt door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Er is sprake van reputatie[eiser]. In zijn 32-jarige loopbaan is [eiser] nimmer in aanraking geweest met het medisch tuchtrecht. [eiser] heeft er veel tijd en energie aan moeten besteden om zijn reputatie middels de tuchtrechtelijke procedure te herstellen. Er is sprake van schending van zijn eer en goede naam, hetgeen een immateriële [eiser]vergoeding rechtvaardigt, aldus nog steeds [eiser]. De declaraties van Rotshuizen en Geense bedragen € 11.334,30, de overige [eiser] bedraagt € 10.000,00 en de kosten voor juridische bijstand bedragen € 1.190,00. De totale [eiser] bedraagt EUR 22.524,30.

Het standpunt van Zorggroep Noorderbreedte c.s.

3.6. Zorggroep Noorderbreedte c.s. verweert zich kort gezegd als volgt. Volgens Zorggroep Noorderbreedte c.s. heeft [eiser] niet tijdig onderkend dat er sprake was van maligniteit en heeft hij verzuimd patiënt [A] over te dragen aan het Hoofd/Halsteam. Hij heeft interne afspraken met het Hoofd/Halsteam genegeerd door bij de eerste weefselafname niet op het aanvraagformulier het kenmerk "HH" te vermelden. De bij [eiser] bekende werkwijze van het Hoofd/Hals-team is namelijk aldus dat, in het geval gedacht wordt aan maligniteit, bij weefselafname het kenmerk "HH" wordt vermeld. De patholoog brengt in dat geval direct de diagnose in, zonder tussenkomst van de behandelend arts, in de eerstvolgende bespreking van het Hoofd/Hals-team. Iedere behandelaar die een patiënt inbrengt bij het Hoofd/Hals-team weet dat bij maligniteit de behandeling wordt overgenomen/voorgezet door het Hoofd/Hals-team. De stelling van [eiser] dat niet gedacht behoefde te worden aan maligniteit staat haaks op hetgeen hij in zijn brief van 9 november 2007 aan de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege heeft geschreven. [eiser] heeft verder ten onrechte voorgesteld en genoteerd in zijn dossier dat het beleid expectatief zou zijn. [gedaagde sub 2] heeft hierover met hem geen afspraken gemaakt. Zorggroep Noorderbreedte c.s. betwist dat het dossier op 23 november 2005 al is overgenomen door het Hoofd/Hals-team. [eiser] heeft slechts verteld dat hij het dossier ter advisering zou inbrengen in het Hoofd/Hals-team. [eiser] was op dat moment -ook in de ogen van [A]- nog steeds hoofdbehandelaar. [gedaagde sub 1] heeft op 13 december 2005 aan [A] medegedeeld, op basis van de laboratoriumuitslagen die bij hem bekend waren, dat hij nabehandeld diende te worden. [eiser] heeft niet het 'alleen recht' om informatie te verschaffen. De status/het medisch dossier van een patiënt wordt bewaard op het secretariaat. Dat [eiser] het dossier op 14 december 2005 fysiek niet onder zich had brengt dan ook niet mee dat hij geen hoofdbehandelaar meer was. Als het zo is dat hij het dossier wel had overgedragen aan het Hoofd/Hals-team, dan had [eiser] dat moeten communiceren richting [A] en richting [gedaagde sub 2]. [eiser] heeft dit niet gedaan, hetgeen blijkt uit de brief van 29 juni 2007 van [A] waarin hij vermeldt dat hem niet is verteld dat hij is overgedragen aan het Hoofd/Hals-team. [gedaagde sub 2] daarentegen heeft [A] op 14 december 2005 medegedeeld dat hij de behandeling van [eiser] overnam. Nadat [gedaagde sub 2] de behandeling had overgenomen behoefde hij [eiser] niet meer te informeren. Hij maakte namelijk geen deel uit van het Hoofd/Hals-team.

[A] had goede reden om te klagen over [eiser]. Dat [A] boos zou zijn geworden op 13 december 2005 en daardoor stappen zou hebben ondernomen is suggestief. Dat [eiser] ten onrechte is aangesproken voor fouten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] snijdt evenmin hout, aldus nog steeds Zorggroep Noorderbreedte c.s. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn niet betrokken geweest bij de beide tuchtprocedures. Zij zijn dan ook niet bekend met de standpunten die zijn uitgewisseld en zij zijn evenmin in die procedure gehoord. Dat brengt mee dat aan de uitspraak geen bewijskracht toekomt en de 'veroordeling' van het Centraal Tuchtcollege van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is gezien het vorenstaande ongehoord.

3.7. Zorggroep Noorderbreedte c.s. betwist dat sprake is geweest van enig onzorgvuldig of onrechtmatig handelen van haar zijde. [gedaagde sub 2] heeft met zijn handelen het falen van [eiser] zelfs gedekt. Het lag op de weg van [gedaagde sub 2] om als lid van het Hoofd/Halsteam de behandeling van [eiser] over te nemen. [eiser] wist, althans behoorde te weten dat bij maligniteit het Hoofd/Halsteam als hoofdbehandelaar optreedt. Zijn verongelijktheid over de overname is dan ook ongepast en oncollegiaal.

3.8. Volgens Zorggroep Noorderbreedte c.s. is artikel 7:453 BW niet van toepassing, nu dit artikel expliciet in het leven is geroepen ter versterking van de positie van de patiënt. De geschonden norm strekt niet tot bescherming van (het belang van) [eiser]. Daarnaast ontbreekt het causaal verband tussen de handelwijze van Zorggroep Noorderbreedte c.s. en de door [eiser] gepretendeerde [eiser]. [A] heeft een tuchtklacht ingediend tegen [eiser] en [eiser] heeft zelf besloten zich te laten bijstaan door een advocaat. Zorggroep Noorderbreedte c.s. heeft geen enkele inhoudelijke bemoeienis gehad met de inhoudelijke processuele punten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben juist zeer zorgvuldig jegens [eiser] gehandeld door de correcte behandeling van [A] te bevorderen en [A] tijdig en zorgvuldig te informeren, daar waar [eiser] dat zelf heeft nagelaten.

3.9. Zorggroep Noorderbreedte ontkent aansprakelijk te zijn op grond van het bepaalde in artikel 6:171 BW. Van onrechtmatig handelen van de "niet ondergeschikten" van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is geen sprake. Verder is geen sprake van een relatie tussen (het bestuur) van Zorggroep Noorderbreedte en de leden van het Hoofd/Halsteam in de zin van een reguliere verhouding opdrachtgever en opdrachtnemer/niet-ondergeschikte. Het functioneren van een bepaald team op medisch gebied is in de kern namelijk geen zaak voor of van het bestuur van Zorggroep Noorderbreedte. Het bestuur kan ook geen invloed uitoefenen op het in een dergelijk team medisch inhoudelijk beleid.

3.10. Tot slot betwist Zorggroep Noorderbreedte c.s. de [eiser]. Het medisch tuchtrecht kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. Verder is niet inzichtelijk gemaakt op welke gronden de rechtsbijstand ruim € 11.000,-- zou hebben moeten bedragen. De niet door [eiser] onderbouwde reputatie[eiser] wordt eveneens betwist. Dat [eiser] nimmer in aanraking is geweest met het medisch tuchtrecht is onjuist. Er is eerder sprake geweest van klachten en aansprakelijkheidskwesties.

De beoordeling van het geschil

4.1. In het onderhavige geschil liggen de volgende vragen ter beantwoording voor. Allereerst dient beoordeeld te worden of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onzorgvuldig dan wel onjuist hebben gehandeld jegens [eiser] door [eiser] en [A] niet op de juiste wijze te informeren. Voorts dient de vraag beantwoord te worden of [eiser] enkel door voornoemde fouten door [A] tuchtrechtelijk is aangesproken en of Zorggroep Noorderbreedte c.s. op grond van het vorenstaande aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde [eiser].

4.2. De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat het door [eiser] gedane beroep op artikel 7:453 BW faalt, nu de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, waarvan voornoemd artikel onderdeel uitmaakt, regelgeving betreft met betrekking tot de overeenkomst tussen een hulpverlener en een opdrachtgever (patiënt), waarbij de hulpverlener zich verbindt tot handelingen op het gebied van de geneeskunst. Deze wet is tot stand gekomen ter verbetering van de positie van de patiënt en verplicht de arts de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Dat het KMG in haar gedragsregels een nadere invulling heeft gegeven aan het begrip "de zorg van een goed hulpverlener" doet aan het vorenstaande niet af.

4.3. Op grond van het voorstaande ligt slechts ter beoordeling voor of Zorggroep Noorderbreedte c.s. aansprakelijk is op grond van een door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] gepleegde onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW juncto artikel 6:171 BW). Van een onrechtmatige daad is sprake indien komt vast te staan dat door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] is gehandeld in strijd met hetgeen volgens regels van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij de invulling van voornoemde norm kunnen de gedragregels van het KMG, waarvan onbetwist is gesteld dat deze ook in de verhouding tussen artsen gelden, als maatstaf worden betrokken.

4.4. De kantonrechter stelt als niet door [eiser] betwist vast dat de werkwijze van het Hoofd/Hals-team aldus is dat in het geval van verdenking op maligniteit het Hoofd/Hals-team in de behandeling wordt betrokken en dat dit team bij maligniteit de behandeling overneemt of voortzet. Los van de vraag of [eiser] bij de eerste weefselafname na het consult op 10 oktober 2005 al het "HH" kenmerk had moeten vermelden, was het [eiser] gezien de werkwijze van de Hoofd/Hals-groep bekend, althans behoorde bij hem bekend te zijn, dat het Hoofd/Hals-team bij maligniteit de behandeling zou overnemen. Verder kan blijkens -onder meer- de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege als vaststaand worden aangenomen dat [A] na 23 november 2005 nog in de veronderstelling verkeerde dat [eiser] als hoofdbehandelaar diende te worden aangemerkt en dat hij gegriefd was omdat hem niet bekend was dat [gedaagde sub 2] namens het Hoofd/Hals-team de behandeling had overgenomen. Naar het oordeel van de kantonrechter was het evenwel in de eerste plaats aan [eiser], die er gezien het beleid van het Hoofd/Hals-team rekening mee moest houden dat het Hoofd/Hals-team de behandeling in het geval van maligniteit zou overnemen, om [A] tijdens het gesprek op 23 november 2005, tijdens welk gesprek -volgens zijn stelling- [gedaagde sub 2] namens het Hoofd/Hals-team aanwezig was, voldoende te informeren over de mogelijke gevolgen van het inschakelen van het Hoofd/Hals-team. Of het Hoofd/Hals-team al op 23 november 2005 als hoofdbehandelaar diende te worden aangemerkt of pas op 14 december 2005 is dan ook niet relevant. De stelling van [eiser] dat hij op 23 november 2005 met [gedaagde sub 2] had afgesproken dat pas op 23 januari 2006 een controleafspraak zou plaatsvinden en dat hij niet bedacht behoefde te zijn op een wijziging van het behandelbeleid acht de kantonrechter gezien het vorenstaande, alsmede in het licht van de gemotiveerde betwisting van Zorggroep Noorderbreedte c.s., onvoldoende onderbouwd. Vaststaat namelijk dat de situatie van [A] op 23 november 2005 nog in het Hoofd/Hals-team moest worden besproken en [eiser] diende er dan ook rekening mee te houden dat mogelijk zou worden afgeweken van het door hem ingezette expectatieve beleid. Weliswaar is door het Centraal Tuchtcollege overwogen dat [eiser] ervan uit had mogen gaan dat hij door zijn collegae ([gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] -toevoeging rechtbank) over hun afwijkende bevindingen zou worden geïnformeerd, maar het enkele feit dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verzuimd om [eiser] over de wijziging van het behandelbeleid te informeren, brengt nog niet mee dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hiermee jegens [eiser] de grens van het betamelijke hebben overschreden en dat zij hierdoor in strijd hebben gehandeld met hetgeen volgens regels van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat het uit het oogpunt van collegialiteit -en wellicht in strijd met de gebruikelijke werkwijze van het Hoofd/Hals-team- op de weg had gelegen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om [eiser] halverwege december 2005 over het gewijzigde beleid te informeren, is hiervoor onvoldoende. Nu naar het oordeel van de kantonrechter niet is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld, dient de vordering alleen hierom al te worden afgewezen. Daar komt echter nog bij dat evenmin is komen vast te staan dat causaal verband bestaat tussen het vermeende onrechtmatig handelen en de door [eiser] gestelde [eiser]. De vaststaande feiten laten immers geen andere conclusie toe dan dat zowel het door het Centraal Tuchtcollege vastgestelde tekortschieten van [eiser] in de communicatie jegens [A] als het nalaten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om [eiser] op de hoogte te brengen van hun afwijkende bevindingen meebrengen dat van een algehele miscommunicatie richting [A] sprake is geweest. De stelling van [eiser] dat hij enkel en alleen tuchtrechtelijk door [A] is aangesproken voor fouten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dient dan ook als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen. Met betrekking tot de vordering jegens Noorderbreedte overweegt de kantonrechter tot slot dat deze geen verdere bespreking behoeft nu deze vordering is gebaseerd op het bepaalde in artikel 6:171 BW en niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] gepleegde onrechtmatige daad. Deze vordering dient mitsdien eveneens afgewezen.

4.5. [eiser] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van Zorggroep Noorderbreedte c.s. worden vastgesteld op:

- kosten exploot € 76,31

- griffierecht € 426,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300)

€1.102,31

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Zorggroep Noorderbreedte c.s. vastgesteld op € 1.102,31;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mr. J.A. Werkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 261