Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW9973

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
17/885141-12 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor schuld als bedoeld in artikel 307 Wetboek van Strafrecht (Sr.) moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank dient in dat kader de vraag te beantwoorden of verdachte anders moest en kon handelen. Naar het oordeel van de rechtbank kon onder deze omstandigheden niet van verdachte worden gevergd dat hij anders zou handelen nadat het slachtoffer en een medeverdachte zijn woning hadden verlaten. In het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat de zorgplicht van verdachte met betrekking tot het welzijn van het slachtoffer was afgelopen op het moment dat het slachtoffer samen met een medeverdachte zijn woning verliet. Niet kan worden gezegd dat verdachte een zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld oplevert in de zin van artikel 307 Sr. Verdachte wordt vrijgesproken.

De zaken tegen de twee medeverdachten worden op een nader te bepalen zitting hervat. De rechtbank heeft in die zaken geconcludeerd dat zij zich nog niet voldoende voorgelicht acht over de doodsoorzaak van het slachtoffer en acht het derhalve wenselijk om twee deskundigen nader vragen te stellen omtrent hun rapportages.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Opiumwet 10
Opiumwet 11
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/885141-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 5 april 2012 en 15 juni 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 28 januari 2011 tot en met 29 januari 2011, in

de gemeente Leeuwarden en/of Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of

onachtzaam en/of nalatig heeft/hebben gehandeld jegens [slachtoffer], door toen

en daar ten aanzien van die [slachtoffer], van wie hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat

hij, [slachtoffer], (diverse) verdovende middelen had gebruikt, na te laten om

noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor die [slachtoffer] in te (laten)

schakelen,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zag(en) en/of bemerkte(n)

en/of waarnam(en) en/of hoorde(n) dat die [slachtoffer] (in de avond van 28 januari

2011 en/of nacht van 29 januari 2011)

- (een normale hoeveelheid) GHB had gedronken en/of ingenomen, en/of

- (vervolgens) een fles aan zijn mond zette en/of (vervolgens) een slok GHB

dronk en/of innam, en/of

- meerdere malen niet wakker te krijgen was, en/of

- meerdere malen niet aanspreekbaar was en/of niet reageerde op prikkels, en/of

- in een auto lag, terwijl het toen vroor, althans koud was,

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) er niet, althans niet tijdig, voor

heeft/hebben gezorgd dat er hulpdiensten voor die [slachtoffer] werden ingeschakeld

en/of dat die [slachtoffer] naar een ziekenhuis werd vervoerd,

door/bij welk handelen en/of nalaten van verdachte en/of zijn mededader(s)

het (mede) aan zijn/hun schuld te wijten is, dat die [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 28 januari 2011 tot en met 29 januari 2011,

in de gemeente Leeuwarden en/of Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een

ander, te weten [slachtoffer] verkeerde, heeft/hebben nagelaten deze [slachtoffer]

die hulp te verlenen en/of te verschaffen die hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) hem/hen, zonder gevaar voor zichzelf en/of zijn mededader(s)

en/of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, kon(den) verlenen en/of

kon(den) verschaffen,

terwijl de dood van die hulpbehoevende [slachtoffer] is gevolgd;

2.

hij op of omstreeks 9 februari 2011, in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk

aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een stof bevattende GHB

(4-Hydroxyboterzuur), zijnde GHB (4-Hydroxyboterzuur) een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 9 februari 2011, in de gemeente Leeuwarden,

opzettelijk aanwezig heeft een hoeveelheid van een materiaal bevattende

amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 8.398,25, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van feit 1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. Voor verdachte geldt met name dat hij wist dat [slachtoffer] een fles met GHB aan zijn mond had gezet en daaruit had gedronken, nadat hij al een hoeveelheid GHB had gebruikt. Toen verdachte later werd gebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] met de mededeling dat [slachtoffer] niet wakker was te krijgen, heeft verdachte, ondanks zijn kennis over de gevaren van GHB, geen medische hulp ingeschakeld.

Volgens de officier van justitie was het, gelet op de omstandigheden, voor verdachte en diens medeverdachten te voorzien dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Nu noch verdachte, noch diens medeverdachten, adequaat hebben gereageerd op de zorgelijke toestand waarin [slachtoffer] zich bevond, is het gevolg van hun aanmerkelijk onachtzaam handelen en nalaten, te weten het overlijden van [slachtoffer], aan hun schuld te wijten.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op de avond van 28 januari 2011 kwam het latere slachtoffer [slachtoffer] samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning van verdachte te Leeuwarden. [slachtoffer] nam in de woning van verdachte ongeveer 2,5 milliliter GHB. Om zijn mond te spoelen, zette [slachtoffer] een fles frisdrank die op de tafel van verdachte stond, aan zijn mond. In de fles frisdrank bleek GHB te zitten. Verdachte heeft vervolgens tegen [slachtoffer] gezegd dat hij het uit moest spugen en zijn mond moest spoelen, hetgeen [slachtoffer] heeft gedaan. Omdat verdachte niet wist hoeveel [slachtoffer] van de GHB had binnengekregen en omdat hij wel wist dat het niet goed was om een slok GHB binnen te krijgen, zijn [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte 1] nog een tijdje bij verdachte in de woning gebleven. Verdachte wilde eerst kijken hoe [slachtoffer] zou reageren. Omdat verdachte niets bijzonders aan [slachtoffer] zag, hebben [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte 1] na enige tijd de woning van verdachte verlaten en zijn zij, tezamen met medeverdachte [medeverdachte 2], in de auto naar Dokkum gereden. In de nacht van 28 op 29 januari 2011 werd verdachte gebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] met de mededeling dat ze in Dokkum waren aangekomen, dat [slachtoffer] in de auto lag te slapen en dat hij niet wakker was te krijgen. Verdachte heeft toen aan medeverdachte [medeverdachte 1] geadviseerd om [slachtoffer] op zijn zij te leggen en om zijn pols regelmatig te controleren. Uiteindelijk is [slachtoffer] dezelfde nacht overleden.

Voor schuld als bestanddeel van de delictsomschrijving in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht moet het gaan om een min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid. Met andere woorden, er dient sprake te zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank dient in dat kader de vraag te beantwoorden of verdachte anders moest handelen en anders kon handelen.

Naar het oordeel van de rechtbank kon in deze omstandigheden niet van verdachte worden gevergd dat hij anders zou handelen nadat [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn woning hadden verlaten. In het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat de zorgplicht van verdachte met betrekking tot het welzijn van [slachtoffer] was afgelopen op het moment dat [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn woning hadden verlaten en dat hij de zorg had overgelaten aan medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] met wie [slachtoffer] was gekomen. Dat verdachte vervolgens een telefoontje heeft gekregen van medeverdachte [medeverdachte 1] met de mededeling dat [slachtoffer] niet wakker was te krijgen, doet aan dat oordeel niet af, nu verdachte, hoewel zijn zorgplicht was afgelopen, heeft geadviseerd om [slachtoffer] op zijn zij te leggen en hem in de gaten te houden. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat verdachte een zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1. primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte getuige is geweest van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde. Immers, uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, blijkt dat verdachte op dat moment niet in de nabijheid van [slachtoffer] was. Voorts blijkt niet dat verdachte anderszins op de hoogte was van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde. Derhalve zal de rechtbank verdachte eveneens van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank past met betrekking tot de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. [nummer], d.d. 10 februari 2011, inhoudende een kennisgeving van inbeslagneming;

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. [nummer], d.d. 1 juli 20111, inhoudende een technisch onderzoek inzake overtreding Opiumwet;

4. een schriftelijk bescheid, d.d. 9 juni 2011, inhoudende een rapport van het NFI inzake onderzoek naar verdovende middelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 9 februari 2011, in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een stof bevattende GHB (4-Hydroxyboterzuur), zijnde GHB (4-Hydroxyboterzuur) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 9 februari 2011, in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk aanwezig heeft een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA, zijnde amfetamine en MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

3. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie;

- het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van GHB, amfetamine en MDMA. Deze stoffen zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid. In de samenleving leeft zorg over de opkomst van het zeer verslavende middel GHB. Verdachte heeft dat gevaar ook reeds persoonlijk moeten ervaren: zijn vriendin is blijkens het proces-verbaal vermoedelijk overleden aan een overdosis GHB.

Verdachte heeft zijn jeugd deels in internaten en instellingen doorgebracht. Toen hij daarna begeleid ging wonen, is hij met verdovende middelen in aanraking gekomen. Dat heeft onder meer geleid tot geheugenproblemen. Zijn middelengebruik baart de rechtbank zorgen: verdachte is op de eerste zitting klaarblijkelijk onder invloed verschenen, waardoor hij bij herhaling leek weg te vallen. Ook tijdens de tweede zitting waren deze symptomen na enige tijd weer merkbaar. Het strafblad vermeldt dat verdachte zich in het verleden meermalen schuldig heeft gemaakt aan vermogensmisdrijven, waarvoor werkstraffen, voorwaardelijke straffen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn opgelegd. In 2011 werd hem een werkstraf opgelegd wegens overtreding van de Opiumwet.

Gelet op de ernst van de feiten, de recidive en de omstandigheid dat de rechtbank verdachte door zijn middelengebruik minder goed in staat acht om een werkstraf te voltooien, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht, gezien de hoeveelheden verdovende middelen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend, en zij zal die straf aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. primair dan wel onder 1. subsidiar ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, nu de vordering tot schadevergoeding ziet op de feiten waarvoor verdachte wordt vrijgesproken.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en 1. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2012.