Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW9327

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
17/880536-11 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in de boerderij die hij en zijn vrouw bewoonden. Door deze brandstichting ontstond gemeen gevaar voor goederen te weten voor de woonboerderij zelf en voor de inboedel daarvan. Toen verdachte ter zake de brandstichting op heterdaad werd aangehouden heeft hij zich tegen die aanhouding verzet en heeft hij een politieambtenaar mishandeld. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden op waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daarbij bijzondere voorwaarden. Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf voor de duur van 240 uur gepast, om de ernst van met name de brandstichting tot uitdrukking te brengen. Bij afweging van alle belangen vindt de rechtbank dit aspect zwaarder wegen dan het belang van verdachte om als vrachtwagenchauffeur internationale ritten te maken. De vorderingen van de benadeelde partije inzake immateriële schade zijn toegewezen. De vordering van de benadeelde partij inzake materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14d
Wetboek van Strafrecht 22c
Wetboek van Strafrecht 22d
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 180
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880536-11

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 juni 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 1 juni 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Bruinsma, advocaat te Lemmer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 november 2011,

te Nijeholtpade, (althans) in de gemeente Weststellingwerf,

opzettelijk brand heeft gesticht in (de keuken en/of een schuur van) een

woonboerderij (aan de [adres] te Nijeholtpade),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (in de keuken) met de vlam van

een (gas/kachel) aansteker een/de gordijn(en) in brand gestoken en/of (in de

schuur) met de vlam van een (gas/kachel) aansteker een stapel papier (in een

fauteuil) in brand gestoken,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een gordijn(en)

en/of papier , althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die/dat gordijn(en) en/of dat papier geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woonboerderij en/of zich in die

woonboerderij bevindende goederen en/of de (overige) inboedel van die

woonboerderij en/of een belendende paardenbox [met (een) paard(en)], in elk

geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(artikel 157 ahf en onder 1 Wetboek van strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 21 november 2011,

te Nijeholtpade, (althans) in de gemeente Weststellingwerf,

toen de aldaar dienstdoende brigadier van politie [verbalisant] en/of

hoofdinspecteur van politie [verbalisant] verdachte op verdenking van het

overtreden van artikel 157 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht,

in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op

heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den)

teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van

justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten

een/het bureau van politie (te Drachten),

zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en),

werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening,

door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een richting

tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtena(a)r(en), verdachte,

trachtten te geleiden en/of door die opsporingsambtena(a)r(en) hard en/of met

kracht in diens/dier licha(a)m(en)te knijpen;

(art. 180 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 21 november 2011,

te Nijeholtpade, (althans) gemeente Weststellingwerf,

opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten een brigadier van politie

[verbalisant], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar bediening,

(met kracht) heeft beet/vast gepakt en/of (in het bovenbeen en/of de

buikstreek, althans in het lichaam) heeft geknepen,

waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

(artikel 300 lid 1 jo. 304 ahf en onder 2 Wetboek van strafrecht).

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht met een ambulante behandeling;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 1.953,75, bestaande uit € 1.500,00 immateriële schade en € 453,75 materiële schade;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 1.953,75;

- niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] met betrekking tot het overige.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. [nummer], d.d. 22 november 2011, inhoudende de verklaring van [verbalisant] en [verbalisant];

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. [nummer], d.d. 22 november 2011, inhoudende de verklaring van aangeefster [benadeelde partij];

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. [nummer], d.d. 22 november 2011, inhoudende de verklaring van aangever [verbalisant].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 21 november 2011, te Nijeholtpade, in de gemeente Weststellingwerf, opzettelijk brand heeft gesticht in een woonboerderij aan de [adres] te Nijeholtpade, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een gasaansteker een gordijn in brand gestoken, ten gevolge waarvan dat gordijn is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woonboerderij en zich in die woonboerderij bevindende goederen te duchten was.

2.

hij op 21 november 2011, te Nijeholtpade, in de gemeente Weststellingwerf, toen de aldaar dienstdoende brigadier van politie [verbalisant] en hoofdinspecteur van politie [verbalisant] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 157 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie te Drachten, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden en door opsporingsambtenaar [verbalisant] hard en met kracht in diens lichaam te knijpen.

3.

hij op 21 november 2011, te Nijeholtpade, gemeente Weststellingwerf, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten brigadier van politie [verbalisant], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met kracht heeft vast gepakt en in het bovenbeen en de buikstreek heeft geknepen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op misdrijven:

1. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. Wederspannigheid.

3. Mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, het reclasseringsadvies en het psychologisch onderzoek pro justitia;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in de boerderij die hij en zijn vrouw bewoonden. Door deze brandstichting ontstond gemeen gevaar voor goederen te weten voor de woonboerderij zelf en voor de inboedel daarvan. Verdachte is tot zijn daad gekomen na aanhoudende en oplopende spanningen in de relatie met zijn echtgenote. Toen verdachte ter zake de brandstichting op heterdaad werd aangehouden heeft hij zich tegen die aanhouding verzet en heeft hij een politieambtenaar mishandeld. Opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen is een ernstig misdrijf vanwege de grote risico's die aan een dergelijk handelen verbonden zijn. In dit geval van brandstichting heeft verdachte weliswaar aan zichzelf schade berokkend maar evenzeer zijn echtgenote fors benadeeld. Verzet tegen de politie -zelfs gepaard gaande met mishandeling- ondermijnt het gezag van de politie en leverde in dit geval ook pijn bij een politieambtenaar op.

Verdachte is niet eerder voor enig misdrijf veroordeeld.

In het reclasseringsrapport betreffende verdachte wordt het recidiverisico als laag ingeschat. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daar aan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een (forensisch- psychiatrische) behandelverplichting bij een GGZ-instelling. Tot datzelfde advies komt de klinisch psycholoog die verdachte heeft onderzocht en tot de vaststelling kwam dat verdachte in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het delict. De rechtbank neemt genoemde adviezen over en zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. Daarnaast acht de rechtbank -anders dan de officier van justitie- het opleggen van een werkstraf voor de duur van 240 uur gepast, om de ernst van met name de brandstichting tot uitdrukking te brengen. Bij afweging van alle belangen vindt de rechtbank dit aspect zwaarder wegen dan het belang van verdachte om als vrachtwagenchauffeur internationale ritten te maken.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar inclusief de verzochte wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade onvoldoende onderbouwd is en dat het vergaren van meer informatie, daarbij behorend informatie over de boedelscheiding, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering voor wat betreft de materiële schade niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering voor wat betreft deze schade slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 157, 180, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

dat veroordeelde zich na een schriftelijke oproep meldt bij Reclassering Nederland te Utrecht.

dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van het centrum voor forensisch ambulante psychiatrie De Waag op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2011.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door M. Heerschop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2012.