Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW9135

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/1648
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:8748, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.90 Wet IB 2001. Verkaveling onroerende zaak. Geen resultaat uit overige werkzaamheden, want geen objectieve voordeelverwachting. Afspraak over verdeling privé-zakelijk. Niet geheel als winst uit onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 328
FutD 2012-1748
V-N Vandaag 2012/1558
V-N 2012/56.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 11/1648

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H.76) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 265.736 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.836. Verweerder heeft hierbij bij beschikking aan eiser een bedrag van € 6.592 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2011 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 juli 2011, ontvangen bij de rechtbank op 20 juli 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012 te Leeuwarden. Ter zitting is gelijktijdig met dit beroep behandeld het beroep van de echtgenote van eiser met het kenmerk [kenmerk].

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen diens gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Eiser heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van verweerder behorende bijlagen.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser, geboren op [datum] 1941, is gehuwd met [echtgenote], geboren op [datum] 1947.

1.2 Eiser en zijn echtgenote dreven in de vorm van een vennootschap onder firma (de vof) een onderneming, welke bestond uit het exploiteren van een vakantieverblijf te [woonplaats], genaamd "[vakantieverblijf]". Beide vennoten waren voor 50% gerechtigd in het vermogen van de vof.

1.3 Per 15 november 2000 hebben eiser en zijn echtgenote de onder 1.2 vermelde activiteiten beëindigd. Door eiser en zijn echtgenote is de verkoop van het perceel met opstallen gelegen aan [adres] te [woonplaats], aangemerkt als een langlopende liquidatie van de onderneming.

1.4 De onroerende zaak aan [adres] te [woonplaats] bestaat uit een woonhuis met een bedrijfsgedeelte. Het geheel is gelegen op een perceel van 0.77.10 ha. De woning en de ondergrond van de woning, alsmede de tuin behoorden tot het privé vermogen van eiser en zijn echtgenote. Partijen hebben desgevraagd ter zitting aangegeven dat deze ondergrond en tuin ongeveer een zevende van het gehele perceel beslaat, derhalve ongeveer 1.100 m². Het bedrijfsgedeelte, bestaande uit de kampeerboerderij en de rest van het perceel, behoorde tot het ondernemingsvermogen.

1.5 Op 6 oktober 2000 is in een gezamenlijke taxatie namens eiser en zijn echtgenote en verweerder de waarde in het economische verkeer van de onder 1.4 vermelde onroerende zaak getaxeerd op f 1.100.000 (€ 499.158). Het privé gedeelte is daarbij gesteld op 40%, is f 440.000 (€ 199.663). Het bedrijfsgedeelte is gesteld op 60%, is f 660.000 (€ 299.495).

1.6 De locatie [adres] heeft ten tijde van het drijven van bovengenoemde activiteiten in het bestemmingsplan de bestemming "maatschappelijke doeleinden".

1.7 Op 19 mei 1999 hebben eiser en zijn echtgenote een intentie-overeenkomst gesloten met [X] op grond waarvan de heer [Y] namens eiser en zijn echtgenote alle contacten met eventuele projectontwikkelaars en overheidsinstanties kon onderhouden. Op 26 augustus 2002 is deze overeenkomst verlengd.

1.8 In een advies van ambtenaar [ambtenaar] van de afdeling [afdeling] aan B&W van de gemeente [gemeente] d.d. 27 september 1999 staat vermeld dat eiser en zijn echtgenote de heer [Y] in de arm hebben genomen om de hoogst mogelijke opbrengst voor het eigendom aan de [adres] te verkrijgen. Deze ambtenaar heeft een oriënterend gesprek gehad met [Y]. Hierin is vermeld dat [Y] kiest voor de volgende insteek:

"- de gemeente moet ervoor zorgen dat de fam. [eiser] het meeste beurt voor zijn eigendom. Daarom moeten er vrijstaande woningen worden gebouwd kunnen worden en de gemeente moet het bestemmingsplan maar aanpassen (…);

- indien de gemeente niet meewerkt, worden de eigendommen verkocht aan een horecaman of vrouw, want dan komt er een discotheek in (…)

- als de gemeente zelf wil verwerven, moet de gemeente rekening houden met een vraagprijs van f 3.500.000,-, gebaseerd op herontwikkeling voor vrijstaande woningen."

Het voorgestelde besluit van B&W is: "berichten dat de kampeerboerderij mag worden herontwikkeld en suggesties kunnen worden gedaan, echter dat het speelveld niet bebouwd mag worden.".

Het besluit van B&W d.d. 12 oktober 1999 luidt: "aanhouden".

1.9 In een advies van voormelde ambtenaar aan B&W van [gemeente] d.d. 21 december 1999 staat: "Op 14 december 1999 hebben wij een brief ontvangen van het door [eiser] ingeschakelde [X] (de heer [Y]). [X] wil weten of de gemeente wil kopen en of wij de gemeentelijke aanliggende stroken willen inbrengen in een ontwikkelingsplan.". Bij besluit van 4 januari 2000 van B&W wordt besloten een brief te verzenden aan [X], waarin onder meer staat: "Wij zijn derhalve niet bereid het bestemmingsplan te wijzigen in een woonbestemming voor het open speelveld. Wel zijn wij bereid met u te praten over een alternatieve invulling van het in het bestemmingsplan aangegeven bouwblok, waarbij niet wordt gedacht aan overlast veroorzakende alternatieven.".

1.10 Op 8 april 2005 heeft [projectontwikkelaar], een projectontwikkelaar, een schetsplan aan de gemeente [gemeente] aangeboden ten behoeve van de mogelijke herontwikkeling van het perceel [adres]. Naar aanleiding hiervan heeft voormelde ambtenaar in een advies aan B&W van [gemeente] d.d. 18 april 2005 - onder meer - het volgende geschreven: "Al vanaf 1999 wordt gesproken over de toekomst van kampeerboerderij [kampeerboerderij] aan de [adres] te [woonplaats]. De eigenaren zijn gestopt met de exploitatie van de kampeerboerderij, maar willen de bestemming "kampeerboerderij" behouden, zolang er geen overeenstemming is over een haalbaar ontwikkelingsplan.

Ten aanzien van een mogelijke herontwikkeling heeft u besloten in principe en onder voorwaarden medewerking te willen verlenen, mits het speelveld onbebouwd blijft. Nu 5 jaar later blijkt dat er geen partijen zijn, die kunnen voldoen aan de voorwaarden, verbonden aan de herontwikkeling.

[projectontwikkelaar] komt derhalve met een stedenbouwkundig plan, die niet voldoet aan de tot op heden gehanteerde voorwaarden. Het plan voorziet in de bebouwing van het gehele perceel (dus inclusief speelveld) met 12 grondgebonden woningen (…)

Volgens mij zou het het beste zijn, als er totaal geen ontwikkeling zou komen: geen appartementen, geen grondgebonden woningen. Omdat wij in 2000 toch enige ruimte hebben gegeven (ook onder druk van een mogelijk doorlopende exploitatie van een kampeerboerderij), heb ik toch het gevoel dat wij het niet kunnen maken om niets te doen of te willen. Volgens mij is er een impasse.".

1.11 Op 30 april 2006 hebben eiser en zijn echtgenote een overeenkomst gesloten met [projectontwikkelaar] inzake (het verrichten van onderzoek naar) het realiseren van nieuwbouwmogelijkheden op de locatie [adres] en de financiële en praktische uitgangspunten die bij een overname van de locatie door [projectontwikkelaar] zullen gelden. In deze overeenkomst is - onder meer - bepaald:

"Als koopsom is het volgende overeengekomen:

[projectontwikkelaar] levert de familie [eiser] een nieuwbouwwoning, op een door partijen overeengekomen locatie (…). Dit bouwterrein zal in eigendom blijven van de familie [eiser] en daarmee dus niet worden overgedragen. (…)

Daarnaast zal [projectontwikkelaar] de familie [eiser] een bijbetaling voldoen.".

1.12 In 2007 is het bestemmingsplan ter zake van de locatie [adres] gewijzigd.

1.13 Op 7/8 maart 2007 is een koop- en project overeenkomst gesloten tussen eiser en zijn echtgenote (verkopers) en [projectontwikkelaar] (koper). In deze overeenkomst is - onder meer - bepaald:

"Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt:

Een perceel bouwterrein, waarop thans nog staat de te slopen woonboerderij met verdere opstallen, erf en tuin, staande en gelegen te [woonplaats], plaatselijk bekend als [adres], (…), groot zevenenzeventig are en tien centiare (0.77.10 h.a), met uitzondering van een gedeelte groot ongeveer zes are en vijfenzeventig centiare (0.06.75 h.a), (…), welke kavel is gelegen op de meest zuidoostelijke hoek van voormeld kadastraal perceel en is aangegeven op de aan deze akte gehechte tekening, (…).

Dit gedeelte van het perceel, groot 6 are en 75 centiare, dat in eigendom blijft van eiser en zijn echtgenote, is een deel van het gedeelte dat voorheen tot het bedrijfsvermogen werd gerekend.

Verder is in de overeenkomst bepaald:

"KOOPPRIJS

De koopprijs of door koper te doene tegenprestatie voor het verkochte bestaat uit:

1. het bouwen en gebruiksklaar opleveren van een vrijstaande woning op voormelde, bij verkoper in eigendom blijvend gedeelte van gemeld perceel (…), conform de omschrijving zoals in de voorovereenkomst is vastgelegd, alsmede:

2. de bijbetaling van een bedrag in geld van zeshonderdzevenduizend vijfhonderd euro (€ 607.500,00).

(…)

Feitelijke levering, staat van het verkochte

Artikel 4

Ten aanzien van de feitelijke levering en de staat van het verkochte zijn de ondergetekenden overeengekomen:

1. Na ondertekening van deze overeenkomst zal koper overgaan tot verkoop van de in het project begrepen kavels, middels het aangaan van koop-aannemingsovereenkomsten met derden-kopers.

Verkoper verplicht zich om het verkochte binnen afzienbare tijd na een april tweeduizend en zeven voor zijn rekening te slopen.

De feitelijke levering van het verkochte zal geschieden bouwrijp en zodra terzake van het verkochte bouwvergunningen zijn verleend teneinde het project te kunnen verwezenlijken (…)"

1.14 In 2007 zijn de 10 bouwkavels geleverd. Op 28 maart 2008 hebben eiser en zijn echtgenote aan [projectontwikkelaar] een perceel grond van 13 are en 89 centiare geleverd. Dit betreft een perceel dat door koper zal worden gebruikt voor ontsluiting van de te bouwen woningen. De koopsom is begrepen in de totale koopsom, zoals vermeld onder 1.13.

1.15 Op 4 juli 2008 is de woning van eiser en zijn echtgenote opgeleverd.

1.16 Bij brief van 25 juli 2005 heeft de voormalige adviseur van eiser en zijn echtgenote aan verweerder - onder meer - geschreven:

"Inmiddels zijn er vergaande contacten met [projectontwikkelaar] uit [vestigingsplaats]. De verkoopprijs voor het geheel zal ongeveer € 800.000 bedragen. In 2000 is het geheel getaxeerd op f 1.100.000.

Hierbij is f 440.000 toegerekend aan het woonhuis en f 660.000 aan de groepsaccomodatie. Het woonhuis is privé vermogen en de groepsaccomodatie is bedrijfsvermogen. Wij stellen voor om, indien de verkoop doorgaat, de verkoopprijs in dezelfde verhouding te verdelen. Dit houdt in dat 40% van de verkoopopbrengst in Box 3 wordt genoten en dat 60% wordt belast in Box 1.

De verkoop zal geschieden aan [projectontwikkelaar] of middels een zogenaamde A-B-C levering aan de uiteindelijke afnemers. Het is de bedoeling van [projectontwikkelaar] om twaalf vrijstaande en geschakelde woningen te realiseren.".

1.17 Verweerder heeft op de onder 1.16 vermelde brief gereageerd bij brief van 13 oktober 2005. In deze brief aan de voormalige adviseur van eiser en zijn echtgenote heeft verweerder - onder meer - geschreven:

"Ik heb uw voorstel voorgelegd aan een Rijkstaxateur van de afdeling waardeonderzoek werkzaam bij de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Zwolle. Op 16 september heb ik bericht ontvangen dat met uw voorstel akkoord kan worden gegaan. De verkoopopbrengst kan in de verhouding van 40% privé en 60% zakelijk gehandhaafd blijven.".

1.18 Op 19 november 2009 is verweerder bij eiser, zijn echtgenote en de vof een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting over het jaar 2007. De uitkomsten van het boekenonderzoek heeft verweerder vastgelegd in een rapport van 9 juni 2010. In dit rapport heeft verweerder - onder meer - geschreven:

"3.1.2 Stakingswinst

(…)

Ter zake van het in eigendom behouden perceel grond merk ik op dat deze achterblijvende kavel - gelijk de overige kavels- na sloop en bouwwerkzaamheden geschikt gemaakt is om er een woning op te bouwen. Daarom ben ik van mening dat dit kavel een waarde heeft welke gelijk is aan de waarde wat hieraan toegekend is bij de verkoop door de projectontwikkelaar van de overige 10 percelen aan de zogenoemde derde partijen.

De grondprijs exclusief omzetbelasting bedraagt per vierkante meter als volgt:

Tabel 1

Kavel 7 en 11 komen qua oppervlakte (respectievelijk 738 meter en 648 meter) het meeste overeen met het bij de belastingplichtigen in eigendom gebleven kavel.

Op basis van bovenstaande ben ik van mening dat de waarde in het economische verkeer van het in eigendom gebleven kavel minimaal gesteld moet worden op 675 meter x 237,54= € 160.342.

(…)

De gerealiseerde stakingswinst is als volgt:

Tabel 2

(…)

De totale stakingsopbrengst bedraagt € 975.842, hiervan is 60% als zakelijk aan te merken. De als winst uit onderneming aan te merken stakingswinst bedraagt € 533.289.

Toebedeeld aan de vennoot bedraagt dit € 266.645.

In de aangifte is verantwoord € 259.335.

(…)

3.1.3 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

(…)

De overige opbrengst (40%) is toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen welke niet toe te rekenen zijn aan het bedrijfsvermogen.

Deze opbrengst bedraagt € 390.337.

(…)

Het belastbare resultaat is als volgt:

Tabel 3

Per firmant is dit een bedrag van € 91.473."

1.19 Verweerder heeft met dagtekening 20 augustus 2010 de aanslag IB/PVV 2007 conform de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Verweerder heeft de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 166.954

Volgens controlerapport meer stakingswinst € 7.310

Volgens controlerapport resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) € 91.473

Totale correctie (naar beneden afgerond) € 98.782

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 265.736

Geschil

2.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of verweerder terecht resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking heeft genomen ter zake van het privé gedeelte van de onroerende zaak van eiser.

2.2 Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3 Eiser voert daartoe - kort gezegd - aan dat hij niet de intentie had een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen. Door omstandigheden moesten hij en zijn echtgenote stoppen met het bedrijf. Het ging erom een oudedagsvoorziening veilig te stellen en een aangepaste woning te verkrijgen. Ook stelt eiser niet de handelingen te hebben verricht die verweerder heeft aangevoerd. Voorts beroept eiser zich op een afspraak met verweerder - zie 1.17 - over de 60-40 verdeling.

2.4 Verweerder voert daartoe - kort gezegd - aan dat eiser en zijn echtgenote zich een voordeel hebben doen toekomen door hun invloed en handelen. Dit voordeel werd beoogd en kon worden verwacht. De rechtbank begrijpt dat het standpunt van verweerder inhoudt dat per 1 januari 2000 een werkzaamheid is ontstaan, die op de openingsbalans moet worden gewaardeerd op € 199.663. De activiteiten van eiser en zijn echtgenote hebben geleid tot een bestemmingswijziging van de grond, het slopen van de opstal en bouw van de woningen daarna. De waarde van de grond is gestegen, waarbij het voordeel van het geheel dient te worden bezien. Deze activiteiten zijn derhalve belast als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) in de zin van artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Ter zitting heeft verweerder, voor het geval de rechtbank tot de conclusie zou komen dat van ROW geen sprake is, een beroep gedaan op interne compensatie voor het gehele bedrag. Ten aanzien van de door eiser hiervoor genoemde afspraak, heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat als er geen sprake is van ROW, de hiervoor genoemde afspraak over de 60-40 verdeling niet geldt, en tevens dat sprake is van een nieuw feit vanwege de bestemmingswijziging.

2.5 Eiser heeft ter zitting verklaard in te stemmen met de door verweerder berekende - onder 1.18 vermelde - stakingswinst. Niet in geschil is dat de belastingheffing hierover in 2007 dient plaats te vinden.

2.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Artikel 3.90 van de Wet IB 2001 luidt: "Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren".

3.2 Ingevolge artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001, wordt onder een werkzaamheid mede verstaan - voor zover hier van belang - het rendabel maken van vermogensbestanddelen, door deze vermogensbestanddelen ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

3.3 Ingevolge artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 wordt onder werkzaamheid mede verstaan - voor zover hier van belang - het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak.

3.4 Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vergelijk Hoge Raad 3 maart 1954, nr. 11.683, onder meer gepubliceerd in BNB 1954/125 en Hoge Raad 1 februari 2002, nr. 36.238, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/128c*) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

3.5 Nu verweerder stelt dat eiser in het onderhavige geval redelijkerwijs een voordeel kon verwachten en dat hij dit ook heeft beoogd, rust op hem, gelet op de betwisting daarvan door eiser, de last zulks aannemelijk te maken. Verweerder heeft aangevoerd dat voorzienbaar was dat er een waardestijging zou plaatsvinden, omdat eiser en zijn echtgenote volgens hem al voor het jaar 2000 activiteiten hebben ondernomen om bouwgrond te realiseren en tevens van algemene bekendheid is dat bouwgrond vanaf het jaar 2000 in waarde is gestegen. Voorts voert verweerder aan dat er bij bestemmingswijziging altijd een bron is. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling of sprake is van een objectieve voordeelverwachting enkel in ogenschouw mag worden genomen of eiser en zijn echtgenote redelijkerwijs een voordeel konden verwachten ter zake van het deel van de onroerende zaak dat niet tot het ondernemingsvermogen (het privé gedeelte) wordt gerekend. Voorts overweegt de rechtbank dat de objectieve voordeelverwachting aanwezig dient te zijn op 1 januari 2000, het moment waarop verweerder - naar de rechtbank begrijpt - stelt dat de bron ROW een aanvang heeft genomen. Daarbij dient ter zake van het privé gedeelte objectief een hogere opbrengst te worden verwacht dan de aanvangswaarde van € 199.663. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, mede in het licht van de vastgestelde feiten - waaronder het besluitvormingsproces bij de gemeente (zie 1.8 tot en met 1.10) -, niet aannemelijk gemaakt dat er op 1 januari 2000 sprake was van een objectieve voordeelverwachting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de waarde van het privé gedeelte per 1 januari 2000 40% van het geheel bedroeg (zie 1.5), waarbij dit privé gedeelte slechts een zevende deel van het geheel beslaat (zie 1.4). Daarbij wijst de rechtbank erop dat - uitgaande van een totale opbrengst van € 975.842 (zie 1.18) - aan het privé gedeelte bij verkoop slechts een waarde van € 139.406 (een zevende deel) kan worden toegerekend, een aanzienlijk lager bedrag dan de aanvangswaarde van € 199.663. De - gestelde - activiteiten kunnen derhalve, voor wat betreft het privé gedeelte, niet worden aangemerkt als een bron van inkomen.

3.6 Voor zover verweerder heeft bedoeld te stellen dat op een later moment wel sprake is van een objectieve voordeelverwachting, faalt dit, aangezien de aanvangswaarde (op de openingsbalans) dan ook hoger dient te worden vastgesteld en deze stelling overigens ook niet is onderbouwd.

3.7 Voor zover er wel een bron van inkomen zou zijn te constateren, kan dit verweerder evenmin baten, aangezien volgens de onder 1.17 vermelde afspraak tussen eiser en verweerder niet meer dan 60% van de verkoopopbrengst kan worden belast. Naar het oordeel van de rechtbank moet uit de onder 1.16 en 1.17 vermelde brieven worden afgeleid dat eiser en verweerder zijn overeengekomen dat 60% van de verkoopopbrengst in box 1 zal worden belast, wat in het onderhavige geval betekent: belast als stakingswinst en/of als ROW. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet gebonden is aan deze afspraak. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de hiervoor genoemde afspraak niet geldt als er geen sprake is van ROW. Evenmin volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat er sprake is van een nieuw feit vanwege de bestemmingswijziging - wat daar verder ook van zij - gelet op de duidelijke verwijzingen naar de verkoop door de projectontwikkelaar in de brief van de voormalige gemachtigde van eiser en zijn echtgenote van 25 juli 2005 (zie 1.16). Nu reeds 60% van de verkoopopbrengst bij de bepaling van de stakingswinst in aanmerking is genomen - zie 1.18 - laat het voorgaande een verdere belastingheffing niet toe.

3.8 Nu de bronvraag negatief is beantwoord en ook anderszins geen sprake is van ROW, kan in het midden blijven of er werkzaamheden zijn verricht, of er wel een resultaat is behaald en zo ja, of dit resultaat positief of negatief is.

3.9 Voorts heeft verweerder, voor het geval de rechtbank tot de conclusie zou komen dat van ROW geen sprake is, een beroep gedaan op interne compensatie voor het gehele bedrag. Daarmee bedoelt verweerder - naar de rechtbank begrijpt - dat als geen sprake is van ROW, de gehele verkoopopbrengst in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de stakingswinst. Daarbij verwijst verweerder naar het bepaalde in artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 (zie 3.2) op grond waarvan volgens verweerder de hiervoor genoemde 40% meelift met de 60% die reeds als stakingswinst wordt belast. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling - wat daar verder ook van zij - niets afdoen aan hetgeen onder 3.5 tot en met 3.7 is overwogen. Verweerders stelling strandt reeds om de reden dat hij niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de beweerdelijk door eiser ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen zijn aangewend voor het behalen van winst uit onderneming.

3.10 Nu - gelet op het vermelde onder 2.5 - niet in geschil is dat de correctie van € 7.310 inzake de stakingswinst terecht is aangebracht, leidt het voorgaande tot de slotsom dat de rechtbank het belastbaar inkomen uit werk en woning zal vaststellen op € 174.263 (€ 265.736 minus € 91.473).

3.11 Het beroep en het bezwaar worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Nu verweerder op het bezwaar tegen de beschikking heffingsrente niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat in de onderhavige uitspraak op bezwaar ook de beslissing ligt besloten om de beschikking heffingsrente te handhaven. Aangezien de met deze beschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, ziet de rechtbank aanleiding verweerders beslissing om deze beschikking te handhaven, te vernietigen. De rechtbank verstaat dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

3.12 Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 174.263 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.836;

- verstaat dat verweerder de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig vermindert;

- bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Keuning, mr. G.B.A. Brummer en mr. J.F.H. van den Belt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. J.W. Keuning

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.